Het geheime kaatsritueel

Koning van het vanzelfsprekende

Kaatsen is een geheim ritueel dat alleen in Friesland kan worden uitgevoerd. Het publiek is rustig. Het wil heel lang gelukkig zijn. Kijken en kijken tot je hoofd tolt en je nauwelijks meer kunt staan.

We zijn natuurlijk al geroutineerde PC-bezoekers omdat we hier vorig jaar ook waren. We zijn nu wel beter voorbereid, hebben wekenlang elke maandag de kaatspagina van de Leeuwarder Courant bestudeerd, kennen de spelregels, denken we, en weten dat het partuur Van Tuinen, Wassenaar, Kuipers huizenhoog favoriet is. Maar is Johan Okkinga, voormalig koning, kampend met blessures, niet aanwezig om nog eenmaal te kunnen schitteren? En wat te denken van het partuur Berkepas en dat van de koning van vorig jaar, Klaas Anne Terpstra? We weten dat er wisselingen van parturen hebben plaatsgevonden, kaatsers wisselen nu eenmaal ook van partner, het fijne daarvan is ons niet duidelijk. Andere sponsors? Ruzie? Verschillende spelopvattingen? Willen we dit weten? Ja, we willen het weten omdat we alles willen weten.
Weer nemen we ons voor een reusachtig episch gedicht over deze dag te schrijven, de vlaggen moeten erin, de handen, de benen, de geluiden, de blikken van de toeschouwers, de worstenbroodjes, de serene rust en het gezoem van het publiek wanneer het spannend is. En ook de schrik die door het stadion golft bij hopeloos domme ballen, die moet erin. Maar vooral de vanzelfsprekende vanzelfsprekendheid die in het kleine stadion op het Sjûkelân in Franeker alles gaat overtreffen, want die heeft ons hier vandaag teruggebracht.
We nemen ons ook voor nu echt veel meer op het spel te letten en niet zoals vorig jaar alleen de stemming te peilen en wezenloos voor ons uit te staren omdat het allemaal te veel was. Deze keer vallen we niemand meer lastig over de spelregels, zeggen we, we hopen nu zelfs te weten wat een pripper is, een bal dus die net binnenvalt, een zitter eigenlijk, maar dan heel knap. We weten ook dat daar in de verte in die feestelijk bevlagde kleine muziektent de Permanente Commissie hof houdt. Vijf mannen in jacquet met hun gasten: de Commissaris van de Koningin, de Kamerheer van de Koningin en andere hoge figuren met hun schitterende dames. Wat voor hoeden zouden die op hebben? Straks goed kijken. Wij willen op een dag als deze graag ook even een hogere figuur in feestelijke entourage zijn.
We gaan om een uur of half elf in het oude centrum van Franeker het kleine stadion in, eigenlijk veel te laat omdat de hele ceremonie van deze sinds 1853 jaarlijks terugkerende topdag van het kaatsen vanochtend om acht uur is gestart met een toespraak in de Korenbeurs door de voorzitter van de PC, de heer Van der Meij. Daarna een rondrit in een koets door Franeker met het winnende partuur van vorig jaar, dan naar het veld, daar eerst nog het volkslied en dan kan het beginnen.
We vergeten al onze voornemens wanneer we binnenkomen. We dachten alles nog te weten van vorig jaar, maar we wisten niets, dat is meteen duidelijk. Het stadion is opvallend klein, intiem; fleurig, blauwwit gestreept zeildoek is boven de tribunes gespannen. Het is propvol, zeker tienduizend mensen schatten we. Was het stadion vorig jaar ook zo klein? Om het stadion de vlaggen van de steden en de gewesten en op het dak van het stadion die merkwaardige beelden, godenbeelden lijken het, vijf stuks, plus twee leeuwen met kronen op, waarvan de ene een poot houdt op een witte bal en de andere op een rode. Dit is het ultieme stadion, weten we, maar waarom weten we niet zeker.
De stemming is onpeilbaar rustig, kalmte heerst, we durven niet eens verder te lopen, maar kijken bij de opslag. Mannen en vrouwen staan en zitten op het perfecte gras rond dit perfecte veld, of ze bewegen voor de tribunes langs om ook eens elders te gaan kijken. Of om een praatje met een bekende te gaan maken. Om waar te nemen.
We weten niets meer van onze voornemens omdat we alles tegelijk willen zien en beluisteren. En hoe gingen de spelregels ook alweer? Zijn we ze vergeten? Een golf van verrukking deint ineens door het stadion, oeioeioeioei, ja een bovenslag, een boppeslach, geweldig, waar is de bal? Verdwenen over het dak. Vlakbij zit een jongen hoog op een stoel de telling bij te houden, «earst», zien we, «1e» en kort daarop «2e», de parturen wisselen van opslag. De opslager tikt de bal van zijn linker- naar zijn rechterhand, nog eens en weer en weer, dan rent hij naar voren en in het slagperk geeft hij de bal een flinke tik, daar vliegt hij, nu zien we hem ook, in het ontvangstperk twee gebogen mannen, ze hebben allebei een handschoen aan, de bal komt aan, stuitert, een van de mannen tikt hem weg, over de grond, voorbij de eerste kaats, de mannen in het veld kunnen er niet bij. Applaus. De jongen bij de telegraaf, het scorebord, doet zijn werk. Daarna applaudisseert hij nog even, want het was een mooi punt. Yde Klaas Dijkstra, Peter Dijkstra en André Iedema staan dik voor, ze hebben al twee «spullen» (spellen, misschien vergelijkbaar met sets in het tennis) en een «earste» (vergelijkbaar met een game), nog twee keer twee punten en ze zijn door de eerste omloop, want wie het eerste drie spullen wint heeft gewonnen.
Er worden twee wedstrijden tegelijk gespeeld, dat is in het begin verwarrend omdat je niet weet hoe je ernaar moet kijken, we overleggen erover. Een man voor ons zegt dat we het beste een wedstrijd kunnen uitzoeken en daar op letten, anders wordt het niks. Daarna gaat hij weer over op het Fries tegen zijn buurman. Jacob, de broer van Chris Wassenaar staat in het veld, hij speelt de wedstrijd met Rutmer van der Meer en Wybe Visser, het gaat niet goed zien we, ze verliezen, de winnaars krijgen een kalm applaus, we klappen mee. Alles is kalm, tot op het langzame, we beginnen zachter te praten, langzamer te leven, houden op met flauwe grappen, die tijd is voorbij, we mengen ons tussen het publiek, zo rustig waren we de laatste tijd niet meer, als waren wij hier bijeen om tot rust te mogen komen en heeft de PC daartoe een geheim ritueel in het leven geroepen dat alleen in Friesland kan worden uitgevoerd.
Voorzichtig lopen we rond het veld omdat we niets willen missen, soms staan we stil en we komen langzamerhand het spel binnen, we staan in de brandende zon maar merken er niets van, uren kijken we, onophoudelijk, totdat de eerste omloop is afgelopen, van de zestien ingeschreven teams zijn er nu nog acht over. De tweede omloop kan beginnen, de kwartfinale dus. Opnieuw twee wedstrijden tegelijk. Hoeioeioei, een boppeslach, aaahhhh, wat een mooi tussenspel, ineens een kunststukje, een van de spelers tikt de bal achter zijn rug weg, schitterend, rust keert weer.
Kaatsen is geen langzame sport, het publiek is langzaam omdat het heel lang gelukkig wil zijn. Sereen. Af en toe flitst het op het intieme veld ineens van snelheid, de kleine bal vliegt weg, het publiek in, de spelers duiken, tikken, draven. Dan wisselen ze van opslagbeurt, iedereen kent het ritueel, zo moet het gaan, er is geen ongeduld bij het publiek, geen gefluit of boegeroep, hoogstens af en toe een schrikreactie (ooooohhhh) wanneer een speler een domme fout maakt (ooooohhhh), een bovenslag probeert te slaan, maar uit slaat, dus zonder te stuiteren over de zijlijn slaat, terwijl het al bijna genoeg geweest was de kleine bal alleen tegen te houden. Af en toe begint, alsof het niet zo was afgesproken, een klein orkest te spelen, Stedelijk Muziekcorps Harmonie, geen hoempamuziek, maar keurige orkestwerken van Verdi, ook nummers uit de film Grease horen we later, heel rustige muziek die niemand de kop gek maakt maar rustig een bedachtzame sfeer in stand houdt. Dan stoppen ze en net als we ze vergeten zijn, beginnen ze weer te spelen. Waarom ze op welk moment beginnen, zonder een enkele begrijpelijke aanleiding, dat moet vooral niemand weten, besluiten we.
We nemen even pauze en zitten vlak achter de tent van de PC op een bankje, eten een broodje. Naast ons zit een kleine oudere man met een witte pet op. Hoe het kan weten we ook later niet meer, maar we hebben het over Louis Althusser, de overleden Franse filosoof. Wie begon er eigenlijk over? De man zegt: zo zo, da’s ook niet niks, Louis Althusser, en dat op een dag als vandaag, ja die Althusser is veel door sociologen gebruikt. We raken in gesprek en hij vertelt iets over de geschiedenis van het kaatsen, over Grieken en Romeinen en Philips de Schone en pleinen. We vragen of hijzelf gekaatst heeft. Jazeker. Heeft hij ooit weleens op de PC gespeeld? Jawel, drie keer gewonnen.
We zijn perplex, we zitten rustig te praten met een van de helden die ooit dit vanzelfsprekende ritueel zijn binnengegaan. Hoe heet u? Santema. Drie keer gewonnen? Ja, in 1961, in 1963 en in 1965, een keer koning, in 1961. Hij moet er wat om lachen, ook om onze bewondering, ja dat was nog voor Althusser in Nederland bekend werd, zegt hij. Hij vertelt dat hij in 1961 een rel heeft veroorzaakt omdat hij het koningschap weigerde. We vonden destijds dat er in ons partuur geen onderscheid gemaakt mocht worden, zegt hij, winnen doe je met zijn drieën. Als hij weg is, zoeken we zijn naam op in het programmaboekje omdat wij als mannen van de wereld alleen geloven wat er op papier staat. En verdomd daar staat het: Santema uit Easterlittens, drie keer gewonnen, een keer koning.
Dan gaan we weer terug naar het spel en kijken, kijken tot ons hoofd tolt en we nauwelijks meer kunnen staan. Ja, we hebben een zitplaats op de perstribune, voor alles is gezorgd, maar hier, vlakbij de Permanente Commissie staan we veel beter en de broodjestent is mooi dichtbij. Ineens weten we alle spelregels weer, zo ingewikkeld is het allemaal niet, we leven mee met het spel, luisteren naar het Fries dat om ons heen klinkt, dat volkomen vanzelfsprekend is, zoals alles op deze dag, hopen dat onze held gaat winnen: Chris Wassenaar, de Reus van Minnertsga, rood haar, langzame tred. Zijn partuur verplettert in de tweede omloop het partuur Yde Klaas Dijkstra, Peter Dijkstra en André Iedema. Daarna walsen ze over Johan Abma, Tjepco Miedema, Jochem Bouma heen. We vinden dat we kenners beginnen te worden wanneer we van schrik bij een slechte bal mee onze adem inhouden. Ooooohhhh.
De finale gaat tegen het partuur van Johan Okkinga, de geweldige Sake Porte en de jonge Taeke Triemstra, die een prachtige halve finale speelden tegen het partuur Berkepa, met als laatste beslissende slag, terwijl het stadion ineens muisstil werd, het licht rondzong, iedereen de adem inhield, ook omdat het zo'n schitterende dag was, niemand haast maakte, iedereen haastloos gelukkig was, de PC de juiste toon had gevonden en alle rituelen net als vorig jaar weer van een volmaakte vanzelfsprekendheid waren, bij een volkomen gelijke stand, een pripper van Johan Okkinga. Een zwiepende bal, een lage binnenkomer, een zitter, hij valt net binnen, we juichen, we klappen, wat een fantastische bal.
Om kwart over zes de finale, we zijn kapot, maar laten niets merken, de zon gaat langzaam onder en de petjes gaan af wanneer het harmonieorkest vlak voor de finale het Friese volkslied speelt. Van de finalisten zingen er twee of drie mee. Okkinga gaat als een speer uit de startblokken, wie had daar op gerekend, ze staan binnen de kortste keren met 3-1 voor. Maar we zien dat dit dappere partuur onder dreigt te gaan aan blessures, dit houden ze niet vol, Sake Porte lijkt kramp te hebben, Okkinga was al geblesseerd voor de PC begon en Taeke Triemstra loopt ook te hinkepoten.
Chris Wassenaar laat zich niet gek maken, ook al spelen ze weinig ballen op hem, hij staat zijn mannetje en langzaam komt zijn partuur terug. Zijn opslagen zijn als donderslagen, wat moet je daar nu mee doen? Ook Pieter van Tuinen, een van de elegantste spelers, komt in zijn spel, nauwkeurig slaat hij de ballen op. André Kuipers herstelt zich mooi van een zwak begin. En dan, bij 5-3 en 6-6, een kwaadslag van Triemstra: partuur Van Tuinen wint, het veld stroomt vol, we zijn gelukkig, we kijken, we applaudisseren, zijn we hier nog wel? Waren we hier vandaag wel voldoende? Hebben we nu wel opgelet? Zijn we enigszins vooruitgegaan sinds vorig jaar?
We wachten op de prijsuitreiking door Van der Meij, de voorzitter van de Permanente Commissie, die eruitziet alsof hij iedere dag een jacquet draagt en dit volkomen normaal vindt. Hij weet dat hij op deze dag een ritueel voltrekt, een ritueel waarom hij soms ook moet lachen maar nooit te erg, hij laat er af en toe iets van doorschemeren. Hij neemt alles van deze dag volkomen serieus, juist omdat hij het rituele ervan doorziet en ons, het publiek, ineens laat beseffen dat niet zijn aanwezigheid maar de onze op vrijwel niet te achterhalen rituelen berust. Hij spreekt de spelers geestig toe, ze krijgen een hand en een zakje met gouden rijksdaalders. Chris Wassenaar wordt koning, zijn verbluffend bescheiden lach is onovertroffen. Zou iemand zien dat van een van de leeuwen de kroon is afgevallen?