Koning voor vijf dagen

Dankzij de populariteit van een literair genre, de Ruritaanse roman, kon een degenslikker zich decennialang presenteren als de gewezen koning van Albanië, een land exotisch genoeg om nog altijd te dienen als romantische grabbelton.

Duits circusartiest Otto Witte (1872-1958), ex-officier van het Turkse leger en ex-koning van Albanië, in gala-uniform te paard. Berlijn, 1932 © Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad / Het Leven / Fotograaf onbekend

Even buiten Hamburg, op een grote begraafplaats in de buurt van het vliegveld, staat een grafsteen, groot en grijs. In reliëf staat geschreven: ‘Otto Witte, Ehem. König v. Albanien’. Dat het woord ‘voormalige’ is ingekort had waarschijnlijk te maken met de kosten. Want hoewel ooit koning van Albanië stierf Witte op zijn 86ste als een berooid man.

Dat was in 1958. Hij had wat je noemt een veelbewogen leven achter de rug. Al op zijn achtste trok hij door Europa met een circus. Het ventje vertoonde goocheltrucs terwijl de leeuwendompteur hem klaarstoomde om zijn plek over te nemen. Het mocht niet zo zijn: Witte meende dat de leeuwen een betere behandeling kregen dan hijzelf en hij liep weg, twaalf jaar oud.

Hij zwierf rond, tot diep in Afrika, en verdiende zijn dagelijks brood als degenslikker, vuurspuwer, zanger, acteur en goochelaar. Hij kwam onder de wapenen in het vreemdelingenlegioen om daarna in Belgrado en uiteindelijk in Turkije te belanden. Daar bedacht hij de daad waarmee hij de geschiedenis inging. Februari 1913. Witte zou zich laten kronen tot koning van Albanië. Hij zou het vijf dagen lang blijven.

Hoe het hem is gelukt beschreef hij in twee boeken. Het eerste verscheen in 1932, het tweede (een beter geschreven versie van hetzelfde boek) in 1939. Ondertussen vertelde hij het verhaal aan wie het maar wilde horen (en een kaartje kocht) terwijl hij met zijn gezin in een houten circuswagen woonde.

Zijn Albanese avontuur begon toen hij als majoor in Turkije hoorde hoe Turkse troepen door het geweld van de Eerste Balkanoorlog (1912-1913) in de Albanese provincie waren afgesneden van de rest van het Ottomaanse Rijk. Serven, Grieken en Bulgaren rukten op, allen vast van plan de Ottomanen voorgoed uit Europa te knikkeren. Witte liet de Turkse officieren in Albanees gebied een telegram sturen, met de Grootvizier als afzender en met de mededeling dat een prins in aantocht was om, in deze penibele dagen, de bevelvoering over te nemen. Zelf vertrok hij ijlings naar Wenen, met de Oriënt Express, om daar samen met een Turkse vriend een rijkelijk versierd uniform aan te schaffen, type operette. Een rode Fez met gouden kwast had hij al, net als een eerbiedwaardige witte snor. Twee dagen later ging het per stoomschip van Rijeka naar Durazzo, het huidige Albanese Durrës. De aanwezige officieren vertelde hij: ik ben de prins uit het telegram.

Zij vertelden hem dat de Albanezen, die al eeuwen werden geregeerd vanuit Istanbul, geenszins van plan waren zich aan Grieken of Serven over te leveren en de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen. Daarop liet Witte weten dat hij, Turkse prins, bereid was hun koning te zijn. Enkele machtige Albanese krijgsheren hadden daar wel oren naar, schreef Witte in zijn autobiografieën, omdat een islamitische heerser beter bij het land zou passen dan een christelijke West-Europeaan. Bovendien zou de nieuwbakken staat op deze manier ook de gunst van de weggejaagde Turken genieten. En zo werd Witte ‘op een prachtige februaridag in 1913’ officieel koning van Albanië. Hij hield een ontroerende redevoering die door de bevolking werd beantwoord met een schitterend vuurwerk. Een dag later vestigde Witte zich in het Paleis van Justitie, alwaar hij zich zou hebben vermaakt met een harem, hem gewillig ter beschikking gesteld.

Dit alles natuurlijk in Witte’s eigen lezing. Hoe het na vijf dagen misging? De media. Volgens Witte berichtten talloze internationale kranten van zijn troonsbestijging. Het nieuws bereikte ook de Turkse prins voor wie hij zich uitgaf. Die stuurde direct een telegram naar Durazzo. Daar sloegen enkele legerbobo’s aan het twijfelen. Witte, een kordaat vorst, liet ze direct opsluiten. Tegelijk begreep hij dat het feest niet lang meer kon duren en ’s nachts vluchtte hij de grens over met zijn Turkse vriend, inmiddels kamerheer. Hij had helaas niet de tijd om afscheid te nemen van zijn harem.

Ondanks een karig bestaan zou Witte gedurende zijn leven enige faam genieten als ‘de gewezen koning van Albanië’. Dat predicaat had hij zelfs in zijn Duitse paspoort weten te krijgen. Voorts berichtten Nederlandse kranten tamelijk uitgebreid over een gepland bezoek van Witte aan Amsterdam. De toon van de artikelen was licht, zeker, want de man was circusartiest, allerminst van koninklijken bloede, maar opvallend genoeg twijfelde de pers geenszins aan het waarheidsgehalte van zijn verhaal. De bevolking van Albanië werd achterlijk genoeg geacht om een man als Witte tot koning te kronen. Het Handelsblad schreef dat deze onaanzienlijke schavuit ‘de wereld had laten bulderen van het lachen’. De Telegraaf sprak van ‘een geweldige grap’.

Waarom ook niet? De werkelijke geschiedenis van Albanië, zoals mensen die uit kranten vernamen, verschilde niet zoveel van Witte’s verhaal. De Albanezen riepen in november 1912 de onafhankelijkheid uit, drie maanden voor Witte naar eigen zeggen in Durrës arriveerde. Op een ambassadeursconferentie in Londen besloten de zes Europese grootmachten vervolgens dat het nieuwe land de kersverse onafhankelijkheid mocht behouden. Het diende een koninkrijk te worden, met een protestants-christelijke vorst, opdat die acceptabel zou zijn voor al zijn onderdanen, die islamitisch, katholiek en christelijk-orthodox waren. Na een gedegen beauty contest (Albanezen zouden slechts lange mannen respecteren) kozen ze voor Wilhelm zu Wied, een neef van koningin Elisabeth van Roemenië en een zoon van Marie der Nederlanden, een prinses en nicht van onze Willem III.

Op 7 maart 1914 werd Zu Wied met zijn vrouw en kinderen de kade op geholpen vanuit een houten sloep; de haven van Durazzo was te klein om een serieus schip binnen te laten varen.

Vorst Wilhelm hield maar zes maanden stand. Na de moord op de Habsburgse kroonprins Frans Ferdinand in de zomer van dat jaar raakten de Europese grootmachten met elkaar in oorlog, waarna hun vazal in Albanië geen soldij meer ontving. Opstandige islamitische Albanezen en muitende ministers deden de rest. >

Het nieuws van de kroning bereikte ook de Turkse prins voor wie hij zich uitgaf

Wat evenmin hielp was Wilhelm zu Wieds wereldvreemdheid; terwijl Albanese stamhoofden intrigeerden om de macht was hij vooral bezig met het instellen van ridderordes en het ontwerpen van uniformen voor zijn toekomstige leger. De vorst vertrok zoals hij was gekomen: een sloep bracht hem en zijn gezin aan boord van een Oostenrijks oorlogsschip voor de kust van Albanië.

Toch waren het niet alleen historische werkelijkheid en vermeende Albanese achterlijkheid die Witte’s verhaal geloofwaardigheid verschaften. Die ontleende de circusartiest, net als de inspiratie voor zijn avontuur, in eerste instantie aan een populair literair genre. Niet populair in Albanië natuurlijk; daar lag het analfabetisme in de dagen van Zu Wieds verblijf boven de 95 procent. Wel in noordelijker en westelijker gelegen landen; overal waar razendsnelle economische groei en technologische omwentelingen mensen deden snakken naar wonderlijke verwikkelingen in ruige, romantisch aandoende uithoeken van de menselijkheid – waar het leven eenvoudiger en gevaarlijker was.

Simpeler gezegd: ‘we’ geloofden Witte’s verhaal omdat we dol waren op de Ruritaanse roman, ofwel de ‘Ruritanian novel’, want zo luidt de naam van het literaire genre in het land waar het ontstond, Engeland.

Het belangrijkste boek van het genre is onmiskenbaar Anthony Hope’s The Prisoner of Zenda uit 1894. 125 jaar later is het nog altijd een razend spannende, kostelijke avonturenroman. Niet voor niets bestaan er talloze toneelbewerkingen en is The Prisoner of Zenda meer dan tien keer verfilmd. Voor het eerst in 1913, nog zonder geluid en vijf jaar geleden voorlopig voor het laatst, in het Hindi, in een Bollywood-versie. Hollywood verfilmde het boek maar liefst vijf keer, waarvan de bekendste uit 1937. Twaalf jaar daarvoor was het verhaal zelfs gebruikt voor een operette: Sigmund Rombergs Prinses Flavia.

Het verhaal van Hope’s bestseller speelt zich af in het kleine koninkrijk Ruritanië, waar de aanstaande koning Rudolf V aan de vooravond van zijn kroning wordt vergiftigd. De kroon zal toevallen aan zijn boosaardige halfbroer Michael. Het toeval wil dat de hoofdstad op dat moment wordt bezocht door een jonge Engelse reiziger die als twee druppels water op de ontvoerde koning lijkt. Bovendien draagt deze gentleman dezelfde voornaam. Rudolf, Rudolf Rassendyll. De hofhouding overtuigt hem van de wijsheid om zich te tooien met de kroongewaden en als plaatsvervanger de troon te bestijgen. Vervolgens gaat de Britse Rudolf op zoek naar de echte koning, Rudolf V. Die zit gevangen in het dorpje Zenda.

Marilyn Monroe en Laurence Olivier in The Prince And The Showgirl, 1957 © Mary Evans Picture Library Ltd. / ANP

De roman had alles waar de lezer rond 1900 blijkbaar naar op zoek was: avontuur, spanning, de ontdekking van nieuwe landen en zeden. De lezer smulde van schietpartijen én zwaardgevechten en werd getrakteerd op staaltjes pompende romantiek, want uiteraard viel onze Britse Rudolf als een blok voor ’s konings verloofde, prinses Flavia. Onwetend over de persoonsverwisseling meende zij dat haar man bepaald ten positieve was veranderd: van hoekige Balkanvorst was de man veranderd in een onberispelijke, fijnbesnaarde Britse gentleman. Geheel in stijl peinsde ‘onze’ Rudolf er niet over om van de situatie misbruik te maken. Hij deed wat hij moest doen: hij ging op pad, op zoek naar de echte koning.

Anthony Hope verdiende genoeg met dit ijkpunt van de Ruritaanse roman om een kwijnende advocatenpraktijk te staken en zich voortaan geheel te wijden aan de letteren. Hij schreef een vervolg op De gevangene van Zenda en talloze andere romans waarin de handeling plaatsvindt in verzonnen Balkan-achtige staatjes. Zoals Phroso, uit 1897, waarin een Engelsman een eiland voor de kust van Turkije koopt met de naam Neopalia. Of Sophy of Kravonia, uit 1906, met de naam van het land al in de titel; kopers wisten wat ze kregen en smulden ervan.

Hope kreeg ook al snel concurrentie, want zijn bestseller inspireerde tientallen collega-schrijvers, tot ver buiten Engeland. Hun romans spelen zich af in landen als Alasia, Balaria, Cadonia, Herzoslovakia, Moesia, Mlavia, Silaria; enzovoort. En waar bij Hope de held steevast een Engelse gentleman is die de glorie van het Britse rijk met zich meetorst om zijn zegenrijke werk te verrichten, komen er bij zijn collega’s ook helden uit andere landen aan te pas om koningen of prinsen van fictieve vorstendommetjes bij te staan in hun strijd tegen enge broers, ooms of socialisten. De Amerikaan George Barr McCutcheon introduceerde zelfs een Amerikaanse held, Grenfall Lorry. Die viel op een mysterieuze jongedame, Miss Guggenslocker, die prinses bleek van het koninkrijkje Graustark, waarna vele, ietwat ongeloofwaardige avonturen volgden die zich afspelen in een hoofdstad met de naam Edelweiss. Voorts verschenen Ruritaanse romans als The Lost Prince (1915), waarin de verwikkelingen zich grotendeels afspelen buiten het fictieve land – in dit werk van kinderboekenschrijfster Frances Hodgson Burnett was dat het door burgeroorlogen geteisterde koninkrijk Samavia. Ook verschenen er Ruritaanse romans waarin niet de koning maar een grondwet van een fictief land in gevaar was. Zoals in Savrola (1900), creatie van Winston Churchill; de enige roman van deze winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur en onmiskenbaar behorend tot het Ruritanian-genre.

Ook Majesteit van Louis Couperus is tot het genre te rekenen, als vroeg aanloopje, want het verscheen een jaar voor Hope’s trendsetter. De roman bevat de belangrijkste ingrediënten, inclusief fictieve staat (Lipara) en een belaagd koningshuis, al kun je zeggen dat het boek door de psychologische verfijning de Ruritaanse formule overstijgt. Zo zijn de invoelbare twijfels van kroonprins Othomar om de autocratische keizer Oscar op te volgen niet typerend voor de meestal toch wat stereotiepe wijze waarop personages in Ruritaanse romans doorgaans denken over macht en leven.

Er kwamen Ruritaanse films, operettes, toneelstukken en zelfs een bordspel. Het genre is ook nooit helemaal verdwenen. De nog altijd populaire Kuifje-strip De scepter van Ottokar (1939) is schatplichtig aan de formule, hoewel de monarchie van Syldavië in het album niet door de intelligente West-Europeaan Kuifje wordt gered maar door diens hondje, Bobbie. Tot het genre kunnen ook films als The Prince and the Showgirl (1957) worden gerekend. Met haar schoonheid en eerlijkheid overtuigt Marilyn Monroe een jonge Nicholas VIII om zijn land, het denkbeeldige Carpathia, niet uit te leveren aan de Duitsers. Ook in het fictieve bergstaatje Zubrowka uit de film The Grand Budapest Hotel (2014) van Wes Anderson is de echo van Ruritanië te horen, net als in Genovia uit de Princess Diaries, een serie van elf young adult novels, tussen 2000 en 2015 geschreven door de Amerikaanse Meg Cabot, een serie die het ook tot twee succesvolle films bracht, met Anne Hathaway als prinses.

Terugkerende vraag: was de schrijver een oplichter, of gewoon steengoed?

Niet alleen wij horen die echo’s, ook een eminente kenner van Ruritanië doet dat, Nicholas Daly. In zijn onlangs verschenen studie Ruritania: A Cultural History toont hij hoe ver de invloed van de Ruritarian romance reikt – een begrip dat hij liever gebruikt dan Ruritarian novel, omdat het genre zich geenszins beperkte tot romans. De populariteit van het genre verklaart Daly uit het vermogen van Ruritanië de lezer snel weg te voeren uit de dagelijkse werkelijkheid. Escapisme. Toch is dat te karig, vinden wij, want het vermogen de lezer uit het alledaagse te halen geldt voor zoveel fictie, populair en niet populair, verfijnd of eenvoudig. Daar schiet de serieuze Zenda-vorser niets mee op.

1913, eerste verfilming van Anthony Hope’s The Prisoner of Zenda, met James K. Hackett als Rudolf Rassendyll © Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad / Het Leven / Fotograaf onbekend

Er moet meer zijn. Zoals de politieke werkelijkheid uit de hoogtijdagen van het genre. Destijds stonden de kranten bol van de teloorgang van het Ottomaanse Rijk en de stichting van allerlei nieuwe koninkrijken ‘ergens op den Balkan’, Hope’s geografische positionering van Ruritanië. Neem Montenegro, Servië, Oost-Roemelië (ja, dat heeft echt bestaan) en de vorstendommen Bulgarije en Roemenië. Tegelijk berichtten de kranten over de onvrede – en opstanden soms – van allerlei volkeren die deel uitmaakten van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, zoals Tsjechen, Slowaken, Bosniërs, Roethenen, Vlachen, Bojken, enzovoort. Terwijl deze volkeren hun identiteit bevochten in een snel moderniserende wereld groeide het West-Europese lezerspubliek razendsnel, gelijk met de expansie van de burgerij, de verbetering van het onderwijs en de opmars van de dagbladen. Voor de Ruritaanse roman kon de combinatie niet gelukkiger zijn. Wat in de krant al leek op sprookjesachtige prins- en vorstendommetjes ergens op het bergachtige, Zuidoost-Europese schiereiland, bleek in goed consumeerbare fictie een groot boevennest van onderontwikkelde schurken, nobele prinsen en argeloze prinsessen die schreeuwden om enige sturing door een afgedwaalde noorderling.

Het beeld was aantrekkelijk en bestendig. Ruritanië werd een begrip. In de jaren twintig en dertig stonden de kranten vol met die landsnaam, zonder uitleg. Lezers wisten wat bedoeld werd: een landje waar alles idyllisch én ruig was, de mannen exotisch, Turks, ongeletterd en meestal lomp en lui; dolken aan hun riemen, zwart haar onder de neus; hun vrouwen devoot gekleed en onderdanig.

De aantrekkelijkheid zat hem erin dat inwoners van Ruritanië anders waren dan de lezers en tegelijk hetzelfde, want voorspelbaar in hun gedrag, in landen waar ogenschijnlijk onontwarbare, dwaze machtsverwikkelingen toch weer vrij eenvoudig bleken als een blonde Noord-Europeaan opdook om het lot van de natie op zijn schouders te nemen. Niet voor niets wijst het Srebrenica-rapport van het niod, uit 2002, in een uitgebreide appendix op het genre van de Ruritaanse roman. Het literaire genre, en het beeld dat het van de regio had gevestigd, zou weleens aan de basis kunnen staan van het geloof, of de overtuiging, dat een paar slecht bewapende soldaten een oorlog op de Balkan konden beslechten. Dat ze een diepgeworteld conflict tamelijk eenvoudig konden oplossen.

Het niod-rapport volgde met die gedachte de Servische schrijver, dichter en literatuurwetenschapper Vesna Goldsworthy, geboren Bjelogrlić. In Inventing Ruritania (1998) probeert ze aan te tonen dat de Ruritaanse romans de belangrijkste bron vormen van de westerse Balkanperceptie. Ze schrijft over de ‘lucratieve exploitatie van de geschiedenis van de regio’, zelfs over een ‘narratieve kolonisatie’. Daarmee bedoelt ze dat schrijvers uit het westen decennialang hun obsessies, fantasieën en wereldbeeld hebben geprojecteerd op Zuidoost-Europa, met een duurzaam effect op het wereldwijde denken over die regio. Ondertitel van haar boek: The Imperialism of the Imagination.

Een goede illustratie van de lange doorwerking van dit denken over de regio is het reisboek Biografi (1993) van de Nieuw-Zeelander Lloyd Jones. niod noch Goldsworthy noemen het, wellicht omdat de schrijver het presenteerde als non-fictie. Het betreft een verslag van Lloyds reis naar een woeste en ondoorgrondelijke uithoek van Europa, Albanië, net nadat dit land de deuren naar buiten had opengezet. De stalinist Enver Hoxha had Albanië in de decennia daarvoor omgebouwd tot een openluchtgevangenis in de stijl van het huidige Noord-Korea. In Biografi is Ruritanië honderd jaar verder dan toen Rudolf het land aandeed. Desondanks is het onmiskenbaar zichzelf gebleven. De dolken zijn slechts vervangen door AK-47’s, de paarden door dertig jaar oude, in elkaar zakkende Chinese busjes en uitgeputte ezels en de exotische kledij ingeruild voor het meest aftandse communistenplunje dat de mensheid heeft gezien. Om het Ruritaanse aspect nog wat te verhogen vertelt Jones bladzijden lang over de kleurrijke koning van Albanië in de jaren twintig, na Wilhelm Zu Wied en voor de communistische dictatuur: koning Zog I, getrouwd met de Hongaars-Amerikaanse gravin Géraldine Apponyi de Nagy.

Centraal in het boek staat Jones’ zoektocht naar de dubbelganger van Hoxha, ene Petar Shapallo. De dictator zette deze man in voor optredens op plaatsen waar hij zelf liever niet kwam. Om geheimhouding te garanderen liet Hoxha zijn vrouw en kinderen executeren. Na Hoxha’s dood, in 1985, wist de dubbelganger dat ook zijn uur was geslagen. Hij vluchtte de bergen in. Jones vindt hem, beschrijft hem (‘a sad silent man’) en voert hem sprekend op.

Het boek werd een groot succes, vooral in Engeland en de VS, waar The New York Times Biografi de lucht in stak als ‘een juweel van de reisliteratuur’. Tot een recensent ontdekte dat Shapallo helemaal niet bestaat of heeft bestaan. Hoxha gebruikte geen dubbelganger.

In Nieuw-Zeeland werd het een hele rel, waarin de altijd in dit soort kwesties terugkerende vraag centraal stond of de schrijver een oplichter was, of gewoon steengoed, een kunstenaar die ons alles op de mouw kan spelden.

Voor ons, Ruritanië-liefhebbers, was het in deze rel vooral interessant dat landen als Albanië nog altijd een grabbelton bleken voor romantici en een voedingsbodem voor sterke verhalen. To good to be true. Jones vond naar eigen zeggen ‘een land dat slechts een uur vliegen is van Italië, maar een eeuw verwijderd van Europa’. Minstens zo interessant is dat het een bespreking of tien duurde voor Margaret Driscoll van de Sunday Times met slechts een paar telefoontjes naar Albanië uitvond dat Jones’ boek niet thuishoorde in de boekwinkelsectie ‘non-fictie’.

Jones erkende schoorvoetend zijn verzinsels. Otto Witte heeft nooit iets hoeven erkennen. Ook in de necrologieën over hem, die overal in het westen verschenen, klonk geen twijfel over het waarheidsgehalte van zijn “grap”. Zijn sterke verhaal is pas doodgecheckt in 2006, door de Duitse historicus Michael Schmidt-Neke, in zijn bijdrage aan een jaarboek van het Karl-Maygenootschap met de prettig-Duitse titel Pseudologia phantastica und Orientalismus Albanien als imaginäre Bühne für Spiridion Gopčević, Karl May und Otto Witte. Data en namen uit Witte’s verhaal klopten niet, net als de chronologie. Bovendien bleek geen spoor van de geschiedenis te vinden in Albanese bronnen – en die bestaan, zó achterlijk bleken de inwoners van Durrës en Tirana niet. Schmidt-Neke komt tot dezelfde conclusie als wij: Hope en zijn trendsettende Ruritanië hebben Witte op de troon gezet. Een imaginaire troon, maar daarom niet een troon zonder betekenis. Die ondertitel van Vesna Goldsworthy blijkt zo slecht nog niet: het imperialisme van de verbeelding.