Profiel: Mary Dresselhuys (1907-2004)

Koningin van de komedie

Het NOS-Journaal opende het bericht van haar overlijden met beelden van een begrafenis: Mary Dresselhuys in januari 1959 als slippendrager bij de teraardebestelling van Else Mauhs, dertig jaar eerder haar favoriete lerares op de toneelschool. Mary Dressel huys overleed vorige week in haar slaap. Alle televisiezenders herhaalden haar uitspraak: van een komediant beklijft na de voorstelling niets meer, en dat is ook goed zo. Met zichtbare rillingen herinnerde Mary Dresselhuys zich de grammofoonplaten van Louis Bouwmeester en Rika Hopper: af-schu-we-lijk vond ze die geconserveerde toneelherinneringen. En ze betwijfelde of er jaren na haar dood nog veel mensen zullen zijn die beweren dat mevrouw Dresselhuys aardig toneel kon spelen. In 1997 las ze, met Paul Haenen als master of ceremonies, haar toneelherinneringen voor in het Nieuwe de la Mar-theater in Amsterdam. Die solovoorstelling is voor de televisie geregistreerd. Een mooi document, bescheiden monument voor Mary Dresselhuys, ras comédienne, koningin van de timing, meesteres van de twinkelende oogopslag, kampioen van een jaloersmakende tekstbehandeling. Ze vertelde over haar pré-debuut, als stagiare/volontair/figurant in Cor van der Lugts enscenering van Shakespeares Julius Caesar bij het Haagse Hofstadtooneel, september 1929. In een vuurrood hemd beheerste ze perfect de techniek van het enige ingebouwde draaitoneel van Nederland, in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag. Ze had voor dat draaitoneel geoefend. Op een kermisdraaimolen («stoomcarrousel») in haar woonplaats Tiel. Geholpen door een van die duizenden Nederlandse jongens die verliefd op haar werden. De dag na de première van Julius Caesar riep een actrice haar toe: «Je hebt pers.» Mary Dresselhuys wist toen nog niet wat die uitdrukking betekende. Tot ze op het prikbord de volgende tekst uit een krantenartikel las: «Er was onder het volk een jongedame in een vuurrood hemd. Met groot enthousiasme en een stem als een klok juichte zij vele malen: Heil Caesar! Wij zullen nog wel van haar horen!»

In een van de talloze televisieportretten die er van Mary Dresselhuys zijn gemaakt, werd een zwart schrijfcahier te voorschijn gehaald, met daarop het jaartal 1916: daarin een eindeloze lijst titels van voorstellingen die ze dat jaar in «de Koninklijke» bezocht. Maria Johanna Dresselhuys (Utrecht, 22 januari 1907) was er al vroeg bij. Ze ontvluchtte Tiel, logeerde in de residentie bij familie, ontdekte al kijkend haar vak. Sinds 1931 speelde ze bij het Centraal Tooneel in de Amsterdamse Amstelstraat (nu discotheek It). Daar ontmoette Mary Dresselhuys de vader van haar twee dochters Merel en Petra, Cees Laseur. Het was een lugubere tijd voor het toneel in de jaren dertig van de vorige eeuw. Crisis, werkloosheid, fascisme, oorlogsdreiging, veel toneelmakers waren de weg kwijt. Het schouwburgbezoek daalde in 1931 dramatisch: met veertig procent. In die tijd verwierf het Centraal Tooneel de roem van een brutaal ensemble voor het betere boulevardtoneel. Mary Dresselhuys heeft er van 1931 tot 1946 gespeeld. Het zijn de jaren die haar beslissend hebben gevormd tot de grote komediespeelster die ze is geworden.

Het Centraal Tooneel werkte door tot er (in de hongerwinter van 1944/1945) geen toneel meer gemaakt kon worden, tot de laatste lichtbron — een spot op de accu van een auto — niet meer werkte. Er zijn Mary Dresselhuys veel en vaak vragen over die donkere periode gesteld. Over het tekenen voor de Kulturkammer bijvoorbeeld, de organisatie-zonder-leden die de Duitse bezetter had bedacht om het anti-Duitse (en joodse) kaf van het de bezetter gewillige koren te scheiden. Wie tekende, kon blijven doorwerken, wie niet tekende, kon niet meer spelen en was veroordeeld tot de onderduik of de illegaliteit. De uiterste datum om dit duivelse dilemma het hoofd te bieden was 19 februari 1942. In het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie zal het nijdige briefje nog wel liggen waarop Mary Dresselhuys tekende voor de Kulturkammer: «Op bevel van de Rijkscommissaris meld ik mij hierbij bij de Ned. Kultuurkamer, afdeling theater en dans.» In een NOS-documentaire uit 1993, over het toneel in de Tweede Wereldoorlog, herinnerde Mary Dresselhuys zich dat niet meer: «Wie had er ooit van de Kulturkammer gehoord? We hebben er nooit papieren van gehad. Soms denk ik wel eens dat de NSB het verzonnen heeft.» De directeur van het Centraal Tooneel, Cees Laseur, heeft het tekenen voor de Kulturkammer aan zijn troep gemeld door middel van een bittere, zeer anti-Duitse toespraak. Daarna heeft hij zes van zijn acteurs die niet wilden tekenen aan een onderduikadres geholpen. De club bleef overigens vrolijk doorspelen. De kop boven een advertentie uit 1943 van het Centraal Tooneel luidde: «Geen zorgen, geen gemier, bij ons een avond van plezier» — en over die advertentie werden veel toneelspelers die in de onderduik waren gegaan behoorlijk woedend.

Na de Tweede Wereldoorlog werkte Dresselhuys voornamelijk bij Comedia/Nederlandse Comedie, van 1945 tot 1969 de hoofdbespeler van de Amsterdamse Stadsschouwburg, een ensemble van meer dan veertig acteurs en actrices, veertien premières per seizoen (allemaal grote zaal) — in ons huidige toneelbestel volstrekt ondenkbaar. Over die tijd heeft de journalist A. («Jons») Viruly, vanaf 1955 de levensgezel van Mary Dresselhuys, in 1958 een lief boekje geschreven. In het laatste hoofdstuk wandelt hij tijdens een voorstelling van de Nederlandse Comedie in de Utrechtse schouwburg langs de kleedkamers van medespelers. En noteert observaties over zijn vrouw. Bijvoorbeeld uit de mond van ex-echtgenoot Joan Remmelts: «Bij elke acteur gaat het om twee dingen: acteurschap en persoonlijkheid. Soms doet iemand een rol op vakkennis, soms op persoonlijkheid. Die twee zijn bij Mary zo één ding. Dat te mengen, te integreren, dat lukt haar vaker dan anderen.» En collega Lou Borel: «Mary is de sportiefste vrouw met wie ik ooit gespeeld heb. Wie doet op het toneel echt iets voor een ander, zonder er ooit op te speculeren wat terug te krijgen. Nou zij wel.»

Ze ontsnapte aan het gesubsidieerde toneel nét voor de Actie Tomaat in 1969. Dresselhuys werd vanaf 1968 de koningin van het vrije, commerciële toneelcircuit, speelde mooie rollen naast collega-ontsnappers: Guus Hermus, Ko van Dijk, John Kraaykamp. En naast jonge talenten: Huub Stapel, Dick Zeelenberg, en haar dochter Petra Laseur. Een van de laatste keren dat ik haar zag, was een jaar of vier geleden. Dochter Petra speelde de rol van Madame in Jean Genets De meiden, een regie van een aspirant-regisseur, een voorstelling in een van de kleinste theatertjes van Amsterdam, Fijnhout in Oud-West. De stroom publiek moest even worden stilgelegd, om Mary Dresselhuys in alle rust naar haar plaats — midden eerste rij, uiteraard — te begeleiden. Ze heeft zichtbaar genoten. Zoals ze, tot op hoge leeftijd, zoals het cliché luidt, kon genieten van jong talent. Enkele maanden geleden kon ze een prijs die naar haar is vernoemd nog toekennen aan acteur Jacob Derwig.

Tijdens het voorlezen van haar toneel herinneringen, in het Nieuwe de la Mar- theater, in 1997, ontpopte Dresselhuys zich als een losgebroken furie. Het onderwerp was: reizen met toneel door Nederland. Ergens in de jaren vijftig speelde de Nederlandse Comedie Molières Geleerde vrouwen in Almelo. Een belangrijke bijrol was weg gelegd voor Mien Duymaer van Twist, op deze ijskoude winterdag getooid met een foute sjaal en sneeuwschoenen. Alle acteurs stikten in een lachstuip over hun collega, toen ze zich in de kantine de oneliner «God, God, wat was ik fout in de oorlog» veroorloofde. De foute sjaal en de sneeuwschoenen, die Mien per ongeluk tijdens de Molière-voorstelling aanhield, vormen een rode draad in dit hilarische verhaal over het zinloze rondsjouwen met toneel door de Nederlandse provincie. Dresselhuys’ samenvatting aan het slot is onovertroffen: «Het was lachend lijden.»