Koningsdrama aan de maas

Hebben de teksten uit ‘Elektra’ van Sophokles en ‘Woyzeck’ van Georg Büchner (twee recente ensceneringen van het RO Theater) dubbele bodems? En zeggen die iets over het conflict tussen de beide artistieke leiders van het gezelschap: Koos Terpstra en Peter de Baan?
Woyzeck is tot en met 10 mei overal in het land te zien. Elektra speelt tot en met 3 mei in het eigen RO Theater.
WE ZIJN IN Argos, het huis van de ongelukkige Agamemnon, de veldheer die na de Trojaanse oorlog door zijn vrouw Klytaimnestra en haar minnaar Aigisthos werd vermoord. Dochter Elektra zint op wraak, maar heeft daarvoor de hulp van haar broer Orestes nodig. Die is na de moord gevlucht. Nu hoort Elektra dat Orestes bij een ongeluk om het leven is gekomen. Wij weten beter, want Sophokles vertelt zijn publiek steeds méér dan de personages op het toneel weten. Aanvankelijk lijkt Elektra ontroostbaar over de dood van haar broer, daarna raapt ze al haar moed bij elkaar en besluit ze de wraak zelf te voltrekken. Ze vraagt daarvoor steun aan haar zus Chrysothemis. Vergeefs. De ruzie die op de weigering volgt is ongemeen fel. Loes Luca (Elektra) banjert als een furie over het speelvlak. Chrysothemis (Esther Scheldwacht) biedt schreeuwend tegenstand.

Elektra: ‘Ga nu maar! Je kunt en wilt me niet helpen.’
Chrysothemis: 'Dat wil ik wel! Maar jij bent zo hardleers.’
Elektra: 'Ga nu maar alles aan je moeder vertellen!’
Chrysothemis: 'Alsof ik je zo erg zou haten!
Elektra: 'Je probeert me ertoe te brengen me zelf/ te verraden; begrijp je dat dan niet?’
Chrysothemis: 'Je zelf verraden? Je zelf niet schaden!’
Elektra: 'Dus jouw moraal moet ík maar volgen?’
Chrysothemis: 'Zodra je tot bezinning komt/ heb jij van ons tweeën weer de leiding.’
Elektra: 'Treurig - zo raak gezegd, en zo misplaatst.’
Chrysothemis: 'Inderdaad, dat is het probleem - met jou!’
Elektra: 'Wat?! Heb ik soms geen gelijk met wat ik zeg?’
Chrysothemis: 'Ook gelijk hebben brengt wel eens ongeluk.’
Elektra: 'Volgens dat soort wetten wens ik niet te leven.’
Chrysothemis: 'Als je doorzet, zul je het met me eens zijn.’
Elektra: 'Ik zèt door; ik laat me door jou niet afschrikken.’
We zijn bij de eerste try-out van Sophokles’ Elektra, in de eigen zaal van het RO Theater. Naast me fluistert iemand grinnikend: 'Wie is hier nu Peter de Baan en wie Koos Terpstra?’ Ik denk: dat is de vraag niet. Onder Sophokles’ adembenemende dialoog zit de wanhoop over een ruzie tussen doofstommen. En precies dββr schuilt de naargeestige verbinding van deze toneeltekst met het trieste conflict tussen twee regisseurs en hun middelmatige bestuurders.
IN HET BEGIN van de jaren negentig werd Peter de Baan benoemd tot artistiek leider van het Rotterdamse RO Theater. Hij had toen al een imposante loopbaan in het Nederlandse toneel achter de rug. In de jaren zestig was hij begonnen als acteur bij Teater Terzijde van Annemarie Prins, begin jaren zeventig nam hij het roer over bij Toneelgroep Sater, waar maatschappelijk geëngageerd theater werd gemaakt. Na de opheffing van Sater werd Peter de Baan freelance regisseur (Publiekstheater, Globe). In het Amsterdamse theater De Balie (onder directeur Felix Rottenberg) zette hij vervolgens de lijn van actueel en commentariërend 'docudrama’ voort. Ruim tien jaar geleden regisseerde hij daar een reading van Fassbinders geruchtmakende toneeltekst Het vuil, de stad en de dood - een opmaat tot wat in november/december 1987 'de Fassbinder-affaire’ zou worden.
De Baans benoeming in Rotterdam, als opvolger van het duo Jos Thie/Antoine Uitdehaag, was geen verrassing. Hij zette een lijn uit met klassiek en eigentijds repertoire (Euripides, Miller), nieuwe toneelteksten (Kushner, Dorfman), en de jaarlijkse, feestelijke familievoorstelling. De verhouding tot de dagbladkritiek bleef gespannen. Zo werd de mooie regie van Millers Vuurproef ten onrechte door de vaderlandse pers afgeslacht. Maar de weg naar het Rotterdamse (en landelijke) publiek werd toch weer gevonden, met succesvolle ensceneringen als Peer Gynt (Ibsen/Coltof), Virginia Woolf (Albee/Van der Sanden), Hekabe (Euripides/De Baan), De dood en het meisje (Dorfman/De Baan) en Angels in America (Kushner/Cassiers). Er waren ook missers. De dood van een handelsreiziger (Miller/De Baan) flopte, de voorstelling Antigone (in de regie van Liesbeth Coltof) werd voortijdig afgeblazen.
In 1994 viel de beslissing om de top van het RO Theater te vernieuwen door de benoeming van Koos Terpstra in de artistieke leiding. Terpstra was toen al ruim tien jaar werkzaam in het zogeheten tweede en derde theatercircuit, met produkties bij Fact, de Toneelschuur en in de Amsterdamse Nestheaters. Hij brak door met Een vijand van het volk (Ibsen) en De Troje-trilogie (een eigen tekst; beide produkties bij Theater van het Oosten), en met De goede mens van Sezuan (Brecht) in de Nestheaters. Koos Terpstra leek, waar het repertoire- en acteurskeuze betrof, een ideale 'maat’ voor Peter de Baan.
In 1995 sloten beiden een akkoord over de vorming van een ensemble, een hechte kern van vijftien acteurs en actrices. Voor een deel werd die kern gevormd door mensen die al gezichtsbepalend waren voor het RO Theater. Een ander deel werd gevormd door acteurs die al jaren met Koos Terpstra hadden samengewerkt. Voor zover de financiën (totaal zo'n 7,5 miljoen overheidssubsidie) het toelieten, bleef er ruimte voor 'vaste gasten’.
Vanaf mei 1995 heeft het RO Theater de beschikking over een eigen zaal (het voormalige Leger des Heils-gebouw in de William Boothlaan), waar men wil werken aan de opbouw van een eigen publiek. Het aantal voorstellingen in de Rotterdamse schouwburg (de 'Kist van Quist’) werd teruggebracht van 75 naar 55. Men streefde ernaar vanaf 1995 het aantal toeschouwers met een kwart te laten toenemen. Wat aardig leek te lukken: in 1994 kwamen er ruim 58.000 mensen naar het RO Theater kijken, in 1995 was dat aantal opgelopen tot ruim 78.000. De verfrissing van de artistieke leiding en het betrekken van een eigen 'huis’ misten hun uitwerking niet. Het RO Theater stond in het toneellandschap van Nederland weer stevig op zijn poten.
En toen ging er iets helemaal mis.
HET PERSBERICHT over het besluit van het bestuur van het RO Theater om Peter de Baan en Koos Terpstra als artistiek leiders de laan uit te sturen (26 februari jl.) repte over 'onoplosbare artistieke meningsverschillen’. Dat klonk deftig maar ook een tikje mistig. In de keuze van hun favoriete materiaal kan dat onoplosbare artistieke meningsverschil in ieder geval niet gelegen hebben. Daarin worden hoogstens boeiende accentverschillen tussen De Baan en Terpstra zichtbaar. Peter de Baan is al jaren geïntrigeerd door toneelteksten waarin losers en lafbekken centraal staan, mensen die van hun mankement (verliezen en laf zijn) niks willen weten, het daarom voortdurend ontkennen en die zichzelf in die ontkenning klem zetten, erin verstrikt raken. De losers en lafbekken trekken een rode lijn door De Baans werk. Van de wankelmoedige ondernemers in het toneelstuk over het Hollandse familiebedrijf Daf (bij Sater) tot de met open ogen in de valstrikken van hypocrisie en hysterie wandelende boer John Proctor in De vuurproef van Arthur Miller.
Koos Terpstra lijkt ook mateloos geïnteresseerd in eigenwijze eenlingen, maar dan wel in individuen die hun eindeloos en vaak irritante gelijk juist níet verbergen, maar het tegen de stroom van de middelmaat in willen uitschreeuwen, tot iedereen er gillend gek van wordt. De arts Stockmann in Ibsens Een vijand van het volk was zo'n personage: hij stuit op een milieuschandaal en wil dat hoe dan ook aan de grote klok hangen. De veldheer Coriolanus in Terpstra’s eigen bewerking van Shakespeares gelijknamige tragedie gaat nog een stap verder: die luistert helemaal naar niemand meer.
WAT DIT BETREFT zijn hun recente wapenfeiten met het RO Theater - Woyzeck van Büchner (De Baan) en Elektra van Sophokles (Terpstra) - tekenend. De arme soldaat Woyzeck ziet zijn wereldbeeld verkruimelen, zijn relatie met zijn geliefde Marie wordt door haar opgeofferd aan een vluchtige verhouding met een luidruchtige tamboer-majoor, hij kan zijn wanhoop nog slechts in raadselen uiten. Woyzecks doodlopende steeg eindigt in een brute moord. De voorstelling die Peter de Baan van Woyzeck maakte is strak, streng, gestileerd - een met verstilde middelen gemaakte vertelling, die wat steriel blijft steken in fraaie beelden. Woyzecks motieven zijn onhelder, zijn omgeving wordt weggezet in grof geschetste karikaturen.
Koos Terpstra maakt van Elektra het verhaal van een zeurderig takkewijf, dat maar blijft zuigen en stangen, zonder daadwerkelijk iets te doén. Loes Luca speelt Elektra niet eenduidig als tragische heldin. Zoals Pleuni Touw de moeder Klytaimnestra niet uitsluitend als slechte vrouw wegzet: hier staat ook een moeder, die haar eigen verhaal, haar eigen argumenten aan haar kind kwijt wil. Niemand heeft gelijk, het stuk is een dans op de rand van een vulkaan.
Beide produkties hebben de tomeloze ambitie om grote verhalen te vertellen. Elektra wordt gespeeld als bloedstollende thriller, Woyzeck als het trieste relaas van een eeuwige verliezer. Hier staan twee goed gemaakte en goed ontvangen produkties, gemaakt door begaafde regisseurs. Waarom moest deze samenwerking dan zo bruut worden beëindigd?
De kern van het probleem in Rotterdam is het begrip 'ensemble’: een hechte kern van tien acteurs en vijf actrices, een mix van ervaren acteurs en jonge toneelspelers. Ensembles zijn zeldzaam geworden in het Nederlandse toneel. De vorming ervan is duur en arbeidsintensief. Bovendien worden de loopbanen van veel acteurs en actrices tegenwoordig verkruimeld in de driehoek: series & reclames, speelfilms, en het commerciële theatercircuit. Een vaste verbintenis aan een op continuïteit gebaseerde, gesubsidieerde theatergroep past daar vaak niet in.
Aan de andere kant kan een hecht ensemble van aan elkaar gewaagde toneelspelers een artistieke goudmijn zijn: men kent elkaar, men heeft vaak aan een half woord genoeg om een aanwijzing te begrijpen, succesvolle voorstellingen kunnen veel makkelijker worden hernomen. Koos Terpstra heeft zich in de vorming van een ensemble als een terriër vastgebeten. Hij kent als geen ander de voordelen van een hechte groep jonge en trouwe toneelspelers die met elkaar een loyale samenwerking aangaan. De opstelling van Peter de Baan is pragmatischer, hij kent de vaak opportunistische verleidingen van acteurs en actrices voor uitstapjes naar film, televisie en reclame. Pragmatisme is Koos Terpstra overigens ook niet vreemd: Loes Luca en Pleuni Touw inhuren voor de voorstelling Elektra is - behalve de opmaat voor een zeer vrolijke theateronderneming - ook lucratief voor het gezelschap: publiekstrekkers op de affiches zijn nooit weg, juist als je Sophokles voor een breed publiek wilt brengen.
ROND DE jaarwisseling kwamen het idealisme van Koos Terpstra en het pragmatisme van Peter de Baan klaarblijkelijk fel met elkaar in botsing. Een onderbelicht aspect daarin is de clash van theatergeneraties. Koos Terpstra heeft als 'jonge hond’ die net komt kijken binnen het grootschalige toneel een hoop te verliezen, maar bang is hij bepaald niet. Peter de Baan heeft in het repertoiretheater veel krediet opgebouwd, maar hij lijkt angstiger - de schrik van de vijftiger die(vreest dat jong talent de poten onder zijn stoel doorzaagt. Daarvan is in de praktijk van het RO Theater de afgelopen achttien maanden (zó kort is Koos Terpstra nog maar de artistieke compagnon van Peter de Baan) overigens niets gebleken.
Maar toen kwamen de kunstmanagers en de bestuurders aan het woord. In de praktijk van het RO Theater zijn dat de kersverse zakelijk directeur M. Berendse (net een half jaar in dienst) en het bestuur (onder leiding van M. van Rossum, in het dagelijks leven burgemeester van Hellevoetsluis). Berendse bedacht toen hij werd geconfronteerd met de 'onoplosbare artistieke meningsverschillen’ tussen de beide artistiek leiders van het RO Theater, een geheel nieuw plan. Ik heb begrepen (het plan wordt angstvallig binnenskamers gehouden) dat het hier een 'kernenplan’ betreft: het RO Theater bestaat in de visie van M. Berendse uit de 'kern De Baan’, de 'kern Terpstra’ en de 'kern gastregisseurs’ (de laatste onder leiding van zakelijk directeur Berendse, die daarmee tevens optreedt als artistiek leider).
Dit plan werd door de gezelschapsvergadering van de RO-medewerkers afgewezen. Er schijnt een compromis te zijn voorgesteld: maak Koos Terpstra artistiek leider van het RO Theater en handhaaf Peter de Baan als vaste huisregisseur. Maar daar wilde het bestuur niet aan. Waarna de beide artistiek leiders naar huis werden gestuurd. De heer M. Berendse is nu artistiek leider ad interim. Ondertussen zoekt hij naar een nieuwe artistieke leiding voor het RO Theater.
Dat gaat natuurlijk niet lukken. Je trekt in theaterland niet zomaar 'een blik artistiek leiders’ open. Stel het theoretische geval dat er wel iemand wordt gevonden. Die wordt per 1 september 1997 geconfronteerd met een schier onmogelijke opgave. 1) Het seizoen 1998-1999 moet - veel te laat - worden voorbereid. 2) Er lopen in het seizoen 1997-1998 binnen het RO Theater twee afgezette artistiek leiders rond als huisregisseur: Peter de Baan maakt komend seizoen twee, Koos Terpstra drie produkties. 3) Het bedrijf (acteurs, technici, kantoor) is hopeloos verdeeld in minstens twee kampen.
HOE NU VERDER? Het onervaren bestuur en de zakelijk directeur hebben een overhaaste beslissing genomen, zoveel is zeker. Peter de Baan en Koos Terpstra mogen voor het RO Theater niet verloren gaan. Is het te laat voor een bemiddeling? Dat lijkt me niet. Maar dan moet het wel een artistieke bemiddeling worden. De Baan en Terpstra nodigen voor die bemiddeling beiden een theatermaker uit met wie ze affiniteit hebben. Het bestuur zoekt voor de gesprekken een onafhankelijk voorzitter. Suggestie: Joop Doorman (cultuurfilosoof), Paul Kuypers (ex-directeur De Balie), Hedy d'Ancona (ex-minister), Ritsaert ten Cate (ex-theatermaker). Inzet van de gesprekken is: hoe dan ook moet de breuk gelijmd worden. Anders is het Rotterdamse repertoiretheater definitief terug bij af.
De crisis in Rotterdam is het zoveelste precedent binnen het toneel. Enkele jaren geleden werd in Arnhem op brutale wijze een eind gemaakt aan het artistiek leidersschap van Agaath Witteman bij Theater van het Oosten. Vorig jaar schoffeerde het bestuur van Toneelgroep De Appel twee net benoemde, maar nog niet eens in dienst getreden artistiek leiders. Nu zet een Rotterdams bestuur van amateurs twee getalenteerde regisseurs aan de dijk.
De theaterwereld zwijgt. Het heeft me verbaasd dat de artistiek leiders van de overige gezelschappen zich niet via een vlammend protest hebben gekeerd tegen het geklungel van de Rotterdamse bestuurders. Als dit zo doorgaat is iedereen die artistiek zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt, binnenkort vogelvrij. Het Nederlandse theater verdient beter.