Koninklijk kenner

Het Koninkrijk der Nederlanden kreeg in 1918, nadat het Duitse Rijk smadelijk was ingestort, twee prominente gasten over de vloer. Het waren Wilhelm II, de weggejaagde keizer, en Wilhelm jr., de gewezen kroonprins.

De Nederlandse regering ontving de heren met weinig geestdrift. De familie Von Hohenzollern had Europa immers in één langgestrekte dodenakker veranderd, zodat Ruys de Beerenbrouck c.s. zich liever niet compromitteerden. Maar het móest, van koningin Wilhelmina, en Haar Woord was Wet.
Wilhelm sr. belandde na enige omwegen in kasteel Doorn, nabij Amerongen, waar hij naïef ging zitten wachten op het moment dat hij in triomf naar Duitsland terug zou keren. Zijn landgenoten waren echter wel wijzer. Wilhelm jr. werd op zijn beurt ondergebracht in de, heel wat minder comfortabele, pastorie van het winderige eiland Wieringen, bezuiden Texel.
Je zou bijna medelijden met hem krijgen, een totaal geïsoleerd man te midden van de vijandige eilandbevolking. Hij heeft zijn asiel beschreven in het boek Erinnerungen (1923).
‘Als ik aan die eerste maanden op het eiland denk’, aldus de ex-kroonprins, 'nee, dan volstond zelfs niet mijn streven er the best of it van te maken. Wantrouwen en terughoudendheid allerwegen, bij de vissers, de boeren en de lokale middenstand, in Oosterland, Hippolytushoef en Den Oever. De kroonprins - dat werd geïdentificeerd met: deze mof - de Slachter van Verdun - deze vrouwenjager! Wat de Entente met behulp van hun leugenpers èn hun agenten deze brave lieden vier jaar lang had wijsgemaakt, was hen moeilijk uit het hoofd te praten.’
De ex-kroonprins deed zijn best. Hij stelde zich bescheiden op en probeerde zelfs enig elementair Nederlands te leren. Terwijl zijn vorstelijke vader in Doorn complete bossen verzaagde, zulks tot ontzetting van de plaatselijke natuurbescherming, besloeg de zoon de paarden, in de werkplaats van de hoefsmid. Wilhelm jr. noemde hem Jan en de hoefsmid mocht op zijn beurt Willem zeggen.
Maar gelukkig was de ex-kroonprins niet. De Heimat, hè, daar zitten Duitsers wel vaker mee. 'En dan de nachten. De vensters staan wijd open. Men hoort het verre ruisen van de zee en het dompe loeien en brullen van het vee. Het staat ergens bij Heinrich Heine: “Denk’ ich an Deutschland in der Nacht, bin ich um meinen Schlaf gebracht.”’
Zeker een verzenbundeltje geërfd van keizerin Elisabeth I van Oostenrijk, die zo verzot op Heine was, dat de dichter haar in nachtelijke visioenen verscheen. Aan het wilhelmische hof was Heine (jood, maatschappijcriticus, tégen de vele Duitse vorsten van zijn tijd) daarentegen persona non grata.
Nu waren beide mannen, de dichter en de ex-kroonprins, plotseling lotgenoten, Heine als balling in Parijs, Wilhelm jr. als balling op het eiland Wieringen.
En nu was Heine goed genoeg om, namens de ex-kroonprins, te getuigen van het harde brood van het exil.
Dat de door Wilhelm jr. geciteerde dichtregel twee kapitale verschrijvingen benevens een beruchte interpretatiefout bevat, moge ons ondertussen niet verwonderen, want de keizerlijke familie had meer verstand van oorlog voeren dan van de eigen, klassieke, Duitse literatuur.