Jan Mankes

Koninklijk teer

De onderwerpen en kleuren op de schilderijen van Jan Mankes stemmen tot melancholie. In zijn werk vonden latere magisch realisten inspiratie.

Het schilderij Grote uil op scherm is misschien wel een van Jan Mankes’ mooiste werken. Tegen een transparante, donkerblauwgroene achtergrond, waar bruin doorheen schemert, zit de bruinwitte uil in driekwart profiel op een donkerbruin scherm. De witten en bruinen in zijn verendek lopen vloeiend in elkaar over en geven het donsachtige karakter van het verendek mooi weer, maar de pootjes van de uil, zijn snavel, zijn ogen, en zelfs de puntjes op zijn verendek tekent Mankes met grote precisie. Met zijn donkere ogen kijkt de uil rustig voor zich uit, alsof hij van meer weet, alsof hij zojuist is neergestreken ‘om kond te doen van een andere wereld of een nog niet verstane wijsheid’. En één poot heeft hij opgetrokken, alsof hij ook daadwerkelijk iets zeggen wil. Mankes kreeg de uil opgestuurd door zijn mecenas, A.A.M. Pauwels. ‘Het is net een verschijning uit een sprookje, iets koninklijk teers, iets waar je nooit aan zou willen raken, ja hij is voor mij door die zilveren borst totaal volmaakt geworden’, schreef Mankes later lyrisch.

Jan Mankes (Meppel, 1889 – Eerbeek, 1920) heeft altijd bewonderaars gehad, om verschillende redenen. Sommigen bewonderden zijn mystiek en stemmige sferen, anderen zijn realisme en nauwgezette tekening, sommigen zijn alledaagsheid, anderen zijn symboliek. Grote uil op scherm draagt al deze bewonderde kanten in zich. Maar boven alles is er rust, zoals Caroline Roodenburg-Schadd in de catalogus schrijft: ‘Een afkeer van luidruchtigheid’. Door zijn eigen goede kijken dwingt Mankes de beschouwer min of meer om stil te staan, ook rustig te kijken en een wereld aan schatten te ontdekken.

Afkeer van luidruchtigheid, zeker. Toch was Mankes wel degelijk op de hoogte van de kunstwereld. Vanuit Friesland kwam hij regelmatig naar het westen, waar het begin van zijn kunstenaarschap ligt. Toen hij op de hbs niet wilde deugen, werkte hij een aantal jaren op een atelier voor gebrandschilderde ramen in Delft. Daarnaast volgde hij tekenlessen en begon aan een avondopleiding op de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, maar hij haakte af toen hij, door zijn bijziendheid, de gipsmodellen niet goed kon zien. In 1908 besloot hij zelfstandig kunstenaar te worden. Hij vroeg kunstpaus H.P. Bremmer om naar zijn werk te kijken, maar die was niet heel enthousiast. Anderen wel, en zo vond hij de handelaar Jan Schüller, die zijn werk wilde verkopen, en de mecenas A.A.M. Pauwels, die hem later in Friesland dieren bleef toesturen, zo veel dat Mankes hem zelfs een halt moest toeroepen. Mankes’ tentoonstellingen waren succesvol, ook al reikte zijn roem niet tot het buitenland en kwam zijn werk pas laat in museale collecties. In 1916 werd hij ziek en in 1920 overleed hij, op dertigjarige leeftijd.

Een honderdtal schilderijen en grafische werken van Jan Mankes is te zien in het Scheringa Museum voor Realisme in Spanbroek. De tentoonstelling Het Mankes Perspectief past er goed; het museum heeft immers in korte tijd een aanzienlijke collectie magisch realisten aangelegd en voor die schilders – Carel Willink, Wim Schuhmacher, Dick Ket en consorten – was Jan Mankes een voorganger en een voorbeeld. Het Mankes Perspectief was eerder dit jaar te zien in het Drents Museum in Assen en zal na Spanbroek ook te zien zijn in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem, dat 25 werken in bezit heeft en waar de magisch realisten ook een zwaartepunt in de collectie vormen. Het overgrote deel van Mankes’ oeuvre is overigens in particulier bezit. De drie musea bundelden hun krachten in de grootste tentoonstelling ooit en stelden een prachtige oeuvrecatalogus samen om eer te betonen aan ‘Hollands meest verstilde schilder’, zoals bewonderaar Richard Roland Holst hem in 1923 karakteriseerde.

Het Mankes Perspectief – een nogal verwarrende titel door de verschillende manieren waarop ‘perspectief’ in de beeldende kunst kan worden geïnterpreteerd – toont het werk van Mankes in vijf ongelijke delen. Drie genres – portretten, de kleine natuur en de grote natuur – een deel techniek, namelijk zijn grafiek, en een interpreterend deel, waarin het werk van Mankes in het licht van de oude meesters wordt gezet. Er worden nog twee uitstapjes gemaakt: er hangt een werk waarvan men de echtheid betwist en waarover het publiek zijn mening mag geven, en er is een kijkje achter de schermen bij een restauratie.

Mankes schilderde (misschien vanwege zijn bijziendheid) op klein formaat, dat hij op schoot kon hebben, en koos zijn onderwerpen in zijn naaste omgeving. Hij portretteerde zichzelf en zijn naasten. Stillevens maakte hij van levende en dode dingen in de huiskamer of misschien, zoals die kerkuil, van ver opgestuurd. Zijn landschappen zijn zoals hij die aantrof als hij de deur uit liep voor zijn dagelijkse wandeling langs de Woudsterweg in Bovenknijpe, waar hij lang woonde.

Een van zijn mooiste landschappen – dat het Rijksmuseum graag had willen hebben maar uiteindelijk terechtkwam in de collectie van het Scheringa Museum – is Bomenrij uit 1915. In verschillende tinten lichtblauw schildert Mankes de winternevel. De bomen zijn bladloos en de takken, met grote precisie geschilderd, lijken eerder aderen dan echte takken. Het echtpaar op het zandpad is klein en de wegvliegende vogels zijn ook nauwelijks zichtbaar. Het lijkt Mankes helemaal niet te gaan om een zo nauwkeurig mogelijke weergave, dat wil zeggen in topografische zin; het zijn eerder sfeerbeelden, net als Uitzicht uit het atelier in Eerbeek uit 1917. Een prachtige oefening in witten: de winternevel, de sneeuw, de lucht, alle in witschakeringen. Zijn landschappen zijn verwant aan de stemmige schilderijen van Matthijs Maris en de vroege landschappen van Piet Mondriaan.

Mankes was een religieus man en hij schilderde vanuit een immanent godsbesef. Hij geloofde dat God door de stilte van de dingen sprak: ‘Je moet het net zo lang bestuderen, zodat het als het ware van je zelf wordt. Het echt doorvoelen en doorleven.’ Hij probeerde door te dringen tot het wezen der dingen en de mystiek, waardoor hij in eerste instantie werd aangetrokken, te behouden. Eindeloze stillevens zijn op de tentoonstelling te zien, van dode en levende vogels, ratten, uilen en hanen, van camelia’s, rozen en dwergasters in glazen vazen en koperen potten. Mankes zet een groot schilderkunstig vermogen in om de schoonheid van zijn modellen ten toon te spreiden. Terwijl voorwerpen soms inwisselbaar lijken of alleen een aanleiding om bijvoorbeeld zijn ‘witten’ te oefenen, zoals Witte muizen op perkamenten boekband (1911), is in andere stillevens de symbolische lading niet te miskennen. Net als in het werk van Floris Verster zijn er legio vanitassymbolen – schedels, dode vogels – of de judaspenning, als teken van breekbaarheid.

Sommige portretten maken van de geportretteerde een wazig geheel, maar het portret van zijn vader uit 1914, waarin hij zijn vader en profil tegen de achtergrond van een landschap zette, schilderde Mankes met grote precisie. In een voorafgaande schets zie je dat de tekening heel duidelijk is, maar door de gelaagde opbreng van transparante verf komt de geportretteerde op een zekere waardige afstand te staan, alsof hij van een andere orde is – een combinatie van zuivere weergave met behoud van een zekere mystiek. Hierin doen Mankes’ portretten denken aan die van Albrecht Dürer, die Mankes bewonderde en waarvan hij het werk zorgvuldig bestudeerde.

Hoe mooi het werk van Mankes ook is, het is ernstig; de onderwerpen, maar ook zijn kleuren stemmen tot melancholie. Vaak wordt een verklaring gezocht in het feit dat Mankes ziek was en vroeg overleed, maar de tentoonstellingsmakers en de catalogusschrijvers proberen dat te bestrijden – Mankes werd immers pas in 1916 echt ziek.

Er zijn wel fleurige of grappige uitzonderingen te vinden. De Bonte kraai op berkenboom uit 1913 uit een particuliere collectie, die wel in Assen hing maar niet in Spanbroek, maakt vrolijk. Het is het eerste werk dat Mankes liet zien aan Annie Zernike, de eerste doopsgezinde predikante in Nederland, met wie hij in 1914 trouwde. Veel van dat soort kleurrijke schilderijen zijn er niet. Maar naast de ernstige, soms geleerde portretten van zijn vrouw, die hem gedichten voorlas terwijl hij haar schilderde, maakte hij ook een getekend portret van haar waarop ze lacht, misschien zelfs wel een beetje schalks kijkt. En naast die mysterieuze kerkuilen en ernstige raven zijn sommige beestjes heel grappig, zoals de Lijster op voerbak uit 1910, die op één poot staat en kijkt alsof dat de normaalste zaak van de wereld is, of de Lijster op tak uit hetzelfde jaar, die bijna van die tak lijkt te vallen, maar vastbesloten is dat niet te doen.

Het Mankes Perspectief. Scheringa Museum voor Realisme, Spanbroek, t/m 23 september. Museum voor Moderne Kunst Arnhem, 13 oktober t/m 17 januari 2008.

Catalogus: Caroline Roodenburg-Schadd en Alied Ottevanger, Jan Mankes 1889-1920, Waanders, € 34,95.

www.janmankes.nl