‘Eigenaarschap is een interessante kwestie’, zegt moederoverste Darwi Odrade. ‘Bezitten wij de planeet of is het andersom?’ Duncan Idaho, haar pupil van een jaar of tien, wil weten waarom Odrade die vraag stelt terwijl hij samen met haar wandelt en kijkt naar allerlei tuinen en landbouwactiviteiten. Zij antwoordt: haar zusterschap, de Bene Gesserit, ziet zichzelf als rentmeesters. Maar wie dit alles bezit? Misschien niemand. De planeet laat haar merk achter op ons, vervolgt Odrade, en wij laten dat van ons achter op haar. Hier moet de jongen over nadenken. Gebeurt dat met hemdat de planeet hem ‘merkt’?

Het tafereel speelt zich af vele duizenden jaren na de gebeurtenissen in Frank Herberts beroemde roman Dune (1965). Hierin woedt een oorlog met als inzet het vergaren van politieke en economische macht. De partijen zijn huize Atreides en huize Harkonnen, maar op de achtergrond speelt van alles mee: het gekonkel van de Bene Gesserit, de schimmige machinaties van het Keizerlijke Rijk van Shaddam IV, de ruimtenavigators en een handelsorganisatie die de exploitatie regelt van de spice, de belangrijkste natuurlijke hulpbron op Arrakis (‘Duin’), het brandpunt van de strijd.

Pas in de laatste van zes vuistdikke romans – Chapterhouse: Dune in 1985, verschenen een jaar voor Herberts dood – blijkt de ware omvang van het epos. In de boeken onderzoekt Herbert wat er gebeurt wanneer de mensheid zich zodanig heeft ontwikkeld en vermenigvuldigd dat ze het heelal bevolkt (zie: ‘Atreides’, afgeleid van de vaderfiguur Atreus uit de Griekse mythologie).

Dit is hard science fiction, maar terwijl ik het laatste deel lees, realiseer ik me hoezeer deze complexe plot nú speelt. Ook wij worstelen met een lotsbestemming, prachtig en met verbijsterende vooruitziendheid verwoord door moederoverste Odrade in haar gesprek met de jonge Idaho. Het idee dat de mens een planeet voor altijd verandert – in de boeken gebeurt dat met desastreuze, maar ook positieve gevolgen – is actueel.

Gekoppeld hieraan zijn er bij Herbert forever wars ingegeven door de uitwassen van het verlichte eigenbelang in geopolitieke zaken. Toen hij de boeken tussen de jaren zestig en tachtig schreef, waren eindeloze oorlogen in woestijnlandschappen lokale kwesties met de ‘grote huizen’ Amerika en Rusland grotendeels aanwezig op de achtergrond. Het jihadisme zoals Herbert dat beschrijft, was exotisch, niet iets dat je mogelijkerwijs raakte als je in een westers land op straat liep. Dat is nu ánders.

Als oplossing voor de conflicten schuift Herbert interessant genoeg de vrouw naar voren – in de gedaante van de ‘heksen’ van de Bene Gesserit-sekte, die door middel van duistere complotten maar ook met ontnuchterende intelligentie probeert om de mensheid op de goede weg te krijgen, onder meer door zorg te dragen voor de planeet waar ze zich op bevinden. Maar of deze vrouwen hierin slagen?

Slechts een tipje van de sluier ligt de Frans-Canadese regisseur Denis Villeneuve op met zijn langverwachte Dune: Part One, een film die zo’n tweeënhalf uur duurt. Villeneuve behandelt iets meer dan de helft van de eerste roman, maar hij blijft er trouw aan. Belangrijker: zijn Dune is prachtig, overweldigend, intelligent; het is alsof een vreemde, maar tegelijk herkenbare wereld vorm krijgt voor je geestesoog, alsof je Herbert ‘droomt’.

Josh Brolin als Gurney Halleck © Warner Bros Pictures / Legendary Pictures
Dit is pure cinema, zoveel is meteen duidelijk. Deze film streamen? Vergeet dat maar

Gom jabbar. Kwisatz Haderach. Mentat. Landsraad. De Dune-terminologie vliegt je om de oren op het terras tegenover de Imax-bioscoop in Amsterdam-Zuidoost, waar een groep van pakweg twintig studenten een biertje drinkt een uur voordat de film begint. Ondertussen komt de rest van het publiek aan, sommigen in kostuum. Die vrouw daar draagt iets dat lijkt op een djellaba, en ze is gesluierd, misschien in de stijl van de Fremen. Haar partner… wat zal het zijn? Zwart. Leer. Mogelijk een uniform van de Sardaukar, het keizerlijke elite-leger dat tegen de Atreides vecht aan de kant van de stormtroepen van de walgelijke Baron Vladimir Harkonnen.

Op het terras voeg ik mij bij de studenten die opgewonden praten over de mogelijkheden van de film die we zo gaan zien. ‘Is het nou een metafoor voor het kapitalisme?’ wil een jongen (politicologie) weten. Dat kun je wel zeggen. Het draait allemaal om spice aangemaakt door de enorme zandwormen van Arrakis. Geestverruimend spul. Daarmee kun je in de toekomst zien, maar alleen als je ‘speciaal’ bent, zoals Paul, zoon van hertog Leto Atreides, en die engerds van de Bene Gesserit. Ook de navigators van de Spacing Guild gebruiken de spice, waarmee ze quantum-ruimtereizen mogelijk maken. Vergeet niet: computers zijn uit den boze. Dus, ja, wie de spice bezit, heeft de macht. Je zou zeggen, de Fremen, oorspronkelijke bewoners van Arrakis. Maar nee. Je hebt die ‘Huizen’, zeg maar de mogendheden, die de planeet binnenvallen om controle over de spice te krijgen. Komt nogal bekend voor, nietwaar? Neem ook Giedi Prime. Vervuilde planeet van Harkonnen. Lijkt op een wereld gedrenkt in olie…

Even later zitten we in de enorme Imax-zaal met onze 3D-brillen op. Vanaf de eerste beelden is het duidelijk dat Villeneuve in ieder geval visueel een meesterwerk heeft gemaakt, en dat de barokke muziek van Hans Zimmer de sfeer van gevaarlijke schoonheid perfect versterkt. Contrasterende kleuren zijn afwezig; het palet bestaat uit schakeringen van zand en zwart met soms wat goud er tussendoor. Het design lijkt op dat van Villeneuve’s eerdere sciencefictionfilm, Arrival (2016), vooral de ovaalvormige ruimteschepen en langwerpige, vlakke oppervlakten die in Dune terugkeren in het kasteel op Arrakis waar de Atreides bij aankomst intrekken. Ook zijn er retro-futuristische technologieën zoals libelle-achtige vliegtoestellen en een zwevende ‘sluipmoord-injectienaald’. En die duinen: enorme zandgebergten als achtergrond voor epische veldslagen.

En dit alles zó groot en scherp op dat scherm. Dit is pure cinema, zoveel is meteen duidelijk. Deze film streamen? Vergeet dat maar. Dune – de film, als voorstelling op een avond als deze – is om van te houden, en te oordelen naar de reacties van de studenten hoef je hier geen Herbert-fanatiekeling voor te zijn. Na afloop praten ze over de Gom jabbar alsof zoiets gewoon bestaat, en ze straks in hun kamer in Noord ermee geconfronteerd kunnen worden: een naald gedoopt in vergif waarmee de Bene Gesserit test of je menselijke bewustzijn sterker is dan je driften. Ja, dit is Frank Herbert.

Veel in het verhaal draait om leerlingschap. Pupillen zijn er overal, acolytes of dienaren, personages die speuren naar wijsheid. De plot teruggebracht tot de essentie: de jonge held – Paul Atreides (Timothée Chalamet) – moet op een gevaarlijke reis waar hij allerlei gevaren trotseert om tot nieuwe inzichten over zichzelf en de wereld te komen. Zijn begeleiders zijn in eerste instantie mannen: zijn vader Leto (Oscar Isaac), vechtmeester Gurney Halleck (Josh Brolin) en de aantrekkelijke piloot en zwaardvechter Idaho (Jason Momoa). Maar de grootste invloed op Paul heeft zijn moeder, Lady Jessica (Rebecca Ferguson), een Bene Gesserit-heks. Fascinerend is dat zij ervoor koos een jongen in plaats van een meisje te baren, waarmee ze inging tegen de opdracht van de sekte. Nog mooier: de geboorte van uitgerekend een jongen brengt duizenden jaren van chaos en tirannie.

Maar zover zijn we nog lang niet. Eerst moet Paul leren wie of wat hij is. Villeneuve beeldt de visioenen die de jongen teisteren zodra hij op Arrakis arriveert uit met gouden stralen (in 3D lijkt het net of de stralen over het publiek in de zaal heen vallen). Dit is het ‘gouden pad’, oftewel Pauls lot dat onveranderlijk verbonden is aan dat van de mensheid. Heel subtiel komen dan beelden voorbij die vooruitblikken op jihad, een heilige oorlog waarin de bevrijde Fremen onder leiding van Paul op grote schaal dood en verderf zaaien. Deze korte vechtscènes, mogelijk terugkerend in de volgende film, zijn prachtig: met de duinen op de achtergrond zien we strijders verwikkeld in een soort dodendans, snel en gracieus bewegend terwijl korte zwaarden flitsen in het zonlicht. In dezelfde sequentie zijn ook flitsbeelden in een baarmoeder. Hier zien we de ware kern van Dune: het wachten op een Verlosser waarvan de komst georkestreerd is door de Bene Gesserit. Wanneer die echte Kwisatz Haderach er eindelijk is, zal de mens bevrijd zijn van de ketens van zijn duistere instincten. Hier speelt trouwens een verschrikkelijke ironie, maar dat is iets voor de volgende films.

Belangrijk om te weten is dat de Bene Gesserit geen religieuze sekte is, maar een groep machtige vrouwen die godsdienst gebruiken voor eigen gewin. Dit zien we ook in de film: wanneer Paul op Arrakis arriveert, blijkt dat de Fremen met smart op hem, de Verlosser, wachten. Maar dit is het resultaat van een clandestiene operatie van Bene Gesserit-spionnen die het volk hebben geïndoctrineerd zodat een heel geloofssysteem ontstond.

Waar deze vrouwen dan wel in geloven? Het blijft een mysterie. Neem de moederoverste, Gaius Helen Mohiam, briljant gespeeld door Charlotte Rampling, die én vertrouweling van de Keizer is én de Gom Jabbar-test afneemt bij Paul, waarmee ze het verzet tegen het Rijk ontketent. Het Bene Gesserit-project gaat hierom: de mensheid langs een vastgelegde route, uitgestippeld door een zorgvuldig gekweekte Verlosser, leiden tot zelfinzicht en uiteindelijk verlichting. Dit heeft met geloof niets te maken, integendeel, dit is het maakbaarheidsideaal, uitvergroot. De eerste stap is onderkennen dat de wereld om je heen je ‘schept’, je ‘merkt’, en andersom. In het slotdeel van het epos dringt dit langzaam door tot de jonge Idaho waar hij met de moederoverste in de natuur wandelt. Eigenaarschap. Idaho overpeinst het gesprek. We bezitten de planeet, maar dat zegt niets. Hooguit: we hebben haar een naam gegeven, Duin, en zij ons: mens.

Dune: Part One is nu te zien in Imax-bioscopen