Weissenfels, 5 augustus 1912 – Huntsville, Alabama, 15 februari 2009

Konrad Dannenberg

Konrad Dannenberg, werktuigbouwkundige, was nauw betrokken bij de bouw van de V2-raket en later bij de Amerikaanse ruimtevaart. ‘Een goed-Duitse machine’ die niet kon lachen.

Once ze rockets are up, who cares where zey come down?
Zat’s not my department, says Wernher von Braun.
In German oder English I know how to count down,
Und – I’m learning Chinese, says Wernher von Braun.

HET LIEDJE dat de Amerikaanse wiskundige en komiek Tom Lehrer in de jaren zestig in het tv-programma That Was The Week That Was zong, zette de van oorsprong Duitse raketgeleerde van de NASA neer als een gewetenloze opportunist. En wat gold voor Von Braun, gold voor de hele groep Duitse wetenschappers en ingenieurs die tezamen met hem Hitler-Duitsland voor de Verenigde Staten had verruild.
Bij de inname van Duitsland schrokken de geallieerden zich een hoedje toen ze zagen hoe ver de naziwetenschappers gevorderd waren met de productie van Wunderwaffen als de supersonische raket, straalaandrijving, raketgeleidingstechniek, bemande ruimtevluchten en stealth-technologie. Gelukkig voor de Amerikanen viel een groep ingenieurs rond Von Braun hun als vanzelf in handen. De groep strandde begin 1945 in Oberammergau, vanwaar Wernher zijn jongere broer er op uit stuurde op de fiets om de Amerikanen te zoeken. Hij trof soldaat der tweede klasse Fred Schniekert uit Wisconsin. ‘I think you’re nuts’, zei Schniekert toen hij hoorde dat 118 Duitse toptechnici zich aan hem wilden overgeven. Welnu, dat waren ze allerminst.
Volgens een geheim plan (‘Operatie Paperclip’) werden de wetenschappers en hun gezinnen overgebracht naar de Verenigde Staten. Velen waren oorlogsmisdadigers en overtuigde nazi’s. Om de wet te omzeilen werden hun dossiers door CIA en FBI ‘opgeschoond’. En het werden er steeds meer. In 1950 woonden meer dan tienduizend Duitse technici en hun gezinsleden in een kampement in Huntsville, Alabama. Ze hielpen de Amerikanen aan hun eerste succesvolle raketten, satellieten en bemande ruimtevluchten. Het was Von Braun die Kennedy adviseerde een man naar de maan te sturen.

KONRAD DANNENBERG was de langst levende van de groep Duitse technici van het eerste garnituur. Werktuigbouwkundige, gespecialiseerd in brandstofinjectie. Geen nazi, wel nauw betrokken bij de bouw van Von Brauns bekendste militaire project, de V2-raket. Bij de NASA ontwikkelde Dannenberg de aandrijving voor de Saturnus-raket, die onder meer in 1969 de Apollo 11 naar de maan lanceerde. Gewetenswroeging over de slachtoffers van het naziregime en zelfs over die van de V2 kende Dannenberg niet; daarvoor waren ‘anderen verantwoordelijk’, zei hij tegen de Duitse Financial Times, die de gepensioneerde en zijn vrouw in 2002 in Alabama opzocht. De krant beschreef hem als een kille man, humorloos, louter geïnteresseerd in de technische aspecten van de wereld die hem omringt: ‘Hij is een goed-Duitse machine, staat breed en zelfbewust, nauwelijks sleet afgezien van de reuma. Nur lächeln kann er nicht.’
Dannenberg is vorige week begraven, maar zijn uitgestreken tronie blijft ons aanstaren. Het is het obscene gezicht van de waardenvrije wetenschap, de fetisj van de twintigste eeuw. Dannenberg en zijn kornuiten waren gedreven onderzoekers en ontwerpers, pure Macher die niet taalden naar geld, vrouwen of macht, maar als bezetenen werkten, op of onder hun tekentafels sliepen, krijgsgevangenen afbeulden in hun laboratoria en fabrieken, hun eigen gezondheid opofferden, alles voor de verwezenlijking van hun jongensdromen – in Dannenbergs geval: van bemande ruimtevluchten naar Mars. Hubertus Strughold, de ‘vader van de ruimtegeneeskunde’ die de Amerikaanse bemande ruimtevluchten mogelijk maakte, verwierf zijn kennis door gevangenen in Dachau en Auschwitz te laten bevriezen of in lagedrukkamers te plaatsen tot de dood erop volgde. Later deed hij soortgelijke medische experimenten op Amerikaanse soldaten. Zodoende konden de Amerikanen een wapenarsenaal ontwikkelen waardoor de wereld een nieuwe dictatoriale overheersing, ditmaal door de Sovjet-Unie, bespaard bleef.

VOOR VON BRAUN en de zijnen waren Hitler en Kennedy gelukkige bijkomstigheden: niet al te domme leiders die de potentie van hun werk begrepen en er geld voor vrijmaakten. Von Braun prees ooit in een interview zowel Hitler, die reeds in 1943 de problemen met de inslagsnelheid van de V2 voorzag, als Kennedy, die het militaire belang van bemande ruimtevluchten onderkende. Zijn dievenlachje bewees dat hij vooral zichzelf prees.
Dannenberg had hetzelfde lachje, speciaal gereserveerd voor de photo ops tijdens de diners en prijsuitreikingen van ruimtevaartorganisaties, die hij tot op hoge leeftijd bezocht. In 1985 ondertekende hij een gratieverzoek aan Ronald Reagan voor Arthur Rudolph, een collega uit de dagen van de V2, die op hoge leeftijd alsnog werd vervolgd wegens oorlogsmisdaden, waaronder mishandeling van krijgsgevangenen. ‘Daarvoor was de SS verantwoordelijk’, meende Dannenberg, alsof Rudolph zelf niet al in 1931 uit overtuiging lid van de nazipartij was geworden. Who cares? Das war doch damals.
Dat dievenlachje kwam voort uit het zekere besef dat hun soort altijd weer nodig zal zijn, zo niet hier en nu, dan wel bij de concurrent. Desnoods in China, zoals Lehrer zong. Twee jaar geleden hield Dannenberg nog een toespraak voor aankomende ruimtevaartingenieurs en astronauten waarin hij het ‘stompzinnig’ noemde dat het ruimtevaartprogramma op een lager pitje was gezet: ‘Zoals Von Braun placht te zeggen: “Als je het doet wanneer je het nodig hebt, is het te laat. Dan heb je de boot gemist.”’