Konrads stad

Gyorgy Konrad, De stedebouwer. Vertaling Peter Masthoff en Minne Buwalda, Uitgeverij Van Gennep. 206 blz., f34,90.
Gyorgy Konrad zal niet geaarzeld hebben toen hij werd uitgenodigd te spreken op een congres dat aan stadsbestuur was gewijd. In de jaren zestig was hij zelf planoloog. Bovendien ging zijn pas vertaalde tweede roman De stedebouwer (1975) over een oudere architect wiens leven persoonlijk en politiek verweven is met de naamloze Middeneuropese stad waarin hij woont.

De rede die Konrad als ex-planoloog, antipoliticus en schrijver hield las ik als een epiloog bij De stedebouwer. Een stad zou een open plek voor vele nationaliteiten en talen moeten zijn, een marktplein, een smeltkroes. De ‘ijverige regelaars’ zouden meer disharmonie, heterogeniteit en anarchie moeten toelaten. Konrad maakt van de stad een metafoor: 'Een stad behoort even boeiend te zijn als een goede roman, want alleen als ze onze nieuwsgierigheid wekt, willen we er ook wonen.’
De kern van Konrads toespraak is zijn verzet tegen 'de geest van het etatisme’. De neiging grenzen te trekken, scheidsmuren op te richten, wachttorens te bouwen en prikkeldraad te spannen blijkt onuitroeibaar. Etatisten achten afwisseling gevaarlijk want onbeheersbaar. Konrad heeft daar geen enkel begrip voor: 'Het homogeniserende nationalisme van onze dagen is ten nauwste geparenteerd aan het fascisme van gisteren.’ De filosoferende, kankerende, terugblikkende staatsdienaar en 'boerse architect’ van de stad die zo op Boedapest lijkt, vuurt een monoloog af op de lezer die zo afwisselend is als de stemming van de met zijn stad vergroeide planoloog: 'Als een karakterfout sleep ik de stad met me mee in mijn koffer.’
De stedebouwer is een associatieve roman. De architect heeft zich langzaam ontworsteld van de staatsdwang en wil zich niet meer laten ordenen. Hij komt tot het inzicht dat hij niet de dirigent maar de marionet van de Vooruitgang is. 'Ik wilde een stad ontwerpen maar eigenlijk heeft ze mij ontworpen.’
Konrad schreef zijn roman tussen 1969 en 1973, toen het communisme nog alomtegenwoordig was. Zijn boek werd verboden. Men sprak nog van 'de wetten van de vooruitgang’. Alles wat van de staat kwam, was goed. Eenheid was essentieler dan het gebruiken van je verstand. 'Ik was planoloog in de tijd van het vroege socialisme, een van zelfhaat vervulde uitdrager van een bestofte ideeenwinkel in een persoon.’
De samenhang in de roman komt dank zij de stad, haar verleden, haar veranderingen en haar verbouwingen tot stand. Zij groeit uit tot een parabel: lichaam, vesting, oorlogsterrein, kerkhof, netwerk. Overpeinzingen over de zelfmoord van zijn vrouw, de dood van zijn vader of de relatie tot zijn zoon worden afgewisseld met een prachtige grafrede op een stadsdictator, gevangenisherinneringen en utopische schrikbeelden.
Het opmerkelijkste van De stedebouwer is Konrads taalgebruik. Als protest tegen de terreur van dorre cijfers gaat de architect met zijn rug naar de toekomst staan en vlucht hij als het ware in de beeldspraak, de litanie en het ritueel van de herhaling. Geen zin zonder beeld. Daardoor is het boek, als een stad met veel duistere stegen en een stratenplan als een labyrint, moeilijk te veroveren.
Konrad moest zich twintig jaar geleden natuurlijk nog indekken tegen de taalvervuilende staatsterreur die van massamoord ijskoud 'ordeverstoring’ maakte. Het beeldenbombardement in De stedebouwer kan de lezer tegen die achtergrond ondergaan. Zijn in De medeplichtige en Het tuinfeest beproefde vertelprocede verwoordt Konrad prachtig: 'Tijdens de verhuizing van mijn ziel door de tijd verplaats ik ook mezelf in de gravures van belegeringen en veldslagen uit het stedelijk museum, ik overleef bezetting, brand, pest, godsgericht en spietsing, ik rek mijn levensloop voor- en achterwaarts uit, het is een gouden bruiloft van zenuwen, een jubileumverbond om samen met mijn tot stof vergane voorouders te bloeden en te brassen.’