Koolsoep en griesmeelpap

Ook in de nieuwe vertaling wordt Anna Karenina gedragen door Ljovin, die meer dan Anna de show steelt. Hij is een natuurmens, en wordt dolgelukkig van een dag maaien met de boeren.

Wie was de grootste van de negentiende-eeuwse Russische schrijvers? Nabokov stelde ooit een persoonlijke top-vier samen: Tolstoj op één, Gogol op twee, Tsjechov op drie en Toergenjev op vier. Dostojevski mocht niet eens meedoen. Poesjkin ook niet, maar dat was omdat die voor Nabokov hors catégorie was en bovendien van een generatie eerder.

Ik maak ook af en toe zo’n lijstje, waarbij de strijd om plek één bij mij voornamelijk tussen Gogol en Toergenjev gaat. Maar dan lees ik weer iets van Poesjkin, zoals bijvoorbeeld laatst Schoppenvrouw, en dan houd ik me in navolging van Nabokov voor dat Poesjkin toch echt de grootste was.

Dostojevski gedraagt zich in mijn competitie net zo hysterisch als zijn personages en staat het ene moment op drie en het andere moment helemaal onderaan. Tolstoj en Tsjechov zijn de middenmoters. Over Tolstoj en Tsjechov denk ik dan ook het minste na, zou je kunnen zeggen.

In het geval van Tolstoj komt dat doordat ik zijn verhalen lang niet zo goed vind als die van Toergenjev; omdat ik me nog altijd moet wagen aan Oorlog en vrede; omdat ik me waarschijnlijk nooit zal wagen aan zijn gepredik in Opstanding en omdat ik me goed kan vinden in Nabokovs afwijzing van De kreutzersonate (‘I detest it’).

Wel spreekt me Tolstojs openhartige en tamelijk snobistische voorwoord bij Oorlog en vrede aan (zo ver was ik nog wel gekomen), waarin hij uitlegt dat hij bij voorkeur over graven en vorsten schrijft, onder meer omdat hij zich nu eenmaal niet kan verplaatsen in de geesteswereld van boeren, schildwachten, koetsiers en kooplieden. Zoals hij ook niet ‘kan begrijpen wat een koe denkt wanneer ze wordt gemolken’. Hij eindigt dit voorwoord met: ‘De lezer weet nu tenminste wat voor iemand ik ben en wat hij van mij kan verwachten. Er is nog tijd genoeg om het boek dicht te slaan en mij aan de kaak te stellen als een idioot en een conservatief.’

Medium nieuw 37767u
1897. Tolstoj, geportret­teerd op zijn landgoed Jasnaja Poljana © Sergej Michajlovitsj Prokoedin-Gorski / Library Of Congress

Ook kan ik me goed vinden in zijn in de loop van zijn leven ontwikkelde idee dat het ware geluk in het boeren- en buitenleven te vinden was, door van zonsopgang tot zonsondergang fysieke arbeid te verrichten en je niet druk te maken over maatschappelijke of literaire status. Ik versimpel hier zijn veel méér omspannende opvattingen uit Mijn biecht, een geschrift dat hij een aantal jaar na Anna Karenina publiceerde. Opvallend is hoe binnen zo’n tien jaar (de tijd tussen verschijning van Oorlog en vrede en Mijn biecht) zijn visie op de boeren veranderde: waren het eerst wezens die hem even vreemd waren als koeien, later idealiseerde hij hun bestaan. Tegen die tijd had hij spijt dat hij vroeger zo graag de beste schrijver van Rusland wilde zijn. Een spijt die je overigens makkelijker ontwikkelt, lijkt me, als je je doel hebt bereikt. Want dan heb je weer een nieuwe levensinvulling nodig.

Ik las voor het eerst iets van Tolstoj op mijn achttiende: Anna Karenina, in de vertaling van A.M. Wasiltsjikow. Wat me in de jaren daarna vooral bijbleef waren de geweldige passages over het personage Lewin en zijn leven op het platteland. Ik vond dat toen de mooiste natuurbeschrijvingen die ik ooit had gelezen, sterker nog: Tolstoj opende mijn ogen voor de schoonheid van de natuur, want daar had ik tot mijn achttiende erg weinig aandacht aan besteed. Later leerde ik de zo mogelijk nóg mooiere natuurbeschrijvingen van Paustovski en Toergenjev kennen.

De min of meer gecanoniseerde vertaling van Anna Karenina is die van Wils Huisman uit 1965, opgenomen in de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Huisman had geen armen en schreef de tekst met haar voeten. Verschillende boeken uit de Bibliotheek, zoals Oorlog en vrede en ook de verhalen van Tolstoj, zijn niet zo lang geleden opnieuw vertaald. Alleen Anna Karenina kwam nog niet in aanmerking voor een nieuwe vertaling, omdat die van Huisman volgens kenners nog steeds standhoudt.

Nu is er in de Perpetua-reeks een nieuwe vertaling van Anna Karenina verschenen, gemaakt door Hans Boland. Het is altijd fijn als er twee goede vertalingen naast elkaar bestaan, want als een passage bij de een niet helemaal duidelijk is kun je kijken hoe de ander het oplost. Op pagina 30 van de Boland-vertaling laat dit voordeel zich mooi zien. Daar rent Lewin, die bij Boland Ljovin is gaan heten, het boek in. Het is een geweldige introductie van een personage: ‘Er kwam een zwaargebouwde, breedgeschouderde man met een kroezende baard en een muts van schaapsvel over de uitgesleten stenen traptreden naar boven gehold, zonder dat hem dat enige moeite scheen te kosten.’ In één zin wordt al meteen veel verteld over Ljovin, wiens levensenergie (de beklimming van de trap kostte hem geen enkele moeite) aanstekelijk werkt. De entree van Ljovin doet denken aan een bruisende persoonlijkheid die een enigszins saai feestje komt opleuken. Boland heeft er een prachtige Nederlandse zin van gemaakt.

‘Als je Toergenjev leest, weet je dat je Toergenjev leest. Als je Tolstoj leest, lees je omdat je niet meer kunt stoppen’

Ik vroeg me af hoe Huisman deze zin had vertaald, en bij haar bleek deze introductie van Ljovin veel minder lekker uit de verf te komen. Het is in haar vertaling een nogal rommelige, onaantrekkelijke zin, terwijl het een essentiële scène is: de introductie van een van de belangrijkste personages – en wat mij betreft het personage dat de roman draagt (waarover zo meer).

Wat niet wil zeggen dat Huismans vertaling minder goed is (als medewerker van Van Oorschot moet ik er ook wel een beetje voor opkomen). Want nog op dezelfde pagina staat bij Boland een onduidelijke passage: hij heeft het over ‘verfoeilijke jij-zeggers’ en ik begreep niet wat hij bedoelde. Bij Huisman staat ‘genante vriendjes’, en dat snapte ik meteen.

Dat er een passage onduidelijk is komt trouwens weinig voor. Ik las onlangs het eerste deel van Prousts Op zoek naar de verloren tijd, springend tussen de vertaling van Thérèse Cornips en die van Rokus Hofstede en Martin de Haan, en dan zie je dat de behoefte aan een schaduwvertaling bij Proust natuurlijk groter is dan bij Tolstoj. Waar Proust ingewikkelde, zoekende zinnen construeerde, schrijft Tolstoj volkomen eenvoudig: zijn taal is voor iedereen zonder enige moeite begrijpelijk. Het is een stijl die niet de aandacht vraagt, niet in positieve en niet in negatieve zin, een paar al te zoetsappige vergelijkingen en enkele prachtige vondsten daargelaten. Er zijn mensen die dat bij uitstek een goede stijl vinden: als de manier waarop iets geschreven is volledig ondergeschikt is aan het verhaal. Als de stijl in het ideale geval paradoxaal genoeg onzichtbaar is geworden.

Zelf hou ik meer van een aandacht vragende stijl, als de schrijver in iedere zin aanwezig is, en dat zal dan wel de reden zijn dat Gogol en Toergenjev mij dichter aan het hart liggen. Terwijl het tegelijk het succes van Anna Karenina verklaart. Zoals Nabokov opmerkte: ‘Als je Toergenjev leest, weet je dat je Toergenjev leest. Als je Tolstoj leest, lees je omdat je gewoon niet meer kunt stoppen.’

Bij herlezing van Anna Karenina was ik (opnieuw) vooral gegrepen en gefascineerd door het personage Ljovin. En ik besefte dat het in zekere zin vreemd is dat de roman vernoemd is naar het personage Anna. Zij is niet het onbetwiste hoofdpersonage zoals bijvoorbeeld Emma Bovary dat is. In de roman van Flaubert zijn alle andere personages bijfiguren. Het boek draait om háár. Terwijl Anna Karenina bijna in gelijke mate ook gaat over haar echtgenoot Karenin, haar minnaar Vronski, haar broer Oblonski, zijn vriend Ljovin en diens geliefde Kitty.

Ik merkte dat ik tamelijk immuun bleef voor het verhaal over Anna en opveerde als het verhaal zich op een van de andere personages concentreerde.

Maar terwijl Anna Karenina me Siberisch liet, vond ik Anna Karenina wederom een fantastische leeservaring. Vanwege bijvoorbeeld de stijve en handenknakkende Karenin, die nauwelijks toegang heeft tot zijn eigen emoties en worstelt met zijn eergevoel; vanwege Kitty en Varinka die in al hun zuiver- en goedheid Tolstojs tegenvoorbeeld waren voor de ‘gevallen’ Anna; vanwege de prachtige scène waarin Varinka en Sergé hun liefde voor elkaar onuitgesproken laten terwijl ze paddenstoelen zoeken; vanwege de vrolijke Oblonski wiens goede humeur van de pagina’s straalt; vanwege de prachtige jachtscène waarin het perspectief tijdelijk bij hond Laska komt te liggen; vanwege de passage over de dood van Ljovins broer, als hij wordt verzorgd door Kitty; maar vooral vanwege de geweldige Ljovin.

De scène waarin hij een dag lang zelf de zeis ter hand neemt en met de boeren mee gaat maaien, vind ik het absolute hoogtepunt van de roman. ’s Avonds legt hij zich moe maar tevreden neer op een hooiopper, terwijl hij eenzaam toeziet hoe de boeren gelukkig zijn. Hij wil hun leven leiden. Hij blijft er de hele nacht liggen en vangt dan nog, in een schitterende scène, een glimp op van zijn aanstaande vrouw in een rijtuig. Ze zijn ships that pass in the night. Later vinden ze elkaar voorgoed.

Ik besefte na deze tweede lezing dat Ljovins opvattingen en gevoelens nauw aansluiten bij wat Tolstoj later schreef in Mijn biecht. Het begint al met de scène waarin hij met Oblonski uit eten gaat in een chique restaurant en eigenlijk liever koolsoep en griesmeelpap zou eten dan de drie dozijn oesters, de soep met peentjes, de ‘tarbot in dikke saus’, gevolgd door roastbeef, kapoentjes en fruitsalade die zijn vriend laat aanrukken. Ljovin heeft een afkeer van dit mondaine leven. Hij is een natuurmens, toegewijd aan zijn boerenbedrijf en wil niets liever dan zo gauw mogelijk de stad weer verlaten.

Na de dag maaien met de boeren komt hij dolgelukkig thuis. Tegen zijn halfbroer zegt hij: ‘Je kunt je niet voorstellen hoe heilzaam zo’n werkdag is, je bent gelijk al je idiote gemier en gepieker kwijt. Ik ga de medische wetenschap verrijken met een nieuwe term: arbeidskuur.’