Essay: pleidooi voor de middenklasse

Koopkrachtje hier, koopkrachtje daar

Alles draait om de middenklasse. Die retoriek van kabinet en oppositie is ontroerend. De werkelijkheid is anders. Het harde middenrif van de democratische maatschappij is een weke onderbuik geworden.

Om maar meteen de belangrijkste kaart op tafel te leggen: het huishoudboekje. Circa 35 procent van mijn besteedbaar inkomen gaat op aan hypotheeklasten, twintig procent aan een studerend kind buitenshuis, tien procent aan gas en licht, zeven procent aan gemeentelijke en provinciale belastingen, vijf procent aan ziektekosten en drie procent aan verzekeringen die een huiseigenaar niet kán vermijden. Over de resterende twintig procent heb ik meer of minder zeggenschap. Voor politici is mijn koopkrachtplaatje een mysterie.

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is het namelijk de laagste twintig procent van de maatschappelijke ladder die 34 à 35 procent aan woonlasten betaalt. De hoogste twintig procent besteedt er slechts elf tot twaalf procent aan, en de brede middenlaag, waartoe ik behoor, tussen zeventien en twintig procent.

Statistisch besta ik dus niet. Toch besta ik. Om de simpele reden dat niemand zich aan de jaren negentig heeft kunnen onttrekken. Toen ik in 1987 begon aan vermogensvorming in onroerend goed, was de norm dat een hypothecaire lening niet hoger mocht zijn dan driemaal het bruto jaarsalaris. In die tijd werd er nog gehandeld in ouderwetse hypotheken, die je in dertig jaar moest aflossen. Medio jaren negentig, toen ik groter ging wonen en de bank mij juichend binnenhaalde, was dat calvinisme zo dood als een pier. De waarde van het onderpand werd belangrijker dan de kredietwaardigheid van de debiteur. Er kwamen financiële producten op de markt die één ding gemeen hadden: afbetalen was voor de dommen. Dat was niet aan dovemansoren gericht. In de tweede helft van de jaren negentig is het eigenwoningbezit gegroeid van 48 naar 52 procent, in de vier grote steden van 20 naar 28 procent.

De middenklasse is behoorlijk genesteld. Hoewel ze de afgelopen jaren de prijs van de recessie heeft betaald, is medelijden nergens voor nodig. Zeker niet met bovenstaand sommetje. Er is thuis nog iemand die geld verdient. Er is genoeg eten en drinken. Televisie en kachel kunnen eveneens aan. Maar dat neemt niet weg dat ik me ’s nachts soms afvraag: moet ik goedkoper gaan wonen of op de valreep voor het «grote geld» gaan? Wat te doen? Harder werken, zoals premier Jan Peter Balkenende ons in de miljoenennota voor 2006 voorhoudt? Of saneren, zoals minister Gerrit Zalm van Financiën doet? Het eerste kan in strijd zijn met het levensloopideaal van de premier, die wil dat mensen meer maatschappelijke taken op zich nemen en meer zorgen hebben dan alleen over brood. Het tweede ondermijnt juist de consumptiedrift waartoe de minister de burgers wil aanzetten om de economie aan te jagen.

De naam Zalm is bij dit dilemma de crux. Zalm heeft het afgelopen decennium namelijk dé cruciale rol gespeeld bij de beheersing van de rijksuitgaven. Hij heeft zowel een sociaal-democratische premier als een christen-democratische terzijde gestaan. Hij is een man van alle politieke jaargetijden. Zalm is echter ook de architect van een van de belangrijkste hervormingen in Nederland: het nieuwe belastingstelsel dat in 2001 van kracht werd. We laten de vraag buiten beschouwing of het wel verstandig was om de burger in tijden van economische hoogconjunctuur dubbel te belonen. In de politieke retoriek van die dagen werd dat nieuwe systeem gepresenteerd als een win-win-situatie. Door de belastingtarieven te verlagen, werd arbeid goedkoper en dus aantrekkelijker. Door het kostwinnersbeginsel als extra tarief af te schaffen, werd een werkende partner noodzakelijker. Door de aftrekposten te beperken en vermogen een fictief rendement van vier procent mee te geven en dat met dertig procent te belasten, kon de bureaucratie efficiënter werken en werd kleinschalige ontduiking onbeduidender. Iedereen zou er meer of minder op vooruit gaan.

Drie dingen werden er door het vrolijke duo Zalm (VVD) en diens staatssecretaris Willem Vermeend (PvdA) niet graag bij verteld. Ten eerste dat ze geen pardon zouden kennen als de partner van de vroegere kostwinner niet kón werken, bijvoorbeeld omdat de kinderopvang meer kostte dan een baan opleverde. Ten tweede dat de btw van 17,5 naar 19 procent werd verhoogd. En ten derde dat dit fictieve rendement op vermogen om het simpel te houden ook van kracht zou blijven bij minder voorspoedige economische tijden.

De eliminatie van het kostwinnersbeginsel wordt nu via de biljartband van kinderaftrek, zorgtoeslag en dergelijke gerepareerd. Het is de subtiele wraak van het CDA, dat indertijd weinig zag in deze individualisering van de werkende klasse. Prima. De levensloopregeling wordt in de steigers gezet door het spaarloon en ander uitgesteld inkomen vrij te geven. Ook goed, al moet nog blijken of dat gaat lukken. Want als blijkt dat de burger net zo weinig heeft te zeggen over deze tegoeden als over de al maar stijgende pensioenpremies, ligt een rel in het verschiet.

Met de btw ligt het ingewikkelder. Btw betaalt iedereen in gelijke mate en is alleen te vermijden door niet te consumeren. Sinds de millenniumwisseling is de btw van alle belastingsoorten de grootste inkomstenbron van het rijk. Afgelopen jaar leverde de btw circa dertig procent meer op dan de inkomstenbelasting. Die trend is niet te stuiten. De VVD heeft nu de «vlaktax» op de agenda gezet en daarmee het nivellerende karakter van de belastingen ter discussie gesteld. Als de VVD de toon blijft zetten, zal het btw-percentage verder groeien en daarmee ook de denivellering tussen arm en rijk.

De nieuwe vermogensbelasting (box 3) is pas echt complex. Het lijkt zo simpel: 1,2 procent belasting op de hele bups in box 3. Maar dat is het niet. Er zit ook een idee achter, namelijk het idee om de rentenierende jansalie te straffen voor zijn laksheid om zijn geld te laten rollen. Met een sterrekening of een lapje grond schiet de economie niet op. Er is eveneens een consequentie aan verbonden, namelijk dat zij die in de goedkopere tijden een huis(je) hebben gekocht en niet tot over hun oren in de schulden zitten virtueel nu ineens vermogend zijn geworden en dus moeten betalen dan wel verkopen. Want de afdelingen van de fiscus die zich bezighouden met de onroerendzaakbelasting zijn het afgelopen jaar bezig de huizenhausse stevig te verdisconteren in hun aanslagen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de gemeentelijke heffingen, maar ook voor box 3. Wie voor 250.000 euro een huis heeft gekocht dat nu drie keer meer waard is, moet aan het rijk navenant meer betalen. Het gaat daarbij niet om tientjes maar om honderden euro’s per maand, die alleen als de kinderen het huis uit zijn, kunnen worden terugverdiend door een commensaal op kamers te nemen.

We hebben het niet alleen over oude rijken die zich beter thuis voelen in Brasschaat dan in Bloemendaal, over geboortegolvers die hun Zwitserlevengevoel vlak voor de vut op orde hebben of over presentatoren bij de publieke omroep die de komst van Talpa succesvol hebben uitonderhandeld. We hebben het hier over de brave en bescheiden middenklasse. Over de groep van modale en bovenmodale burgers die meer verdienen dan dertigduizend bruto per jaar. Over de geschoolde arbeider, de hogere politieagent, de ervaren leerkracht en verpleegkundige, de basisarts, de bankemployee, de ambtenaar in schaal 11 en al die mensen die nog net of niet meer in het Ziekenfonds zitten en hoe dan ook geen recht meer hebben op huursubsidie.We hebben het over de groep die, volgens cijfers van het CBS over 2000, meer dan veertig procent belasting betaalt en zorg draagt voor maar liefst 95 procent van de baten der inkomstenbelasting. Over, als we ons mededogen bij zeventigduizend euro laten stoppen, de groep die ruim veertig procent van de inkomstenbelasting voor haar rekening neemt. Kortom, over het harde middenrif van de samenleving dat wel betaalt maar naarmate het meer verdient minder ontvangt.

Niet dat dit hart van de maatschappij buiten alle arrangementen valt. Wie geen huursubsidie of straks geen zorgtoeslag mag ontvangen, heeft wel degelijk baat bij het betalen van belasting. Hogere inkomens profiteren relatief meer van de collectieve uitgaven aan onderwijs dan lagere. Het is geen toeval dat de ouders van kinderen die aan de universiteit studeren statistisch gesproken ongeveer vijfhonderd euro per maand meer verdienen dan die van studenten in het hoger beroeps onderwijs en zo verder. Hetzelfde geldt voor de culturele sector. De lagere inkomens hebben minder belang bij de subsidiëring van orkest, opera, museum en theater dan de bovenmodalen, omdat ze minder uitgaan. En, wat ordinairder, de beter betaalden hebben meer plezier van het van overheidswege aangelegde asfalt voor hun auto’s.

Kwantitatief is deze burgerlijke kern een factor van betekenis. Sinds Paars in 1994 aan de macht kwam, is deze groep relatief alleen maar sterker geworden. De middengroepen maken sindsdien meer dan ooit het verschil tussen regeren of oppositie. De politicus die openlijk zegt dat hij lak heeft aan de middenklasse tekent zijn electorale doodvonnis. Vandaar dat het kabinet-Balkenende er komend jaar al zijn kaarten op zet. Er staan allerhande kleinere en grotere voornemens op stapel die vooral de middenklasse moeten gerieven. Zo gaat een aantal sociale premies om laag, wordt het gebruikersdeel van de OZB afgeschaft en kunnen in theorie vier miljoen huishoudens in 2006 hun ziektekosten via de overheid laten compenseren. De zorgsubsidie, eufemistisch «toeslag» genoemd, is voor een bredere groep bestemd dan de huursubsidie en dus een maatregel voor de onderste sporten van de middenklasse. Een modaal gezin met dertigduizend euro krijgt bijna zeshonderd euro per jaar op een premie die voor twee personen minimaal 2200 euro zal bedragen. Dat lijkt ergens op. Een gezin met veertigduizend euro ontvangt maximaal zestig euro per jaar. Een bescheiden fles per maand extra. Ook leuk.

Het kabinet is daarom nu zeer tevreden, vooral met zichzelf. Modale alleenverdieners met kinderen gaan er volgens Balkenende 0,7 procent op vooruit, dubbel modale zelfs 5,2 procent en tweeverdieners met kinderen 3,2 procent. Aan de voorkant lijken het «zoete» plannen. Aan de achterkant staan de deuren echter wagenwijd open. Het trimmen van de OZB oogt leuk. Maar het gaat de lokale overheden geld kosten, geld dat ze op een andere manier weer op de burger zullen moeten verhalen. Het nieuwe zorgstelsel? Er staat nog geen enkel bedrag vast omdat de zorgverzekeraars nog niet klaar zijn met hun berekeningen voor het basispakket en de aanvullende polissen. Om nog maar te zwijgen van de bureaucratische slag die de belastingdienst straks in opdracht van het antibureaucratische kabinet met in theorie vier miljoen huishoudens gaat leveren. Een loket met 800 extra ambtenaren moet al deze toeslagen uitbetalen, controleren en eventueel weer verrekenen. Ter vergelijking: zorgverzekeraar Achmea heeft per 1 november 1400 medewerkers in haar callcenter zitten om het nieuwe systeem in twee minuten uit te leggen. Alleen al het uitkeren van die toeslag kan derhalve op een drama uitdraaien.

Ook als minister Hans Hoogervorst van Volksgezondheid zich plotseling laat inspireren door Lev Trotski en de zorgrevolutie wel weet te winnen, is niet uitgesloten dat de middengroepen er komend jaar ten opzichte van de overheid helemaal niet op vooruit gaan. Wat het rijk met de ene hand geeft, zullen de lokale overheden via de OZB en de zorgverzekeraars via de premies met de hunne weer wegnemen. Vandaar dat CDA-fractieleider Verhagen (met steun van de PvdA) eist dat de hogere energierekeningen worden gecompenseerd omdat anders de mooie boodschappen van de regering bij voorbaat vervliegen.

Het is mooi meegenomen wanneer de som van alles voor modaal tot tweemaal modaal op nul uitkomt. Maar zelfs als het vakantiegeld volgend jaar toch niet verdwijnt in de rode put van ieders girorekening is er een politiek probleem: de verbondenheid van de middenklasse met de staat.

De voortgaande deregulering van de overheid heeft de burger in het midden «aan zet» gebracht. Hij of zij is verantwoordelijk. De staat is er voor de infrastructurele randvoorwaarden (veiligheid, onderwijs, toezicht) en een bescheiden herverdeling van boven naar beneden ter wille van de lieve vrede. Aan dit hervormingsbeleid ligt een ideologisch concept ten grondslag. Kort samengevat: de ontstatelijking van de politiek.

De moderne waarborgstaat, die het kabinet-Balkenende wil bouwen, is een hedendaagse variant van de negentiende-eeuwse nachtwakersstaat plus wat twintigste-eeuwse amendementen van vroegliberale en naoorlogse christen-democratische en sociaal-democratische snit. De argumenten die voor deze kennelijk noodzakelijke hervorming worden gebruikt, zijn zonder uitzondering ontleend aan de globalisering die na de val van de Muur verder is opgerukt. Met het verscheiden van het «reëel bestaande socialisme» is het vrije verkeer van kapitaal en personen pas goed op gang gekomen. Dat holt de verzorgingsstaat uit. Als we nu geen maatregelen nemen – bijvoorbeeld door de grenzen voor mensen zoveel mogelijk te sluiten en die voor kapitaal te openen – is er straks helemaal niets meer over van onze verworvenheden.

Voor de VVD biedt deze ideologie een uitgelezen kans om de maatschappij nog dieper te individualiseren en zo als politieke stroming definitief dominant te worden. Het CDA op zijn beurt gebruikt deze ideo logie voor zijn ideaal een samenleving op te bouwen als een verzameling «communities», het recente boek Overmoed en onbehagen van Bert de Vries ten spijt. Ook de PvdA is opgeschoven. «Grote delen van de arbeidersklasse en veel vrouwen zijn uit hun traditionele achterstandspositie geëmancipeerd. Er is een omvangrijke, zij het gevarieerde middenklasse ontstaan. Deze is de voornaamste betaler van de solidariteit maar heeft niet altijd voldoende profijt daarvan», aldus het nieuwe basismanifest van de PvdA, dat sinds begin dit jaar van kracht is.

De redenering klopt. Sommige protagonisten zijn hooguit zo verslingerd geraakt aan het cliché dat Joop den Uyl schuldig is aan alle problemen van Nederland – en Wim Kok aan de rest – dat ze negeren dat de verzorgingsstaat al veel langer onder druk staat. In zijn vorig jaar verschenen boek Links, rechts en de vooruitgang toont Paul Kalma, directeur van de Wiardi Beckmanstichting, overtuigend aan dat de sociaal-democratie medio jaren zeventig het strategische initiatief heeft verloren. Het essentiële vraagstuk hoe «private rijkdom en publieke armoede» in evenwicht kunnen worden gebracht, is sindsdien gereduceerd tot gemillimeter.

Met een ijzeren consequentie schetst Kalma de rode draad in de geschiedenis van de sociaal-democratie. Trefwoord: «ambivalentie», tegenover zowel het individuele als het collectieve maakbaarheids ideaal. Sociaal-democraten zijn nooit ongebreidelde apostelen van dé vooruitgang geweest, ze hebben altijd oog gehad voor het sociaal- conservatisme waarmee de burger ook is behept. Steeds zijn ze op zoek geweest naar een balans tussen vrijheid en gelijkheid, een balans die niet alleen met geld maar ook met culturele waarden kan worden gerealiseerd. Noem het broederschap of desnoods solidariteit.

Het is oneerlijk om dit rijke en inspirerende boek, dat ik tot mijn schande pas onlangs heb gelezen, zo gemakzuchtig samen te vatten. Maar opvallend is dat Kalma weinig woorden vuil maakt aan de middenklasse. Hij erkent haar bestaan, hij onderkent haar belangen. Maar de volgende stap is hem toch te ongewis.

In zijn vorige week verschenen opstellenbundel Willens en wetens: Gedachten over globalisering en politiek zet Jan Pronk die wél. In omgekeerde richting. Pronk breekt een lans voor de onderklasse die part noch deel heeft aan de vooruitgang. Door het succes van de globalisering is er niet langer sprake van een sociaal-economische tweedeling tussen winnaars en verliezers, maar tekent zich een «meerdeling» af. Culturele dominantie is daarbij de spil. Wie deelneemt aan de cultuur van de meerderheid heeft toegang tot de macht. Wie zich niet aanpast, staat buiten. «Dat geldt zowel voor Soedan als voor Nederland en Amerika», aldus Pronk. «De wereldwijde middenklasse (…) zal haar politieke positie niet ongestraft kunnen gebruiken om een stap terug te doen ten gunste van de onderklasse. Diegenen die daar wel toe bereid zijn, worden door anderen uit diezelfde middenklasse verdrongen. (…) Men zal zich voegen naar de rest van de middenklasse die de eigen positie vooropstelt, ook al beseft men dat het langere-termijn-verlicht eigenbelang van de middenklasse als geheel eigenlijk een grotere solidariteit met de onderklasse vergt. (…) Diegenen die de vooruitgang in haar huidige verschijningsvorm – de globalisering – sturen, de wereldwijde middenklasse, maken de slachtoffers willens en wetens. Zij kunnen niet anders. Als zij dat niet zouden doen, zouden zij zelf niet kunnen profiteren.»

De theorie van Pronk is op zich niet dwaas, maar bevat geen spoor van een oplossing waarmee Pronks eigen sociaal-democratie haar voordeel kan doen. En dat komt door die woorden «willens en wetens» die het «verlicht eigenbelang» overschaduwen.

De suggestie dat de middenklasse uit vrije keuze meedoet, is op haar gunstigst psychologie van de koude grond en op haar slechtst een uiting van blindheid. De middengroepen zijn namelijk niet alleen profiteurs maar ook gevangenen van de globalisering. Het vrije verkeer van arbeid en kapitaal raakt haar in het hart. De onderkant kan, cynisch gesproken, alle kanten op en doet dat ook als minister Rita Verdonk van Vreemdelingen zaken even niet oplet. Voor het vegen van de straat of het poetsen van de wc heb je geen diploma nodig, hooguit een paspoort om de schijn van integratie te wekken. Wie zijn best doet, kan bovendien een paar treden op de ladder klimmen of die weg voor zijn kinderen effenen. De bovenlaag kent evenmin barrières. De rally die het zakenblad Quote jaarlijks organiseert, is daarvan een hilarische metafoor. Minder ridicuul: wie steeds een stap voor is, zal niet dalen in het systeem. Wie altijd bereid is tot herscholing, heeft nooit gebrek aan ondergeschikten, of die nu in Bombay wonen of in Bos en Lommer. De middenklasse daarentegen leeft permanent in angst, de angst van boven of van beneden te worden verdrongen.

De maatschappelijke hiërarchie ziet er daarom anders uit dan een kwart eeuw geleden. Toen oogde de samenleving als een piramide. Nu ziet ze eruit als een dubbele zandloper met drie glazen (bovenklasse, middenklasse en onderklasse) en twee kiertjes waarin het onderlinge verkeer plaatsvindt. Dat verkeer is veel minder intens dan het ideaal van de meritocratie veronderstelt. Tussen onderkant en bovenlaag is niet zo veel beweging. De meeste verschuivingen spelen zich daartussen af. Wie aan de top zit, valt zelden twee niveaus terug. Wie onderaan bungelt, stijgt bijna nooit twee stappen tegelijk. Het gebeurt alleen in het middelste glas. De middenklasse heeft het er maar druk mee. Dat is haar noodlot.

Er komt nog iets bij. De middenklasse is territoriaal gevangen. Ze zit opgesloten binnen de grenzen van de natiestaat. Haar kwalificaties en verdiensten spelen in de mondiale economie niet zo’n grote rol. In China zitten ze niet te wachten op verpleegkundigen en onderwijzers. In Polen hebben ze geen belangstelling voor timmerlieden en loodgieters. In Zimbabwe kunnen ze de empathische dienders van onze politie missen als kiespijn. En in Kazachstan kunnen ze het wel af zonder ambtenaren van burgerlijke stand en kiesraad. Alleen twee vakanties per jaar bieden een uitweg, een moyenne dat dit kabinet juist graag afschildert als bewijs van luiheid.

Deze positie is het zwarte gat van de politiek. In de Sociologische Gids hebben Peter Achterberg en Dick Houtman daarvoor ruim twee jaar geleden een verklaring gezocht. In hun artikel Het spook van de rechtse arbeidersklasse stellen ze vast dat de kiezers niet alleen worden gedreven door materiële belangen, maar meer en meer door gedachtegoed, zoals de erflaters van Fortuyn het noemen. Verwijzend naar de grote jongens in het vak, veelal afkomstig uit de Verenigde Staten, concluderen ze dat de arbeidersklasse wordt gekenmerkt door zowel economisch progressieve opvattingen (voor economische herverdeling ten gunste van minderbedeelden) als door autoritaire (overwegend intolerante en onverdraagzame opvattingen ten aanzien van andersdenkenden). Ooit schreef Bertolt Brecht: eerst komt het vreten en dan de moraal. Nu bepaalt onze moraal wat we willen vreten.

De middengroepen laten zich al langer dan de arbeidersklasse niet meer door Brecht inspireren. Ze stemden daarom wat vaker progressief: ter wille van de nooddruftige mens en van zichzelf, omdat ze nu eenmaal vaak werkzaam waren in de quartaire sectoren die de maatschappij schraagden. Ze voelden zich eerder deel van de bovenbouw dan van de basis. Maar nu laat ook de middenklasse zich meer en meer leiden door eigen «culturele belangen», anders gezegd door angst voor de ongebreidelde dynamiek van de globalisering en de komst van nieuwe concurrenten. Pim Fortuyn heeft dat geopenbaard in 2002. Fortuyn wist, met behulp van de parvenu’s aan de bovenkant, heus niet alleen aan de onderkant in te breken. Anders zouden de VVD en de PvdA, in tegenstelling tot CDA en SP, niet zo verwoestend zijn verslagen in mei 2002. Hij heeft de bovenbouw omgetrokken.

Het tij is gekeerd? Het euroreferendum vergeten en vergeven? Er is eerder sprake van grootschalig zelfbedrog. De VVD spiegelt de middengroepen in Fortuyns voetspoor een dynamisch spel zonder nieten voor. Iedereen die zijn beste beentje voor zet, heeft in de ideale liberale samenleving al zijn succes aan zichzelf te danken. Het CDA paait de middenklasse met een rad van avontuur, waarin na de teleurstellingen altijd wel een beloning volgt. D66 bindt ons op het hart dat we meer moeten studeren en harder moeten werken, omdat we alleen zo de race kunnen volhouden. De PvdA ten slotte doet een appèl op seculiere naastenliefde uit welbegrepen eigenbelang en belooft in ruil geen collectivistische grappen meer te zullen uithalen. Alle vier denken ze dat de middenklasse zo heterogeen is dat één idee geen zin meer heeft. Onzin. De middenklasse is niet divers maar behoorlijk homogeen. Ze voelt donders goed aan dat ze niet tot in lengte van dagen profiteert, zoals Pronk nog denkt. De onderzoeken van het SCP bevestigen die houding in grote lijnen. Het harde maar stabiele Scandinavische systeem is in Nederland populairder dan de sociale flipperkast van het Angelsaksische model.

We willen helemaal geen politiek zonder staat. We willen alles tegelijk. De politieke gevolgen daarvan zijn niet te overzien. Maar een kabinet dat geld belooft hoewel het daarover veelal niet meer kan beschikken, speelt met vuur. En een oppositie die haar belangstelling bij veertigduizend euro verliest, biedt geen alternatief dat de volgende verkiezingsdatum overstijgt.

Wraak is steeds minder een gerecht dat koud wordt gegeten.