Koopman-dominee

Ontwikkelingssamenwerking ligt links en rechts onder vuur. Bij de ‘herijking’ van het buitenlands beleid won de koopman het van de dominee. Maar Novib-directeur Max van den Berg is de optimist zelve. ‘Bolkestein vind ik niet zo interessant.’
DE KOOPMAN HEEFT gewonnen van de dominee, het economisch eigenbelang van Nederland moet een grotere rol gaan spelen in het buitenlandse beleid, zo staat in de maandag verschenen ‘herijkingsnota’. De ontwikkelingsorganisaties zijn vrijwel unaniem boos. Zo niet de Novib.

Max van den Berg: ‘Dat er eindelijk een geintegreerd buitenlands beleid komt, juich ik alleen maar toe. Daar gaat de nota wat mij betreft over, en niet over het soort hulp dat gewenst is. Tot nu toe werd de hulp te vaak gefrustreerd door een economisch beleid dat er dwars tegen inging. Neem de ontwikkelingssteun aan boeren in West- Afrika, terwijl de Europese Unie tegelijkertijd de vleesoverschotten in die regio dumpte: boeren failliet. En dank zij de herijking krijgt Pronk nu toegang tot de Paris-club, een club van landen die afspraken maken over uitstaande schulden. Tot nu toe deed de minister van Financien dat.
Er was altijd al sprake van eigenbelang van het geldschietende land, alleen werd dat tot nu toe niet zo benoemd. En pas als het wordt uitgesproken, kun je erover discussieren. Ontwikkelingshulp die eigenlijk niets meer is dan exportbevordering heet voortaan hopelijk op de begroting gewoon exportbevordering, en vervolgens kan het parlement beslissen, dat lijkt me fair. De vraag is of je het risico neemt en probeert invloed te krijgen op die terreinen die nu tot andere ministeries behoren, of dat je te bang bent dat die anderen dan ook invloed krijgen op de ontwikkelingssamenwerking.’
AFGELOPEN WOENSDAG, net na de herijkingsnota en net voor de begroting van Pronk, verscheen Kostbaarder dan koralen: Een bezinning op ontwikkelingssamenwerking, geschreven door Max van den Berg en Bram van Ojik. Van den Berg: 'Waar het mij om gaat, en dat is ook de kern van ons boek, is dat er meer geld gegeven moet worden aan hulp die werkt. We weten inmiddels vrij goed wat werkt, en juist daar gaat weinig geld heen. Wereldwijd gaat slechts zeven procent van alle ontwikkelingsgeld - in Nederland is dat hoger, zo'n dertig tot veertig procent - naar sociale investeringen: educatie, basisgezondheidszorg. Ik ben ervan overtuigd dat de Nederlandse hulp de komende jaren steeds meer die bestemming krijgt, al was het maar omdat we onder druk staan om resultaat te tonen, en sociale investeringen blijken de beste resultaten op te leveren.’
Maar gaat het de critici wel om die effectiviteit, of hebben ze een ander doel voor ogen, namelijk geen internationale armoedebestrijding maar bevordering van de Nederlandse concurrentiepositie?
'Natuurlijk zijn er mensen die dat willen, en daarvoor de herijking, de ontschotting aangrijpen. Uiteindelijk kun je met zo'n nota alle kanten op, alles hangt af van het politieke krachtenveld. Maar mede dank zij de economische groei denk ik dat zowel het rechtvaardigheidsgevoel van de PvdA als het verlichte eigenbelang van de VVD aan hun trekken kunnen komen. En verder blijft er altijd het eigenbelang-denken op lange termijn. Novib, en ongetwijfeld veel meer clubs, zullen daar stevig tegen ten strijde blijven trekken.’
En het percentage geld dat naar ontwikkelingssamenwerking gaat - 0,8 procent, wat beduidend minder is dan het oorspronkelijke streven van een procent - vindt u van ondergeschikt belang?
'Nee. Maar ten eerste is dat een stijging ten opzichte van het huidige bedrag, en bovendien groeit het bedrag mee met onze welvaart, terwijl er ook mensen waren die het bedrag als zodanig wilden bevriezen. Dat is allemaal winst. En wij zijn een van de weinige landen in de wereld die op dit soort percentages zitten. Maar natuurlijk wil ik liever 0,9 dan 0,8 procent!’
U heeft blijkbaar bedacht dat het tactisch slim is om positief te zijn.
Glimlachend: 'Het tellen van je zegeningen is erg verstandig voor een beweging die te lang alleen maar de schuld van de wereld op zich gedragen heeft.’
Dat de Novib tegenwoordig vooral benadrukt wat goed gaat in ontwikkelingslanden is verstandig. Maar dat is wat anders dan het klakkeloos slikken van het kabinetsbeleid onder het mom van: 'We hebben toch al zo'n chagrijnig imago.’ Trek eens de vergelijking met de minister van Milieu. Minister Alders wilde juist graag dat de milieubeweging forse kritiek had, des te sterker kon hij zich maken in het kabinet.
'Ik weet niet of dat werkt. Dat kan alleen zolang het meer is dan een spel, zolang die kritiek ook steunt op een breed draagvlak in de samenleving. En wat betreft ontwikkelingshulp is de steun ervoor in Nederland weliswaar veel groter dan in andere landen - zeventig procent wil niet bezuinigen - maar er is ook een hoog percentage dat sceptisch staat tegenover de resultaten. Dus dat betekent dat er een dijkdoorbraak in negatieve zin kan ontstaan.
De tendens gaat ook in de richting van noodhulp, wat heel ongelukkig is. Het zielige krijgt de overhand, daar gaat de beurs voor open. En de structurele hulp raakt uit beeld, is niet meer spannend, ook wat de media betreft. Noodhulp is nodig en nuttig, maar op den duur is het gewoon dweilen met de kraan open. Maar het is niet of-of, het gaat mij vooral om de manier waarop die noodhulp wordt gegeven. Ze gaat vaak voorbij aan wat er in een land aan lokale structuur, aan sociale beweging is. Er ontstaat een internationale noodhulpshow, waarbij fundamentele inzichten over het ontwikkelingsproces domweg terzijde worden geschoven.’
VAN DEN BERG is net terug van de vrouwenconferentie in Beijing. 'Heel boeiend hoor, ik heb een week zitten lobbyen, heel spannend. Met z'n allen kun je ervoor zorgen dat er toch iets verschuift. Onze collega’s in Uganda lobbyen bij hun overheid, en ik doe dat bijvoorbeeld bij de Europese Unie, en iemand anders doet hetzelfde met de Verenigde Staten. Uiteindelijk is het resultaat dat al die landen er bij de Wereldbank op zullen aandringen om iets te doen aan de schulden van de 32 Afrikaanse zogeheten “severely indebted low-income countries”, een vreselijke term voor de grootste-schuldenlanden. Want je kunt wel mooie dingen zeggen over scholing en gezondheidszorg voor vrouwen, maar ondertussen zijn die landen hun hele overheidsbudget kwijt aan rente en afbetaling.’
Ontwikkelingshulp en schuldsanering worden steeds vaker verkocht met het argument dat de rijke landen er belang bij hebben dat het beter gaat met bijvoorbeeld Afrika. Is het niet gevaarlijk om zo ver mee te gaan in het belang-denken?
'Het gaat niet om een strategische truc, ik ben er werkelijk van overtuigd dat de rijke landen er op termijn belang bij hebben dat Afrika niet in ontbinding raakt, niet alleen vanwege de migratiestromen, maar ook omdat ontbinding overslaat. En waarom zou je dan dat argument niet gebruiken? Bram de Swaan heeft aangetoond hoe essentieel eigenbelang is als motor. Binnen de Europese Unie hoor je steeds vaker dat het genoeg is om Noord-Afrika en Oost- Europa te “stabiliseren”, dat je dan met de rest weinig te maken hebt. Dat is toch weer het idee van een muur, erg kortzichtig.’
'Kostbaarder dan koralen’ bevat nauwelijks kritiek op Bolkestein.
'Vind je? Ik vind een genuanceerdere discussie inderdaad interessanter. Bolkesteins mening komt erop neer dat we er ten eerste niks te maken hebben en ten tweede dat de mensen in ontwikkelingslanden het beste af zijn als je de vrije markt z'n gang laat gaan. Hoe denkt hij dan over de Marshallhulp? Met Ferdinand van Dam (Nederlands ambassadeur bij de Oeso, vroeger werkzaam bij ontwikkelingssamenwerking - red.) heb ik veel zinvoller discussies gehad. En Hans Achterhuis bijvoorbeeld, die heel interessant heeft betoogd over de afhankelijkheid die ontwikkelingshulp teweegbrengt, dat neem ik serieus. Maar dat is een heel andere discussie dan Bolkestein voert. Kijk, je kunt als je een rode lap wordt voorgehouden eropaf rennen, je kunt ook zeggen dat dat nou even niet jouw wedstrijd is.
Ons boek is in zoverre een oratio pro domo dat ik ervan overtuigd ben dat hulp alleen werkt als mensen er zeggenschap door krijgen over hun eigen leven. Hoe bewerkstellig je vooruitgang zonder dat het de sociaal-culturele structuur kapot maakt, dat vind ik de interessantste vraag. Vergis je niet hoeveel mensen precies de tegenovergestelde redenering volgen: zorg voor economische groei op macroniveau en dan komt de rest vanzelf wel. De trickle down- theorie: de welvaart sijpelt vanzelf door naar de armen en op termijn komt er ook wel democratie. Dat lijkt me erg gemakzuchtig gedacht, autocratische bewinden hebben het erg lang volgehouden in de wereld, ook historisch. Mensen in het Zuiden hebben niet minder dan wij de essentiele behoefte om voor de eigen rechten op te komen, het gevoel van “no somos perros”, we zijn geen honden.’
U BENT WEL een groot voorstander van de vrije markt.
'Een vrije, faire markt is van het allergrootste belang, want op de markt wordt duidelijk wat mensen belangrijk vinden, wat hun behoeften zijn. Maar wat nu de vrije markt heet, laat zich met al z'n monopolies, kartellen en gemarginaliseerden juist weinig gelegen liggen aan wat mensen zelf willen. Maar ook ik ben veranderd. Mijn denken gaat minder over louter eerlijk verdelen en meer over mensen de kans geven, toegang geven tot.’
Dat betekent een sterkere sturing door degene die het geld heeft, of het nu om ontwikkelingshulp of om uitkeringsgerechtigden gaat.
'Ja. Natuurlijk mag iedereen zelf weten of hij cola koopt of iets anders, maar niet van mijn belastingcenten. Ik zie er helemaal geen kwaad in als een intelligente overheid gericht stimuleert. Als je weet dat onderwijs aan meisjes op termijn meer zoden aan de dijk zet dan het uitdelen van voedsel, of als je weet dat opleidingen het eigen initiatief meer stimuleren dan hoge uitkeringen.’
Ik heb de indruk dat Pronk de komende jaren meer blanco cheques gaat uitschrijven. Hij zit natuurlijk met het dilemma dat hij enerzijds wil sturen - vrouwen, milieu, armoede - maar anderzijds ook de ontvangers van hulp in hun waarde wil laten.
'De uitweg uit dat dilemma is dat de geldgever en de ontvanger stevig met elkaar in debat gaan. Het is onzin om te doen alsof wij het het beste weten, maar het is evenzeer onzin om ervan uit te gaan dat de ontvangers het beste met de armen voorhebben. Je zult samen zaken moeten doen. Dat Pronk minder projecthulp wil geven en meer zogeheten programmahulp, komt niet neer op blanco cheques. Het betekent wel dat de ontvanger binnen marges meer zelf kan bepalen waar het geld voor gebruikt wordt en dat het geld meer gericht is op de ontwikkeling van bijvoorbeeld een dorp als geheel, in plaats van voor een landbouwproject.’
STAAT U ZWAKKER bij het stellen van eisen aan ontwikkelingslanden nu bijvoorbeeld in Nederland de welvaartsverschillen groter worden en Nederland het ook niet zo nauw neemt met het milieu?
'Ik heb eerder het idee dat het een band schept dat het hier ook niet allemaal fantastisch is. Neem de toename van het racisme, dat interesseert de partners in het zuiden zeer. Hoe is het zo ver gekomen, wat doen we eraan? Een heel ander voorbeeld: als wij vertellen over de sociale strijd aan het begin van deze eeuw. Dan blijkt dat Nederland nog niet zo lang geleden met soortgelijke vraagstukken kampte als zij nu.’
Als ergens het vooruitgangsdenken essentieel is, is het bij ontwikkelingssamenwerking. Dat heeft de laatste tijd een klap gekregen. Of hebben Joegoslavie en Ruanda u niet aangetast?
'Er zijn twee soorten vooruitgangsdenken. Het eerste, het klassieke sociaal-democratische vertrouwen in technologische en economische ontwikkeling die leidt tot meer mogelijkheden voor onze mensen, heeft in de jaren vijftig en zestig al een flinke knauw gekregen, en terecht. Te laat zijn ecologische en culturele waarden geintegreerd. Maar wat u bedoelt is denk ik het andere vooruitgangsdenken, de hoop dat je invloed kunt hebben op de loop van de geschiedenis. Ruanda en ex-Joegoslavie benemen me wel de adem, maar niet de drang om wat te doen. We zijn bijvoorbeeld begonnen om via lokale clubs in Somaliland dorpsoudsten bij elkaar te brengen. Dat stimuleert de stabiliteit, het werkt. In Ruanda steunen we een aantal mensenrechtenclubs die in Kigali huis aan huis zijn gegaan om te noteren wat er allemaal is gebeurd. Niets doen kan ik me niet indenken, ook al zul je niet altijd kunnen voorkomen dat het opnieuw ontspoort. Ik ben opgevoed met het idee dat als je iets wil bereiken, je het moet organiseren en dan krijg je het voor elkaar - en eigenlijk denk ik dat nog steeds, al is het minder lineair geworden, meer zicht op complexiteit.
Juist omdat wij hier in het Westen zo veel aarzelender zijn geworden over idealen, is de confrontatie met mensen die wel iets voor elkaar krijgen hartstikke stimulerend. En gaat er nog zoveel mis. Een paar weken geleden was ik in West-Afghanistan en ik was zeer onder de indruk van de lokale organisaties daar, mensen die in een heel feodale samenleving eigen onderwijs opzetten, vrouwen die de leiding nemen. En nu hoor ik vandaag dat de Taliban ook dat gebied bezet heeft. Maar betekent dat dat je er nooit iets had moeten proberen? Ik vind van niet.’