Philips in de Tweede Wereldoorlog

Koopman en spion

Sommige managers van Philips spioneerden in de Tweede Wereldoorlog voor de nazi’s, aldus een recent vrijgegeven inlichtingenrapport. Nader onderzoek van Marcel Metze en het radioprogramma Argos leidde tot een verrassende ontdekking.

OP 15 DECEMBER 1941, vier dagen nadat Adolf Hitler de VS de oorlog had verklaard, stuurde de secretaris van de Amerikaanse Philips Trust, gevestigd aan East 49th Street, New York City, een memorandum naar Washington. In negen pagina’s beschreef hij Philips’ dochterbedrijven in Spanje, Portugal, Zweden, Zwitserland en Turkije - allemaal neutrale landen van waaruit contact met Duitsland mogelijk was - en benadrukte hij dat al hun managers pro-Ally waren. Het memo werd onlangs ontdekt in het Amerikaanse nationaal archief. Het omringende dossier laat zien dat Philips de genoemde managers in januari 1942 heeft aangeboden als informanten voor het Office of Strategic Services (OSS), de voorloper van de CIA.
Deze jonge inlichtingendienst had wel oren naar Philips’ uitstekende trans-Atlantische verbindingsnet. Tegelijkertijd groeide elders in de Amerikaanse intelligence community twijfel, want die lijn kon net zo goed in omgekeerde richting worden ingezet. Er volgde nader onderzoek dat in de zomer van 1943 uitmondde in een rapport van duizend pagina’s. Conclusie: enkele van Philips’ managers in Zuid-Amerika waren nazispionnen of -sympathisanten, het concern had dubieuze contacten en vormde een gevaar voor de geallieerde economische oorlogvoering.
The Philips Concern belandde onlangs bij het radioprogramma Argos.1 Het rapport levert een schat aan nieuwe details over de manier waarop Philips in de oorlog zaken bleef doen. Voor de beschuldiging van spionage voor de nazi’s verwijst het naar ‘geheime rapporten’. Maar wat is waarheid en wat verdichting in de wereld der inlichtingendiensten? Toen Argos en ik nader onderzoek instelden, stuitten wij op een ander dossier - en op de vraag: was Philips vijand én vriend, misschien zelfs dubbelspion?2

PHILIPS nam vermoedelijk zelf het initiatief voor het contact met het Office of Strategic Services. Op maandag 12 januari 1942, drie uur ’s middags, vervoegde Herman van Walsem zich bij het OSS-kantoor te Washington. Van Walsem, een 54-jarige, gedistingeerde, pijprokende jurist werkte al drie decennia voor Philips. Na zijn indiensttreding in 1919 had hij zich ontwikkeld tot consigliere, in boven- én ondergrondse aangelegenheden, van toenmalig topman Anton Philips. Hij was een onverschrokken onderhandelaar en een koele analyticus, met als belangrijkste charme een droge humor. Van Walsem was sinds 1939 lid van de hoofddirectie die verder bestond uit president-directeur ir. Frans Otten, marketingman Othon Loupart en Antons zoon ir. Frits Philips.
In zijn gesprek met het OSS legde Van Walsem direct zijn kaarten op tafel. De top van Philips was na de invasie van Nederland naar de VS uitgeweken, samen met Anton Philips (intussen gepensioneerd en president-commissaris) en enkele hoge stafleden. Anderhalf jaar had men via de dochterbedrijven in neutrale Europese landen aardig contact kunnen houden met de dochters in Duitsland en bezet gebied, dus ook met Frits Philips, die was achtergebleven om de fabrieken in Eindhoven te leiden. Nu de VS en Duitsland in oorlog waren, gold een verbod op dergelijk contact. Van Walsem opperde een deal. Als Philips ontheffing kreeg, zou het zijn communicatiekanalen beschikbaar stellen aan het OSS. Onze mensen in Eindhoven leveren via Zwitserland ook wel eens strategische informatie aan de Britten, zei hij. OSS-medewerker W.B. Booth was onder de indruk van Van Walsem. Hij negeerde een sceptische kanttekening van de FBI en adviseerde uitwerking van het voorstel.3
Dat duurde even, maar eind mei '42 ontmoette Van Walsem het hoofd van het OSS-kantoor in New York, Allen Dulles. Tijdens een lunch raakte ook die ervan overtuigd dat Philips - en vooral de managers in Genève, Lissabon, Madrid, Istanbul en Stockholm - 'van werkelijk nut voor ons kan zijn’ en dat 'wij via contacten in een of meer van deze locaties lijnen kunnen leggen naar bezet gebied en vijandelijke landen’.4 Het enthousiasme van Dulles (die na de oorlog de leiding zou krijgen over de opvolger van het OSS, de Central Intelligence Agency) was begrijpelijk. President Roosevelt had het OSS in 1941 opgericht om samenwerking tussen de bestaande inlichtingendiensten te forceren. Die verzetten zich echter tegen de nieuwkomer. Met succes, want in juni 1942 (dus kort na de ontmoeting Dulles-Van Walsem) verloor het OSS zijn status van presidentieel bureau en kwam het onder militair gezag. Vervolgens zetten de FBI (binnenlandse inlichtingen), de MIS (militaire inlichtingen, ook wel bekend als G2) en het ONI (marine-inlichtingen) zoveel mogelijk piketpaaltjes. De MIS weigerde de jonge collega toegang tot onderschepte Duitse en Japanse codeberichten, de FBI eiste het binnenland voor zich op en de Coördinator van Inter-Amerikaanse Zaken vond dat alleen zijn bureau inlichtingen mocht verzamelen over 'on-Amerikaanse’ personen en bedrijven in Latijns-Amerika. Het OSS kon dus wel een opsteker in de vorm van een interessant Europees informatienetwerk gebruiken.5

MIDDEN in deze stammenstrijd probeerde de Philips-directie vanaf de zesde verdieping van het Roosevelt Hotel op Manhattan, waar zij kantoor hield, de genoemde ontheffing van het verbod op contact met vijandelijk gebied te bedingen. Zij schakelde Dulles en het OSS ook in voor een andere gunst, van op het eerste gezicht ondergeschikt belang, namelijk het verwerven van een inreisvisum voor Wolter Wolthers, de topman van haar dochterbedrijven in Argentinië. Dulles steunde Philips ook hierin, maar hij bleek niet bij machte om bezwaren uit andere hoek te overstemmen. Sterker, na Dulles’ vertrek uit New York in het najaar van 1942 (hij ging voor het OSS naar Bern, Zwitserland) zou Wolthers uitgroeien tot hét symbool van het wantrouwen jegens Philips, zoals dat elders in de intelligence community aanwakkerde.
Wolter Wolthers was toen 41 jaar. In 1927 had hij als 26-jarige de leiding gekregen van Philips Spanje. Hij was uiterst commercieel, steeds op zoek naar de mazen in de wet. In 1936 kreeg hij de leiding over de dochterbedrijven in Argentinië, die de spil vormden van de concernactiviteiten in Zuid-Amerika.6
Herman van Walsem bracht de haperende visumaanvraag van zijn directeur in Argentinië al kort na zijn eerste contact met Allen Dulles te berde, en wel in juni '42. Wolthers had waardevolle inlichtingen, zei hij, onder meer over Spaanse en Duitse geheim agenten in Argentinië. Dulles liet zich overtuigen, maar tevergeefs, want het State Department bleef weigerachtig. Dat Wolthers zich eerder in Spanje pro-Franco had getoond, was niet het probleem. Dat viel de hele internationale zakenwereld te verwijten. Maar Wolthers had familie in bezet Nederland (en was dus kwetsbaar voor eventuele Duitse druk tot spionage) en er liep ook nog een onderzoek (mogelijk van de FBI) naar president-commissaris Anton Philips.7
Wat niet hielp was dat Wolthers intussen de Amerikaanse economische autoriteiten ongegeneerd tegen zich in het harnas joeg. Precies die junimaand van 1942 vroeg hij zijn relaties bij de Argentijnse centrale bank om een importverbod voor Amerikaanse radiobuizen. Philips Argentinië kon die meer dan genoeg leveren. Het State Department, dat dit via zijn ambassade hoorde, was not amused. Maar Wolthers creëerde zonder blikken of blozen een tweede incident. De VS importeerden Argentijns wolframerts maar leverden van het daarmee geproduceerde wolframdraad slechts kleine hoeveelheden terug - tot ergernis van Philips Argentinië, dat dit nodig had als gloeidraad voor zijn lampen en radiozender- en ontvangbuizen. Wolthers suggereerde de Argentijnse regering om de export van het - strategisch belangrijke - wolframerts te beperken en de VS zo te dwingen meer wolframdraad te leveren. De Amerikaanse autoriteiten namen deze interventie uiterst hoog op. Wolthers kon uiteraard naar zijn visum fluiten. Bovendien eiste de Board of Economic Warfare, die verantwoordelijk was voor de strategische grondstoffenvoorraden van de VS, zijn ontslag. Zo niet, dan zou men Philips’ exporten van onderdelen vanuit de VS lamleggen (en daarmee de hele productie in Latijns-Amerika).8
In eerste instantie had dit dreigement geen invloed op het contact tussen Philips en het OSS. De gesprekken (met vooral hoofddirecteur Van Walsem) concentreerden zich op Philips Spanje als informatiekanaal en misschien zelfs dekmantel voor spionageacties in Europa. Maar op 31 oktober '42 ontving William Donovan, het hoofd van het Office, een brief van de militaire inlichtingendienst. Philips had zijn diensten ook aan de MIS aangeboden en dat was nuttig gebleken, schreef generaal-majoor George Strong, plaatsvervangend lid van de Joint Chiefs of Staff en dus Donovans superieur. 'Om verdubbeling en verwarring te voorkomen, is het wenselijk dat de Military Intelligence Service de enige VS overheidsdienst is die contact houdt met de Philips-organisatie.’ Het OSS moest zijn eigen contact met Philips verbreken.9
Intussen volgden andere Amerikaanse autoriteiten het concern met argusogen. Datzelfde najaar 1942 maakte het bureau van de US Censorship een rapport over het briefverkeer tussen de verschillende Philips-vestigingen zoals het dat vanuit New York, Bermuda, Miami, New Orleans en andere plaatsen had onderschept. Gevoegd bij informatie van het Bureau voor Economische Oorlogvoering en andere instanties wettigden deze brieven volgens de censor een uitgebreid onderzoek door 'een overheidsdienst die toegang heeft tot alle beschikbare informatiebronnen’. Die opdracht kwam, o ironie, terecht bij het OSS, waar een of enkele analisten hun bevindingen in de zomer van 1943 neerlegden in een lijvig dossier met de titel The Philips Concern.10
De auteurs verrichtten grondig werk. Ze worstelden ongeveer alles door wat de diverse inlichtingendiensten de voorgaande jaren over Philips hadden verzameld: onderschepte brieven van managers in de VS, Europa en Latijns-Amerika, inlichtingenrapporten over specifieke individuen en een hele berg rapporten over Philips’ dochterbedrijven en zakenpartners in met name Latijns-Amerika om na te gaan of die zaken deden met (bedrijven in) Duitsland. Zelfs met deze enorme hoeveelheid gegevens bleef de bewijsvoering 'fragmentarisch’, gaven de auteurs toe, mede doordat Philips’ managers hun meest gevoelige informatie niet aan het papier toevertrouwden. Het stuk bewees niettemin overvloedig dat de twee delen waarin het concern door de oorlog was opgesplitst, op allerlei manieren met elkaar in verbinding waren gebleven.
De eerste vier, vijf maanden na de Duitse invasie waren verwarrend geweest. Maar in het najaar van 1940 hadden de directie Eindhoven en de hoofddirectie New York besloten de koppen bij elkaar te steken. Tijdens een topconferentie in Boedapest hadden hun vertegenwoordigers om te beginnen de zeggenschap over de vestigingen in de neutrale Europese landen geregeld. Eindhoven - het hart van Philips’ Europese productienetwerk - zou die vestigingen blijven bevoorraden met onderdelen. Bovendien hadden New York en Eindhoven elkaar beloofd de licentie-inkomsten en dividenden aan beide zijden van de frontlijn netjes te verdelen en elkaar niet juridisch te bevechten.11
Philips’ bedrijfshistoricus Ivo Blanken heeft de contacten tussen de directies en managers in bezet en vrij gebied als beperkt en incidenteel omschreven. Het rapport van het OSS (dat Blanken niet kende) toont aan dat ze wel degelijk frequent en structureel zijn geweest. Neem de vestiging in Spanje, die waarschijnlijk 'de meest nauwe verbindingen met Eindhoven’ onderhield van alle Philips-vestigingen buiten bezet Europa. De Nederlandse regering in ballingschap gaf Philips ontheffing van decreet A6 (het verbod op contact met vijandelijk gebied), en de aanvoer van onderdelen vanuit Eindhoven naar Spanje was dus niet illegaal. Maar de Spaanse route bood ook gelegenheid tot minder zichtbare handel en contacten. Dat gold nog meer voor de Zwitserse route.
In Genève werd Philips vertegenwoordigd door de jurist Werner Brümmer, een Duitser met de Nederlandse nationaliteit. Uit zijn onderschepte maandoverzichten kwam die naar voren als een sleutelfiguur in velerlei zakelijke transacties binnen én buiten Europa (onder meer met Philips Argentinië). Brümmer regelde patentkwesties, zorgde voor de clearing van internationale betalingen en onderhield juridische contacten met de Duitse elektrotechnische bedrijven waarmee Philips tot het uitbreken van de oorlog in het Phoebus-kartel had samengewerkt. Hij was ook een schakel in de meest gevoelige trans-Atlantische contacten. Vanuit Eindhoven kreeg hij regelmatig bezoek van 'Willem’ (het OSS wist niet dat het ging om mr. Willem de Graaff, die voor de oorlog Philips’ eigen inlichtingendienst had geleid en dankzij goede contacten met de Gestapo en de Sicherheitsdienst tijdens de oorlog meer dan twintig keer naar Zwitserland kon reizen). Brümmer briefde diens informatie door aan Robert Bult, van oorsprong Nederlander, die als inkoper voor het Zwitserse leger regelmatig naar de VS reisde en daar ook Philips’ president-directeur Frans Otten trof.12
Een derde knooppunt was Portugal. Met regelmaat reisden Philips-managers van Lissabon naar Zuid-Amerika en New York en omgekeerd. In de Portugese hoofdstad ontmoetten zij, deels openlijk maar soms op geheime locaties, collega’s vanuit Zwitserland, Vichy-Frankrijk en (met speciale Duitse toestemming) Nederland. Het OSS vermoedde dat zo een breed scala aan technische, commerciële, industriële en politieke gegevens vanuit bezet gebied werd doorgesluisd naar Londen (Philips had grote bedrijven in Engeland) en New York. Een deel werd verzonden per (Nederlandse) diplomatieke post of via persoonlijke boodschappers, afhankelijk van de gevoeligheid. Daar had het OSS geen toegang toe. Maar ook in sommige gewone, wel onderschepte brieven trof men codetaal, verwijzingen naar microfilms en naar pakjes met vage inhoud, en zelfs verhalen over een Franse geheim agente die een speciale draad (vermoedelijk wolframdraad) vanuit Lyon naar Spanje smokkelde.13

DE HELFT van het OSS-rapport was gewijd aan Philips’ activiteiten in Latijns-Amerika. In alle landen van dit werelddeel woonden en werkten, vaak al vele decennia, Europese immigranten, deels van Duitse afkomst. Philips had dus onvermijdelijk talrijke zakelijke contacten die als 'verdacht’ aan te merken vielen. De administrateur van de vestiging in Santiago, bijvoorbeeld, was een Oostenrijkse immigrant die volgens het OSS geheime bijeenkomsten van Chileense nazi’s bijwoonde. In Bogotà belandde Philips’ verkoopagent op de Amerikaanse zwarte lijst. Het handelsagentschap in Paraguay werd gerund door (volgens het OSS) Italiaanse fascisten. In Venezuela had Philips een zakenrelatie die mogelijk een Duitse spion was, en een distributeur die contact had met dubieuze firma’s in Peru en Argentinië. Zo gaat het tweehonderd pagina’s door, soms concreet onderbouwd, maar vaker gebaseerd op vermoedens en roddel.
Een van de meer interessante beschrijvingen betreft die van Philips’ radiolaboratorium in Argentinië, dat geleidelijk volliep met technici en onderzoekers die uit Europa ontsnapten, soms met meenemen van belangrijke patenten. Philips gebruikte een octrooikantoor in Buenos Aires om patenten op vindingen uit Eindhoven - vaak verbeteringen van bestaande technologie - door te schuiven naar de VS. De auteurs van het OSS-rapport vroegen zich af waarom de Duitsers dit toestonden en wat hier voor hen tegenover stond, maar bleven het antwoord daarop schuldig.14
Het OSS trok uit dit alles stevige conclusies. Philips’ communicatiesysteem reikte van Eindhoven tot New York. Het concern gebruikte koeriers om geheime informatie over te brengen, mogelijk ook in omgekeerde richting. In bijna alle landen van Latijns-Amerika stonden (voormalige) handelsagenten en zakenpartners op de Amerikaanse en Britse zwarte lijsten wegens verdenking van nazisympathie of zelfs spionage voor de nazi’s. Philips’ man in Argentinië, Wolter Wolthers, was volgens het OSS zo'n spion, en dat gold mogelijk ook voor Marinus van Agt, de topman van Philips Brazilië. Het topmanagement in New York hield hun en andere werknemers met nazisympathieën de hand boven het hoofd. Geen wonder, want de president-directeur van Philips, Frans Otten, verdiende ronduit de kwalificatie 'polite fascist’, getuige zijn pleidooi, in een memo van mei 1943, voor een corporatistische staat in naoorlogs Nederland.
Door dit alles 'vormen de bestaande situatie en het gedrag van het Philips-concern een duidelijk en actueel gevaar voor de veiligheid van de United Nations (= Geallieerden - mm) in oorlogstijd’.15 Het OSS vond dat Philips nog veel grondiger moest worden onderzocht en zeker strakker moest worden aangelijnd. De Britten en Amerikanen moesten het bedrijf niet meer zo veel geheime overheidsopdrachten verlenen en het via politieke druk dwingen om zijn dubieuze relaties in Latijns-Amerika te verbreken en (vermeende) nazi-aanhangers te ontslaan.16

ALS DEZE aanbevelingen waren overgenomen, hadden ze Philips zeker commerciële schade berokkend. Maar er gebeurde niets. Eind augustus 1943 stuurde een inlichtingenman van het State Department een kopie naar een collega van Economische Studies. Deze OSS-rapporten, schreef hij in een begeleidend briefje, bevatten soms waardevolle aanwijzingen, maar men moet voorzichtig omgaan met de conclusies.17 De enige kop die rolde was van Wolter Wolthers, en zelfs die maar een beetje. Volgens het OSS was op een zeker moment 'ontdekt dat hij in contact stond met het Duitse spionagesysteem’. Onder druk van (waarschijnlijk) het Bureau of Economic Warfare reisde hoofddirecteur Othon Loupart in juli 1943 naar Buenos Aires om Wolthers van zijn post te ontheffen. Maar toen Philips hem direct weer in dienst nam bij de moedermaatschappij op Curaçao, en hem de zaken in Argentinië nog een tijdlang vanuit de achtergrond liet bestieren, grepen de Amerikanen niet in.18
Waarom bleef Philips buiten schot? Waarom belandde het ondanks al zijn dubieuze verbindingslijnen, contacten en medewerkers niet minstens op de Amerikaanse zwarte lijst? Ook de auteurs van het OSS-rapport vroegen zich dit af, maar ze kwamen niet verder dan 'handig manoeuvreren’.19 Zelf dacht ik aanvankelijk dat de roddelfactor van het OSS-rapport de doorslag moest hebben gegeven. Zeker de bewijsvoering voor spionage en nazisympathieën was in een aantal gevallen te dun, soms zelfs grotesk. Neem het geval Marinus van Agt, Philips’ topman in Brazilië. Deze had op 10 mei 1940, de invasie van Nederland, een feestje van zijn zestienjarige dochter niet afgelast hoewel daar ook kinderen van Duitse afkomst bij aanwezig zouden zijn. Van Agt was tevens consul. Hij had de klachten over de kwestie uit de Nederlandse gemeenschap te Rio de Janeiro gebagatelliseerd en geen gevolg gegeven aan de suggestie van ambassadeur Daniëls dat hij maar beter zijn Duitse huishoudster kon ontslaan. Toen hij bovendien niet meebetaalde aan een (vrijwillige) inkomstenbelasting van de Nederlandse regering had die hem vervolgens zijn consulaat ontnomen. Van Agt had duidelijk geen diplomatiek talent, maar hem op grond van dit alles als nazi-aanhanger brandmerken ging zelfs in het wantrouwende klimaat van de Tweede Wereldoorlog wel erg ver.
Toch, de verklaring dat het OSS-rapport vanwege zwakke bewijsvoering niet serieus is genomen en daarom in de la is beland, gaat niet op. Begin 1944 vond het rapport zijn weg naar het ministerie van Justitie en van daaruit naar de pers. Met de nodige impact. Een krant in New York schreef: 'American and German Branches of NV Philips Combine Continue Co-operation after Pearl Harbor’. De Amerikaanse Senaat nam deze berichten ernstig genoeg om er hoorzittingen aan te wijden.20
Pas zeer recent is duidelijk geworden waarom ook die hoorzittingen eindigden met een verklaring dat er geen reden was om Philips sancties op te leggen. De sleutel ligt bij The Pond, een zeer geheime spionageorganisatie die in 1942 binnen de militaire inlichtingendienst was opgezet en die tot medio jaren vijftig actief is geweest. De CIA heeft het archiefdossier van The Pond al in 2007 grotendeels vrijgegeven maar het is nooit grondig bestudeerd. Vorige week ontving ik 150 pagina’s memo’s en brieven, waaruit glashelder blijkt dat Philips The Pond financieel heeft gesteund en er ook als dekmantel voor heeft gefungeerd.
De initiatiefnemer en leider van deze spionageclub was John Grombach, een legerkapitein met wie Philips al voor de oorlog, toen hij nog geluidstechnicus was, contact had. In eerdere publicaties over Grombach is zijn relatie met Philips wel genoemd, maar alleen in algemene termen. De nu opgedoken stukken bieden geen zicht op Grombachs secret operations (hij schijnt wilde plannen te hebben gehad, zoals een aanslag op Benito Mussolini met hulp van de maffia). Ze laten wel zien dat Philips zijn trans-Atlantische communicatienetwerk en een aantal managers wel degelijk actief en met volle medewerking van de hoofddirectie heeft ingezet om geheime informatie vanuit Europa naar de VS te sluizen - niet via het OSS, waarmee het contact was verbroken, maar via The Pond.
De deal met Grombach en het hoofd van de Military Intelligence Service (generaal Kroner) kwam vermoedelijk begin 1943 tot stand en hield in dat Philips, onder de codenaam V Company, bij wijze van dekmantel zijn zakelijke verbindingslijnen met bezet Europa zo goed mogelijk in stand zou houden - wat uiteraard ook in het commerciële belang van het concern zelf was. Naar het schijnt is de Nederlandse regering met dit doel verzocht om Philips hiertoe structurele ontheffing van decreet A6 te verlenen (het Nederlandse verbod op contact met vijandelijk gebied).21 Omdat zij zo geheim was, bleef de dekmantelconstructie uit het zicht van de andere Amerikaanse inlichtingendiensten en ook van het reguliere OSS.
Medewerkers van het OSS-kantoor New York probeerden na het contactverbod van de militaire inlichtingendienst toch met de Philips-top in gesprek te blijven. Maar Herman van Walsem verschool zich achter de mededeling dat de MIS ook hem had geïnstrueerd om het contact te staken. Mogelijk vernam alleen OSS-topman William Donovan de ware reden. Hij zette zijn verzet tegen het contactverbod nog bijna drie maanden voort - tot hij het na een gesprek met MIS-baas generaal Kroner plotseling staakte.22

DE GROMBACH-DOCUMENTEN vergen nog veel nadere studie. Maar nu al staat vast dat de oorlogsgeschiedschrijving over Philips flinke bijstelling behoeft. Marinus van Agt in Brazilië, door het OSS afgeschilderd als 'nazisympathisant’, blijkt een van Grombachs contacten te zijn geweest. Hetzelfde geldt voor 'nazispion’ Wolter Wolthers. Philips’ besluit om hem uit zijn functie te ontheffen maar toch in dienst te houden, was gearrangeerd. Grombach wilde zijn man zo lang mogelijk in Argentinië houden en was bang dat hij bij een compleet ontslag een gevaar voor Amerika zou worden - waarmee hij mogelijk bedoelde: The Pond aan de Duitse geheime dienst zou kunnen verraden.
Grombach had Philips’ geheime koeriersdiensten hoog zitten, volgens hem 'zouden ze geen moeite moeten hebben om belangrijke informatie over het oorlogsverloop voor ons Europa uit te krijgen’. Toen Philips begin 1944 in de pers en de Senaat onder vuur kwam, riep hij zijn superieuren van de MIS op zich actief in te zetten om schade te voorkomen. Het is dus niet uitgesloten dat Philips dankzij de connectie met The Pond een sanctie wegens ontduiking van het verbod op contact met de vijand en een verbanning naar de zwarte lijst heeft ontlopen.23
Betekenen deze ontdekkingen nu dat Philips zich voorgoed van alle verdenking van nazispionage gezuiverd kan achten? John Grombach schreef over Frans Otten en zijn andere contactpersonen bij het concern in een memo: zij spelen geen dubbelspel. Maar uit zijn angst dat Wolter Wolthers bij ontslag een gevaar zou kunnen worden, spreekt ook twijfel. Over goede spionnen kan men immers nooit helemaal zeker zijn…
Het Grombach-dossier in het Amerikaanse Nationaal Archief bevat bovendien enkele documenten (met onduidelijke status) over verdenkingen van dubbelspel door enkele managers van Philips in bezet Europa. The jury is dus still out, en zal dat blijven tot onafhankelijk onderzoek in Amerikaanse, Duitse, Britse en Nederlandse archieven - inclusief die van Philips zelf - definitief uitsluitsel geeft. Intussen staat één ding vast. Philips heeft tijdens de oorlog inderdaad uiterst handig gemanoeuvreerd tussen de rol van koopman en spion, daar waren het OSS en John Grombach het roerend over eens.24


Het onderzoek
Kort geleden ontdekte de inlichtingenexpert Erich Schmidt-Eenboom ruim duizend pagina’s, 'geheim’ en 'niet voor buitenlanders’, in de US National Archives. Documenten over Philips in de Tweede Wereldoorlog, afkomstig van het Office of Strategic Services, de voorloper van de CIA. Het radioprogramma Argos en onderzoeker Marcel Metze analyseerden ze en stuitten op een dossier vol secret en top secret documenten over Philips en het geheime spionagenetwerk The Pond. Argos wijdde op 25 februari een uitzending aan dit onderwerp. De Groene Amsterdammer publiceert nu een eerste verslag van Marcel Metze.


Voetnoten

1 Ik dank de redactie van Argos, die mij dit dossier beschikbaar stelde en speciaal redacteur Gerard Leenders, die aanvullend onderzoek deed. Argos is het onderzoeksjournalistieke programma van Vpro/Vara/Human.

2 Brief Stacy Jones, secretaris van het Advisory Committee van de Amerikaanse Philips Trust, aan W. Booth, Office of the Coordinator of Information, 15 december 1941, in: National Archives and Records Administration (NARA), Archiefnummer RG226, Records of the Office of Strategic Services, A1 - 210, inventarisnummer WM14534, declassified NND974345. The Philips Concern (vanaf hier aangeduid als: OSS rapport): NARA, RG226/WM10959/001-005. 'Dekmantel’: notitie Commitment on the 'V’ Company’, getypt en met handgeschreven toevoegingen in dossier met memo’s van John Grombach, leider van The Pond, in: NARA, RG263, Records of the Central Intelligence Agency 1874-2002, Records of the Grombach Organization (“The Pond”) 1942-1955. Dat het om Philips gaat, blijkt uit talrijke documenten in het dossier, bijvoorbeeld: memo 46 van Grombach to mr. Lyon (zijn contactpersoon bij de Military Intelligence Service), 21 januari 1944, NARA, RG263.

3 Gesprek Van Walsem/Booth: memo’s Booth, 13 en 19 januari 1942, plus handgeschreven aantekening mr. Kimble (FBI), 16 januari 1942 - NARA, RG226, A1-210, WM14534. Beschrijving Van Walsem: M. Metze, Anton Philips (1874-1951), Ze zullen weten wie ze voor zich hebben, Amsterdam, 2004, 209.

4 Memo Allen Dulles, 28 mei 1942, NARA RG226, A1-210, WM14534.

5 In juli 1941 installeerde president Roosevelt - die gefrustreerd was over de slechte samenwerking tussen de departementale en militaire inlichtingendiensten - de advocaat William Donovan als Coordinator of Information (COI). Donovan’s bureau hield zich bezig met propaganda en inlichtingenwerk. Op 13 juni 1942 werd de inlichtingentak afgesplitst in het Office of Strategic Services (OSS), onder gezag van de Joint Chiefs of Staff. De contacten met Philips begonnen dus in de COI-fase, www.cia.gov/library/center-for-the-study-of-intelligence, geraadpleegd 3 februari 2012.

6 Biografie Wolthers: brief Van Walsem aan Dulles, 29 juni 1942, NARA, RG226, A1-210, WM14534. 'Brutale kerel’: J. de Vries, Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1954), Utrecht, 1970, 1148.

7 Memo Thomas Cook (werkzaam voor OSS) aan Allen Dulles, 15 juni 1942; memo Allen Dulles aan Hugh Wilson, 16 juni 1942; memo Allen Dulles aan David Williamson (OSS), 23 juni 1942; brief Frederick Lyon (State Department) aan David Williamson (OSS), 13 juli 1942 - alle in NARA, RG226, A1-210, WM14534.

8 Argentijnse Centrale Bank: OSS rapport, NARA RG226/WM10959/004, p. 238-239, en WM10960/4, exhibit 182. Wolframerts: brief gevolmachtigd minister B. Kleijn Molekamp aan Philips topman Frans Otten te New York, 19-2-1943, in 2003 door mij geraadpleegd in Philips Company Archives. Ontslag Wolthers: verzoek vicepresident Amerikaanse Philips Trust tot herziening van de afwijzing van Wolthers’ visum, 30 december 1942, in Nationaal Archief, 2.09.06, Archief Ministerie van Justitie te Londen, archief Commissie Rechtsverkeer in Oorlogstijd, inventarisnummer 459, N.V. Philips’ Gloeilampenfabrieken, Argentinië.

9 Generaal George Strong aan kolonel William Donovan, 31 oktober 1942, NARA RG226, A1-210, WM14534.

10 USA Office of Censorship, confidential, re Philips of Eindhoven Holland and its subsidiaries and affiliated companies, 15 October 1942, NARA, RG226, inventarisnummer 16, doos 18, folder 26074-26171.

11 OSS rapport, 3. Boedapest: OSS rapport, p. 54-55, met verwijzing naar brief Van Walsem aan Brümmer, Philips vertegenwoordiger in Zwitserland, 3 juni 1941.

12 'Incidenteel’: I. Blanken, Geschiedenis van Philips Electronics N.V., deel IV (1935-1950), Onder Duits beheer, Zaltbommel 1997, p. 160. In mijn eigen biografie van Anton Philips (noot 2) beschrijf ik de contacten al ruimer. Het OSS rapport ziet ze als structureel: 57, 60, 61 (Spanje), 73-75 (Brümmer, De Graaff), 78 (Bult), exhibit 39 (maandoverzichten Brümmer). De Graaff bracht persoonlijke en zakelijke berichten uit Eindhoven maar trad ook op als koerier voor het Nederlandse verzet en de Nederlandse regering in ballingschap. Hoewel hij na de oorlog is onderscheiden door de geallieerden is altijd een verdenking van dubbelspionage aan hem blijven kleven: Metze, 413-419.

13 OSS rapport, 89-92, 140-141 (spionagetochten), 161-167 (onduidelijke inhoud, codetaal), exhibits 74 en 75 (microfilms). Acht van de betreffende microfilms bevinden zich in het Amerikaanse Nationaal Archief maar zijn 'om redenen van conservering’ niet voor onderzoek toegankelijk.

14 OSS rapport, 178-183 en exhibits 116-121 (doorschuiven patenten), 193-199 (radiolaboratorium), 245 (meenemen patenten), 269 (Chileense administrateur), 294-299 (problemen Colombia), 346-347 (Paraguay), 369-375 (Venezuela).

15 OSS rapport: 116-117 en exhibit 79 (Otten), 395-399 (hoofdconclusies en citaat).

16 Aanbevelingen: OSS-rapport, 401-404.

17 Briefje F.H. Russell, Department of State, division of World Trade Intelligence aan mr. Stinebouwer van de Division of Economic Studies, 27 augustus 1943, in: ): NARA, RG226/WM10959/001.

18 Ontslag Wolthers: OSS Rapport, 220-221.

19 OSS-rapport, 395.

20 Van Agt: telegram gezant Daniëls aan de minister van buitenlandse zaken, 22 mei 1940; adviesnota gezant Daniëls aan de minister, 23 augustus 1940; telegram Van Agt aan de minister, 4 september 1940; brief Van Agt aan de minister, 17 september 1940; telegrammen Daniëls aan de minister, 1 en 19 november 1940 - alle in Nationaal Archief, archief Ministerie van Buitenlandse Zaken (Londens Archief), 2.05.80, inventarisnummer 5150. Hoorzitting senaat: Blanken, 346-347; Metze, 438-440.

21 Notitie Commitment on the 'V’ Company’, ongedateerd; en Grombach memo 46, 21 januari 1943 - beide in: NARA RG263. Eerdere publicaties over The Pond melden de relatie met Philips maar geven weinig tot geen details: Associated Press, 29 juli 2010; artikel Mark Stout op website https://www.cia.gov/library/center-for-the-study-of-intelligence, geraadpleegd 6 februari 2012.

22 Plannen Grombach: Associated Press, 29 juli 2010. Teleurstelling OSS: Brief D. Bruce aan kolonel Buxton, 16 november 1942; memo Thomas Cook aan majoor David Bruce, 19 januari 1943; briefje Hugh Wilson aan kolonel Donovan, 28 januari 1943 - alle in NARA, RG226, A1-210, WM14534.

23 Van Agt: Grombach memo 128, 13 september 1945. Gevaar Wolthers: Grombach memo 46. Citaat: Grombach memo 41, 20 december 1943. Steun aan Philips: Grombach memo 49, 11 februari 1944.

24 Integriteit Otten c.s., handig manoeuvreren: Grombach memo 41, 20 december 1943.