Mensen zijn wezens die aan patroonherkenning doen en er verhalen van maken – we kunnen het simpelweg niet laten. En dus is het onvermijdelijk dat we twee weken van oostelijke verrassingen aan elkaar knopen tot een hoopvol verhaal met een mooie plot: het rechts-populisme in Midden-Europa, dat jarenlang alleen maar successen aan elkaar reeg, lijkt vrij plotseling aangeslagen door de ring te wankelen. Is de herfst van de onliberale regimes in Centraal-Europa aangebroken?

Bewijsstuk één is Tsjechië. Daar verloor Andrej Babis onverwacht de verkiezingen. Deze man van vier miljard rolde van het ene schandaal naar de volgende beschuldiging, en beantwoordde dat met de intussen bekende mix van antimigratie-sentiment, paniekzaaierij over familiewaarden en een internationale samenzwering, plus intimidatie van opponenten via een entourage van voormalige geheime-dienstinformanten. Zijn rampzalige coronabeleid en corruptie-onthullingen in de Pandora Papers hebben hem mogelijk genekt (hoewel dat nog niet beslist is).

Precies zo’n coalitie als degene die Babis versloeg, werd opgericht in Hongarije. Daar krijgt Viktor Orbán, de posterjongen van populistisch rechts, in de verkiezingen van volgend jaar een jonge conservatief tegenover zich die alle oppositiepartijen achter zich heeft. Deze vader van zeven veroverde op eigen kracht al het burgemeesterschap in een zeer Orbán-getrouwe stad, dus er is ruimte om onaantastbaar lijkende mannen te wippen. Ook Bulgarije bewees dat al deze zomer. Boyko Borisov, oud-lijfwacht van de communistische dictator Todor Zjivkov, verloor verrassend de verkiezingen (al ligt ook daar alles open).

Het rechts-populisme in Midden-Europa lijkt plotseling te wankelen

Als het gaat om koppen tellen, kan die van de Oostenrijkse kanselier Sebastian Kurz daar ook zeker bij. Deze jonge politicus (op zijn 24ste zat hij al in de regering) en bejubelaar van Viktor Orbán ging een tijd door als het antwoord van centrum-rechts op het rechts-populisme. Maar als een ‘antwoord’ bestaat uit het integraal overnemen van de agenda en taal van de FPÖ, de van een trotse SS-Brigadeführer afstammende partij, dan is het de vraag wat dat oplost. Of Kurz deel uitmaakte van het antiliberale, Centraal-Europese rechts-populisme is een kwestie van perspectief. ‘De gevaarlijkste populisten zijn misschien degenen die het minst op populisten lijken’, zei de Britse hoogleraar Timothy Garton Ash over Kurz; zijn aftreden helpt hen in ieder geval niet.

En Polen ten slotte: dat ging all-in in een conflict met de Europese Unie, over het primaat van Pools of Europees recht. Net als bij andere landen in de regio kan de uitkomst nog alle kanten op, maar is het helder dat de Poolse regering onder hoge druk staat. Voorlopig lijkt de populistische regering niet de sterkste papieren te hebben – onder meer vanwege een breekijzer van 36 miljard aan EU-subsidies en leningen. Het is belangrijk bij dit geld stil te staan. Het conflict tussen Centraal-Europese, rechts-populistische regeringen en de EU draait om heel veel zaken tegelijk, maar geld is daar zeker een van – niet als oplossing, maar als deel van het probleem. Centraal-Europese landen doen het al jaren steeds slechter op corruptielijstjes, politiek in de regio draait steeds meer om corruptie, en de vette pot EU-geld heeft op z’n minst niet geholpen om corruptie in deze landen terug te dringen. De EU heeft daar een grotere verantwoordelijkheid dan ach en wee roepen over onliberale democratie. Het systeem moet op de helling.

Voor zo’n renovatie is het wel nodig dat Centraal-Europa eerst wordt opgeschrikt door een reeks integere regeringen. Ik durf er mijn geld nog niet op te zetten, maar die kans is er nu wel. Een etno-populistische neergang zou Centraal-Europa politici kunnen geven die algemeen belang dóen, en niet alleen zéggen. David Runciman gaf daar een mooie metafoor voor in zijn boek How Democracy Ends. We kijken naar politiek zoals naar de koorddanser die in de documentaire Man on Wire tussen de twee torens van het World Trade Center liep, schreef hij. Maar waar de koorddanser iets deed met werkelijk risico, puur als daad van zelfexpressie, is de voorstelling in democratieën steriel en kunstmatig geworden, met kiezers die geloven dat de hele voorstelling bedrog is. Zoiets kan alleen betekenis terugwinnen als er mensen het koord op gaan voor wie alles ernst is, en kiezers die dat ook eisen. Misschien is het wensdenken om dat in Centraal-Europa te zien. Maar het begin van het verhaal is er wel.