Koos heeft tinka’s

Uiteraard heb ik vele gedachten waarvoor ik me schaam.

Zo denk ik al vanaf mijn vierde, vijfde jaar dat honden gewoon mensen zijn die er alleen wat anders uitzien dan u en ik. Ze kunnen ook niet goed praten. Maar maakt dat ze heel anders?

Toen ik een jaar of tien was, was ik ervan overtuigd dat je met honden kon praten, als je maar hun taal kende. Zij kenden per slot van rekening ook een aantal woorden in onze taal: ‘Zit! Af! Mee! Eten! Nee!’ Ik geloof dat Nikkie geen grotere woordenschat had. Maar ik moest, omgekeerd, toch ook hondentaal kunnen leren. Ik blafte in allerlei toonaarden, en ik wist het arme dier nerveus te maken. Maar waarom hij nu nerveus was? Geen idee. En het commando ’rustig!’ wilde hij maar niet leren.

Dat honden honden waren en geen mensen was een gedachte die ik domweg weigerde toe te laten.

Nu nog.

Ik ben een aantal honden verder.

Mijn grootste vriend (vriendin eigenlijk, maar ik heb haar altijd als man gezien) was Moor.

Ik kreeg hem als baby in mijn handen geduwd en hij stierf, veertien jaar later, in mijn armen. Ik merk, nu ik deze regels schrijf, dat ik nog niet over zijn verscheiden heen ben, maar dat ik dat ook niet wil. Het is soms je plicht om verdrietig te blijven.

Moor en ik begrepen elkaar en ik weet zeker dat ik meer van Moor heb gehouden dan van welk mens ook.

Vreemd is dat.

Ik voel me schuldig als ik deze zin opschrijf, maar het is wel zo.

Laatst moest ik Hitler zijn herders­hond Blondie laten ombrengen

Mijn nieuwe hond heet Koos. Het is waarschijnlijk mijn laatste hond, want De Dood toont me af en toe al eens zijn riem om mij mee te nemen. Koos is in alles, maar dan ook echt in alles, anders dan Moor. Ik zeg vaak dat Moor destijds cum laude geslaagd was op de hondenuniversiteit, maar dat Koos keer op keer gezakt is voor zijn vmbo-diploma.

Hij luistert niet, en ondanks vele trainingsuren en kilo’s trainingsvoertjes (die hij gewoon uit zijn bek laat vallen) doet hij volstrekt waar hij zin in heeft.

Koos heeft ‘tinka’s’. Dat is Maleis voor ‘gekkigheden’ – althans, zo gebruikte mijn vader het woord. Voor gevaarlijk onvoorspelbaar gedrag soms.

Maar – en dat is het merkwaardige – in die paar maanden tijd dat ik hem bezit, is de liefde weer uitzonderlijk groot geworden. Misschien wel juist omdat hij niet luistert.

Hou je niet meer van een kind dat zorg behoeft dan van een kind met wie alles voor de wind gaat?

Ik weet niet wat liefde is, heb ik zeker tegen tientallen vriendinnen onderbouwd uitgelegd. ‘Liefde bestaat niet als het gaat tussen man en vrouw.’ Het woord en het begrip ‘construct’ klinkt in mijn oren als een valse toonladder, maar liefde is voor mij een construct waar ik soms wanhopig van word omdat ik er niet mee uit de voeten kan.

Maar liefde voor een dier bestaat! Het is de Enige Echte liefde.

‘Maar je hebt net beweerd dat honden en katten eigenlijk mensen zijn. Dan kun je toch liefde voor een mens voelen?’

‘Ja, schat, maar dan moet je je gedragen als een hond.’

Laatst moest ik in een filmscenario Hitler zijn herdershond Blondie laten ombrengen.

Je kunt schrijven: H pakt zijn pistool en schiet Blondie dood. Maar ik merkte dat ik dat lullig voor die hond vond.

In, ik meen, Der Untergang knuffelt Hitler Blondie nog even voordat hij hem neerschiet. Hitler kijkt nog even in de trouwe hondenogen. Volgens mijn theorie is dat een mens die een ander mens in de ogen kijkt. Kende Hitler liefde voor een hond die hij niet voor de mens had en moest ik dat laten zien?