Kop en schoot

Mijn hond kan ook behagen.
Dat vind ik lief, maar ik doorzie het.
Het loopt bijvoorbeeld tegen etenstijd. Ze heeft al honger. Dan komt ze voor me zitten, legt haar kop in mijn schoot en kijkt me aan.
‘Oké’, zeg ik vaak en loop naar de gang waar haar voederbak staat en vul die met hondenheerlijkheden.

Medium moor

Behaagzucht werkt. Bij honden. Maar bij mensen irriteert mij dat.
In tijden van nood neemt de behaagzucht toe - je kunt erdoor in de juiste groep terechtkomen. Je moet alleen enigszins gokken, of het laten afhangen van je eigen intelligentie, wat ‘de juiste groep’ is.
Ik kan de laatste tijd geen cabaretier meer zien of horen, terwijl het vroeger mijn hobby was om cabaretvoorstellingen te bezoeken. Waar satire, spot, vroeger bijtend was, je onrustig maakte of je een lachspiegel voorhield, denk ik nu vaak: wat een behaagzucht!
De cabaretier is druk doende om zijn eigen vermeende achterban tevreden te stellen en te behagen. En dus is bijna onveranderlijk de subtekst: Wilders is een fascist, het consumentisme neemt wel heel rare vormen aan, onze hebzucht is ziekelijk en ons gebrek aan solidariteit is onmenselijk. Het harde idealisme met bijna fanatiek religieuze trekken is de humus van de cabaretier.
Toen ik laatst een politica hoorde vertellen dat ze een geweldige avond had gehad bij een zekere cabaretier bij wie ik ook in de zaal had gezeten, dacht ik: het had andersom moeten zijn: jij had je vervelend moeten voelen, en niet ik.
Misschien is het ook wel mijn chagrijnigheid dat ik nu voor de cabaretiers behoor tot de te bestrijden kant: ik ben ouder, ik ben in hun ogen rechts, ik doe niet mee met Facebook en Twitter, ik heb geen blog en ik koop ook nog boeken in een boekwinkel. Ik ben in alles opa, de zichtbare relativiteit van wat onstuimig leven heet.
De term 'zak’ past me vermoedelijk steeds beter.
Maar de oude zak ziet in de ogen angst. De angst dat zij 'aan de verkeerde kant’ zullen staan. Dat zij zullen worden als ik, en dan hebben ze geen publiek meer, want wat ik verkondig - ongetwijfeld een verkeerde visie en een corrupte levensbeschouwing - is gespeend van elke vorm van hoop en adoreert cynisme.
Ik verdom het om mijn kop op iemands schoot te leggen - cabaretiers leven er tegenwoordig van.
Maar ook schrijvers lijden aan de ziekte die behaagzucht heet.
Ze buigen voor Chinese onderdrukkers en verkondigen hier de lof van een onderdrukkende godsdienst. Behaagzucht als culturele verworvenheid.
Bij behaagzucht moet ik altijd denken aan Andy Warhol. Wat hield hij van sterren en stardom. Iedereen moest een icoon worden, van Beatrix tot Mick Jagger, en Mao - daar maken we ook een icoon van. Zijn behaagzucht was zo absurd dat iedereen zich aan hem begon te ergeren. Je zou kunnen stellen dat zijn behaagzucht oprecht was. Een eerlijk artistiek uitgangspunt. Een opvatting over esthetiek. Zijn behaagzucht was niet verborgen, niet eenvoudig, en hij behaagde niet om te behagen maar om kunst voort te brengen. Het is wat ik ook bij Damien Hirst zag met zijn schedel met diamanten. De kitsch van de moraliteit: een schedel als symbool van de dood behangen met duizenden diamanten; wilt u de dood kopen, vindt u hem niet mooi? Wat heb je aan hebzucht en behaagzucht als je de dood in de ogen kijkt? De behaagzucht zette Damien Hirst voor gek. Hij liet schrijvers en cabaretiers ver achter zich. Die letten op dat moment niet op en zaten in een televisieprogramma hun boek te promoten, of hun cd, of hun dvd.
'En verder wilde ik nog zeggen dat ik maandag optreed in Haarlem, dinsdag in Heerlen en dat mijn dvd nu in de winkel ligt.’
De kop op schoot.