Kop op, kerel!

Ik ben hard voor mezelf, maar ook voor anderen. Als ik humeurig ben, kom ik soms maandenlang niet op straat om de sfeer in ons stadje niet te verpesten. Des te meer baal ik als ik, eindelijk in de beste stemming, de deur uitkom en op een stuk chagrijn stuit. ‘Wie denkt u wel dat u bent, dat u hier met uw negatieve gedoe te koop loopt?’ zeg ik in zo'n geval.

‘Kop op, kerel, lach eens! Gun ons het beste van jezelf.’ Het lijkt net of er iets aan het veranderen is. De mensen bijten steeds vaker van zich af. Vanmiddag, in het park, vloog zo'n zuurpruim me zelfs naar de keel. Toen ik hem had ontwapend en het wapen op mijn beurt op hem richtte, beval ik hem zonder aarzelen: 'Lachen! Onmiddellijk!’ Zijn ontblote tanden stonden hem eigenlijk helemaal niet zo slecht. Hij kreeg zelfs iets sympathieks over zich. 'Zie je wel, kerel, het kon ook goedschiks’, sprak ik streng - en gaf hem het wapen terug. Als hij mijn goed gemeende raad begrepen heeft, maakt hij zich vannacht nog van kant.