Koppenslapstick

Wie vorige week het boekennieuws volgde, was getuige van een bizar over elkaar heen buitelen van berichten. ‘Anna Enquist stopt met schrijven’ kopten de kranten dinsdag. Woensdag schreven ze: ‘Anna Enquist stopt niet met schrijven’. Donderdag was de verwarring compleet met de cryptische kop van NRC Handelsblad: ‘Anna Enquist stopt misschien niet’. Het blijkt allemaal de schuld van het tijdschrift Opzij, dat een interview met de schrijfster had over haar nieuwe roman. In het gesprek liet ze zich ontvallen: ‘Ik zou werkelijk niet weten waarover ik nu nog zou willen schrijven.’
Prompt sloegen de stoppen door op de redactie. Het slotakkoord van Anna Enquist kwam er naast een paginagrote foto te staan van de schrijfster achter haar concertvleugel. Acuut is ook de voorpagina ontruimd. Anna’s laatste boek, dreunt het daar nu. En onder een melancholiek fotoportret: ‘Ik ben uitgeschreven’. Kennelijk waren ze bij Opzij zo buiten zinnen van vreugde dat ze nog vóór verschijning van het nummer een persbericht de wereld in lanceerden. Alsof ons taalgebied van een ramp gered was. Heb je het al gehoord? Ze… stópt met schrijven! Halleluja! Geen enkele redactie kwam vervolgens op het idee om schrijfster of uitgever even te bellen, volgens het in de journalistiek niet ongebruikelijke principe van hoor en wederhoor. Zo evenaarde de literaire verslaggeving het niveau van Katja-is-zwanger of Mark-Rutte-is-homo.
Terwijl iedereen die een beetje bekend is met creatieve processen Enquists uitspraak had moeten kunnen plaatsen. Na de zware bevalling die een roman altijd is, is de opmerking ‘Ik zou werkelijk niet weten waarover ik nu nog zou willen schrijven’ een volstrekt begrijpelijke. Het lijkt me zelfs nog te mild geformuleerd. Zoals je na een verhuizing neerploft tussen de dozen, verfblikken en stapels administratie en zucht: ‘Dit nóóit meer!’, zo valt een schrijver na het voltooien van een manuscript in een zwart gat: alle energie is jarenlang in het boek geperst, en de schrijver blijft achter, bleek, levenloos over zijn bureau gehangen. Als de prooi van een vampier bij zonsopkomst.
Ook zonder deze kennis zou je interviewuitspraken van schrijvers moeten wantrouwen. Verwacht van een schrijver nooit de consistente uitspraken en klip-en-klare feiten die je van politici hoopt te krijgen. Natuurlijk, hij zal je te woord staan, een kop koffie naast je opnameapparatuur zetten, en desgevraagd meningen beginnen te spuien. ‘Dat doe ik ook’, meldt Harry Mulisch in Voer voor psychologen, ‘maar ik zeg iedere keer wat anders en iedere keer heb ik gelijk. Vandaag verkondig ik het tegendeel van wat ik gisteren zei.’
Zodra een schrijver spreekt voor de microfoon is hij namelijk al aan het schrijven, wordt zijn stem een van de mogelijke afsplitsingen, een personage. De romankunst is niet de arena van gepeperde meningen en pasklare stellingen. Ze is het laboratorium van tergende vragen en verhitte twijfel. In zijn onderzoek naar menselijke drijfveren en condities kweekt een schrijver begrip voor uiteenlopende gezichtspunten en wereldbeelden. Vooral voor de buitenissige. Hij kan ze laten botsen en borrelen in zijn erlenmeyers en retorten, maar zodra hij zich committeert aan één enkel eenduidig standpunt houdt hij op romans te schrijven en draait hij pamfletten in elkaar.
De auteur die eerlijk wil antwoorden, kan alleen maar saaie interviews geven. Op de meeste vragen (‘Bent u links, rechts?’ ‘Vóór of tegen de Afghanistan-missie?’) kan hij slechts naar eer en geweten antwoorden: ‘Ik ben romanschrijver.’
Ja, van Appie Baantjer, wiens genre er juist uit bestaat twijfels weg te nemen en dubbelzinnigheden op te heffen, mogen we aannemen dat hij oprecht is als hij beweert zijn laatste boek te hebben geschreven. Maar mogen we Doris Lessing serieus nemen als zij tegen BBC News zegt dat het ‘a bloody disaster’ is om de Nobelprijs te winnen en dat ze, door alle media-aandacht, niet meer aan schrijven toekomt en ermee zal stoppen? Wie denkt van wel, zal ook weinig van Walt Whitman begrijpen, als hij stelt: ‘Do I contradict myself? Very well then, I contradict myself. (I am large, I contain multitudes.)’
In dat licht bezien zit NRC Handelsblad (‘Anna Enquist stopt misschien niet’) nog het dichtst bij de waarheid. Eigenlijk zou je bij elke uitspraak van een schrijver een slag om de arm moeten houden. Laten we voortaan boven elk auteursinterview het voorbehoud toevoegen: ‘Misschien niet’.