Kordes en de naamloze gêne

Sinds afgelopen donderdag 29 januari is het bekend bij wie thuis de pentekening, voorstellende tent en krijgslieden, van CH. Rochussen aan de muur hangt, en bij wie de kleurets ‘Boerin’ van J. van Beek uit 1847. Ook is het bekend wie indertijd voor Ÿ 20,- de wettige eigenaar is geworden van een platina smokinghorloge en wie zich ad Ÿ 5,- juridisch onbezorgd de bezitter van een paar gouden oorhangers met 2x2 robijntjes mag noemen.

Pentekening, ets, horloge en oorhangers: ooit zijn ze het bezit geweest van een joodse familie die de oorlog niet heeft overleefd. Samen met nog zo'n tweehonderd voorwerpen staan ze als bijlage vermeld in het rapport van de commissie-Kordes dat die donderdag openbaar gemaakt werd.
Dat wil zeggen: de lijst van verkochte voorwerpen werd openbaar gemaakt. Niet de lijst van nieuwe eigenaren die hun bezit in oktober 1968 verwierven tijdens de onderhandse verkoop van joods oorlogsbezit ten kantore van het Agentschap van Financiën. Hun namen zijn wel bekend: precies achtendertig van de tachtig toenmalige employés van het Agentschap hebben zich het voordeeltje indertijd niet laten ontgaan.
Nauwkeurige bestudering van het teruggevonden Liro-archief zou duidelijk kunnen maken van welke joodse families die sieraden en kunstwerkjes precies waren. De gevolgtrekking ligt tamelijk voor de hand: laat de nieuwe bezitters hun juridisch waterdicht maar - zegt de commissie - overigens ontoelaatbaar en ongepast verworven spullen, als het moet tegen de aankoopwaarde anno 1968, en als het helemaal moet vermeerderd met de rente, terugbrengen.
En laat de overheid al die bekertjes en lepeltjes, al die zwaarverzilverde taartscheppen en witporseleinen vaasjes, voor zover niet meer teruggeefbaar, ergens tentoonstellen: als tastbare herinnering aan hoe Nederlanders, lang na de oorlog, hardvochtig ongeïnteresseerd bleken in wat voor hun vervolgde joodse landgenoten dierbaar was. De naam van de naoorlogse koper hoeft er echt niet bij. De naam van de oorspronkelijke eigenaar wel.
Het zou iets zichtbaar maken van wat onder alle commotie rond de onderhandse verkoop schuilgaat: een diep gevoel van gêne om wat, tot lang na de oorlog, gedaan is en niet nagelaten. De kopers van toen hebben de manier waarop ze aan hun spulletjes zijn gekomen naar een achterafkamertje van hun herinnering verbannen. Dat verklaart waarom er onder hen zovelen zijn die publiekelijk bij hoog en bij laag verklaard hebben van niets te weten - totdat ze, tegenover de commissie-Kordes, op de teruggevonden verkooplijst geconfronteerd werden met hun naam dan wel met die van hun collega’s.
Het vervolg op de bevindingen van Kordes c.s. zou moeten zijn: de gêne blootleggen en het naoorlogs wangedrag tegenover de joodse overlevenden en nabestaanden zo precies mogelijk in kaart brengen.
Iets dergelijks wil de commissie-Kordes ook wel - al maakte de vroegere voorzitter van de Rekenkamer er tijdens de persconferentie bij de publicatie van zijn rapport een tamelijk vreemd ratjetoe van. Op een nogal naïeve manier verwarde hij de misdaden tegen de joden in de oorlog met het leed hen na de oorlog aangedaan. Het was alsof hij zojuist voor het eerst van Presser, De Jong en Herzberg had vernomen, alsof de werkelijkheid van Westerbork en Auschwitz pas nu ten volle tot hem was doorgedrongen. Hij bepleitte als het ware een herschrijving van De Bezetting en Ondergang - alsof het daarom gaat. Het gaat anno 1998 niet meer om wat de Duitsers de joden in de oorlog hebben aangedaan maar om wat de joden na de oorlog van hun Nederlandse landgenoten hebben ondervonden.
Het gaat om de gêne over het gedrag van onze eigen ouders.
Kordes hoopt dat alle commissies (Van Kemenade, Scholten, Ekkart, Van Galen) die zich nu met een deelaspect van de joodse oorlogstegoeden bezighouden, in dit opzicht hun krachten bundelen. Alsjeblieft niet! Al die commissies zijn rekencommissies. Hun opdracht is het om een rij cijfers te publiceren met een streep eronder. Zoveel goederen wederrechtelijk elders beland, zoveel waard, zoveel terug te storten.
Het gaat nu om iets heel anders, waarvoor de rekenaars hooguit het voorwerk kunnen verrichten: om een afrekening met de gênante kant van ons eigen verleden. Werk voor gezaghebbende historici en sociologen, werk voor mensen van, zeg maar, het formaat A. de Swaan eerder dan van het formaat KPMG-accountant.
Voor de rekenaars ondertussen blijft er voldoende werk over - ook na publicatie van het Kordes-rapport. Zo is het allerminst zeker dat met de onderhandse verkoop in oktober 1968 alle goederen gemoeid waren waarvoor zich na de oorlog geen joodse eigenaar gemeld heeft. Lijsten waarop de goederen vermeld gestaan hebben, blijken telkens weer aan de archieven te ontbreken. In 1957 zijn goederen waarvan de eigenaar bekend was de facto onteigend door ze in de grote bulk goederen van ‘onbekende eigenaren` te dumpen. Van prullaria zonder geldwaarde als diploma’s, fotoverzamelingen, oorkondes en filmopnamen is nooit meer iets vernomen. Dozen met gouden munten zijn ongeteld en ongeadministreerd van de hand gedaan.
Het is zelfs opmerkelijk te noemen hoe weinig nieuws de commissie-Kordes na anderhalve maand studie toe heeft kunnen voegen aan wat De Groene Amsterdammer op 10 en 17 december 1997 al meldde. Zijn er geen externe opkopers met joods goed aan de haal gegaan? Zijn er echt geen als geldelijk waardeloos beschouwde spullen weggeflikkerd? En is er werkelijk, ook als het om kleinoden ging, met man en macht naar de rechthebbende gezocht?
Om kort te gaan: met het rapport van de commissie-Kordes is de geschiedenis van de naoorlogse verkwanseling nog lang niet geschreven. Er is hooguit één gebeurtenis wat uitvoeriger gedocumenteerd - door zijn 'kleine’ herkenbaarheid een gebeurtenis met een extreem hoge symboolwaarde.
Dat maakt het voor de juridisch schuldeloze bezitters van indertijd gekochte spullen ongetwijfeld moeilijk: de algemene verontwaardiging richt zich, min of meer toevallig, op hen. Slechts een enkeling verklaarde voor de commissie eventueel wél bereid te zijn iets terug te geven.
En toch. Van loutering zal pas sprake zijn als al het ooit gestolen bezit niet meer in de huizen hangt en aan de oren bungelt van hen die diefstal en moord naar heel ver weg verdrongen hebben. En als dit volk eindelijk eens in de spiegel van het eigen verleden gekeken heeft.