Kort, kort, kort

Soms ontmoet ik wel eens per ongeluk en meestal tegen mijn zin andere schrijvers.
Een van die schrijvers - een schrijfster - beweerde op een godvergeten saaie borrel dat ‘korte zinnen beter zijn dan lange zinnen’. Wanneer zij een lange zin had geschreven, dan herschreef ze die.
Omdat ze mooie benen had, ging ik de discussie met haar aan en vroeg: ‘Als korte zinnen beter zijn dan lange zinnen, wat bedoel je dan met “beter”. Beter dan wat?’

‘Er is hersenonderzoek gedaan naar hoe de hersens reageren op mededelingen. Het bleek dat er meer hersenactiviteit te zien was bij korte zinnen dan bij lange zinnen.’
Wanneer er gerefereerd wordt aan onderzoek dat ik niet ken, ben ik altijd even uit mijn evenwicht gebracht.
'Meer hersenactiviteit zegt niets over de kwaliteit van een zin. Als ik iemand met een mes zie, reageer ik ook anders dan wanneer ik naar een schilderij kijk’, zei ik.
De schrijfster zei toen dat ze boeken met korte zinnen beter vond dan boeken met lange zinnen.
Ik antwoordde dat ik nog nooit zulke onzin had gehoord. Toen liepen de mooie benen weg, vooral ook omdat mijn opponente meende, zij het onuitgesproken, dat ik tamelijk dom was nadat ik had gezegd dat ik niet wist wat lange zinnen precies waren. Zinnen met veel komma’s? Als je komma’s ziet als een pauzeteken, dan zie je toch allemaal korte zinnen? Zinnen met veel bijvoeglijke naamwoorden? Dat is inderdaad slecht, omdat meerdere bijvoeglijke naamwoorden de helderheid van het zelfstandig naamwoord niet vergroten, maar dat leer je op de basisschool al.
De laatste zin van de schrijfster was zelf niet eens zozeer een zin als wel een uitroep: 'Zoals politici praten!’
Ik haalde mijn schouders op. Toch dacht ik: gek dat ik anno 2011 deze discussie voer met een collega. Een collega die meer boeken verkoopt dan ik, populairder is, maar die ik een domme gans vind. Ik heb vroeger met enige regelmaat met vrienden over mooie zinnen gesproken. Maar nooit over de kwestie of een zin lang of kort moest zijn. Ik herinner vaak aan Willem Wilmink, die tegen zijn studenten zei: 'Jongens, als jullie werkelijk door iedereen gelezen willen worden, dan moet je ook voor iedereen schrijven. Dus schrijf eenvoudig. Maak je zinnen niet te lang. Dan democratiseer je het best.’ Maar dat hield niet een oordeel over lange zinnen in.
Interessant vond ik de opmerking: 'Zoals politici praten.’ Hoe spreken politici? Mijn eerste reactie zou zijn: in clichés, in abstracta, archaïsch. Maar juist dat laatste - de taal van Van Agt bijvoorbeeld en ook wel van Donner - wordt juist bewonderd.
Reve, schrijver van lange zinnen, gebruikte dat archaïsche om zijn ironie te versterken. Je kunt toch onmogelijk zeggen dat hij slechte zinnen schreef.
Maar misschien is ook dat niet waar.
Nadat de schrijfster ongetwijfeld met andere collega’s een reeks korte zinnen had gewisseld, hoewel ik haar daar niet op had kunnen betrappen, kwam ze weer naar mij toe en zei, waarschijnlijk om te laten merken dat ze over mijn woorden had nagedacht: 'Lange zinnen kunnen misschien best mooi zijn, maar ze zijn niet meer van deze tijd.’
En ze voegde daaraan toe: 'Deze tijd van Twitter en Facebook en de nieuwe media.’
Ik wilde nog zeggen: 'Ik lees wel eens een blog van iemand, maar ik kan nu niet zeggen dat daar nu bondig geschreven wordt’, maar ik zweeg.
Mode - dat was wat ze wilde beweren. Niet meer van deze tijd betekent: niet meer in de mode.
Wat is mode toch een weerzinwekkend virus. Hoe kan ik me daartegen wapenen?
Het gaat slecht met de boekwinkel, mensen willen kort, kort, kort, er is dus ook een crisis in de taal, en ik verlang naar de zinnen van de oude Grieken en de andere knoflooklanden.
Maar het is de mode niet.