Media

Kort van memorie

De combinatie ‘Rost van Tonningen’ en ‘4 mei’ leverde afgelopen weekend bij Google bijna honderdduizend hits op. Verreweg de meeste hiervan waren aankondigingen maar in tal daarvan werd natuurlijk ook naar het debat verwezen: het feit dat twee leden van het organiserende comité wegbleven, dat andere hoogwaardigheidsbekleders juist daarom kwamen opdagen, de steeds weer herhaalde vraag wat kinderen met hun ouders van doen hebben en natuurlijk de protesten uit vooral Joodse kring.

Vooral die protesten zijn interessant omdat ze in combinatie met het uitgangspunt, de aangekondigde lezing van Grimbert Rost van Tonningen, een aardig inzicht geven in de naoorlogse omgang met de oorlog. Hierbij is het om te beginnen opmerkelijk dat 4 mei, Dodenherdenking, door velen in de eerste plaats geassocieerd wordt met de shoah. Deze associatie is echter van relatief recente datum, niet ouder dan een jaar of 25 (van de meer dan 65 dat de oorlog verleden tijd is). In de eerste, zeg, veertig jaar na de oorlog werden met de doden van 4 mei in de eerste plaats verzetsstrijders en militairen, vervolgens kampslachtoffers onder wie joden en in de derde plaats burgerslachtoffers van bombardementen, honger en ander leed bedoeld.

Dat de publieke herinnering aan de shoah tot diep in de jaren zeventig beperkt was, kan op talloze wijzen geïllustreerd worden. Laat ik er twee noemen, beide uit Amsterdam. De meest opmerkelijke en ook meest bekende illustratie is het monument dat op enkele honderden meters van de Portugese synagoge, de Dokwerker en het Joods Historisch Museum staat en formeel ‘Joodse Dankbaarheid’ is getiteld. Het is het eerste in de publieke ruimte opgerichte monument dat aan de shoah herinnert en dateert van 1950. Maar het herdenkt niet de moord op de joden, het herdenkt c.q. bedankt de Nederlanders die 'zoveel’ voor hun vervolgde landgenoten hebben gedaan. De andere illustratie is minder bekend. Toen het Amsterdamse college van b. en w. in 1960 de plannen voor de 4 mei-herdenking onder ogen kreeg, meende het dat daarin te veel klemtoon op de shoah werd gelegd. 'Te zwaar joods karakter’, werd in de kantlijn gekrabbeld, en: 'Niet te veel nadruk op leggen.’

Ondanks het feit dat Pressers Ondergang in 1965 enorm veel indruk maakte, duurde het tot na de publicatie van deel 8 van het Koninkrijk over Gevangenen en gedeporteerden en de uitzending van de televisieserie Holocaust op hetzelfde moment, eind jaren zeventig dus, dat de shoah in toenemende mate de kern van de oorlogsherinnering begon uit te maken. De bevestiging hiervan kwam toen de dag dat Auschwitz bevrijd werd, 27 januari, internationaal een formele status kreeg. Dat gebeurde in november 2005, via resolutie 60/7 van de Verenigde Naties. Ondertussen was Dodenherdenking al in het teken van de jodenvervolging komen te staan. Zeker na de 'benoeming’ van 27 januari kun je er echter over debatteren of dat verstandig is en of 4 mei niet de avond hoort te zijn waarop alle leed van de oorlog herdacht wordt - van verzetslui en militairen, sinti, roma, joden, burgerslachtoffers, allen: 4 mei als een soort Nationale Verdriet- en Verzoenavond dus waarop latere generaties de dom- en vreselijkheden van hun voorouders herdenken alvorens de volgende dag, Bevrijdingsdag, gezamenlijk feest te vieren.

Hiermee ben ik terug bij Grimbert Rost van Tonningen. Want als je alle leed wilt herdenken, dan hoort daar ook het verdriet bij van degenen die aan de andere kant hebben gestaan, zeker als ze, zoals Rost van Tonningen junior, met de toenmalige gebeurtenissen zelf niets van doen hebben. Dit moet de achtergrond zijn geweest voor de uitnodiging van het Culemborgs herdenkingscomité. Zij weten wat zo goed als iedereen weet - al ontbreekt de kennis van de details wellicht: dat de foute sector in het Nederland van na de oorlog nooit zijn stem heeft laten horen, nooit zijn verhaal heeft verteld. Veelzeggend voor deze zwijgzaamheid is dat de geschriften van Mussert pas in 2005 voor het eerst volledig uitgegeven werden. Ondertussen had de jongere generatie, onder wie de broertjes Rost van Tonningen, her en der wel al aan de weg getimmerd. Ook was Herkenning, de 'club’ van Kinderen van Foute Ouders, min of meer erkend en stond Cogis, het instituut dat zich met oorlogsslachtoffers bezighoudt, op het punt een website voor dezelfde doelgroep te lanceren. Kortom, sinds enkele jaren wordt ingezien dat er een gat in het Nederlandse oorlogsbeeld zit en dat het goed is dat dit opgevuld wordt. In dat licht moet de uitnodiging aan Meinoud RvT gezien worden evenals het verzet daartegen. Ik ben er dan ook van overtuigd dat dit verzet op den duur zal verstommen en dat 4 mei zoiets (vaags) wordt als de officiële herdenking van verdriet over het verleden zoals 5 mei de parallel wordt met betrekking tot vreugde over het heden. De vraag is dan ook niet of een man als Grimbert RvT op 4 mei kan spreken. De vraag is of de tijd daarvoor in 2011 al rijp is.