Korte documentaires van jonge makers nader bekeken (I)

Walter van der Kooi ziet veel meer dan alleen dat waarover hij zijn kronieken schrijft. Vandaag: over vier Teledoc Campus-documentaires, met ballet voor senioren en een jonkie van 18.

Je ziet een magere, grijsbebaarde, kromme man. Moeizaam hangt hij sjaal en jack over een houten leuning aan de muur. Je hoort geroezemoes. Dan opeens een heldere vrouwenstem: ‘Nou, welkom dansers.’ De man draait zich om, zet een paar voorzichtige stappen de ruimte in. Zijn hand trilt heftig. Wat moet dit in godsnaam voorstellen? Ik weet het echt niet, want heb bewust niets gelezen over de inhoud van deze en acht andere korte documentaires die ik kreeg toegestuurd. Onder het motto: laat je verrassen. Ik schat in dat het een van de films over lek en gebrek wordt waar de televisie in grossiert. Wat oneerbiedig geformuleerd is, omdat de belangstelling van makers voor de zieke, lijdende medemens meestal legitiem, zelfs prijzenswaardig is en omdat die soms mooie films oplevert. Wat ik op dat moment nog niet weet is dat ik langzaam naar binnen zal worden getrokken, onder de indruk raak van de filmische kwaliteit en zowaar diep ontroerd raak. Chapeau voor Met alles wat er is van regisseur Eva Sjerps en haar ploeg.

Eerst de context. Zoals Nederlands drama kwantitatief en kwalitatief bloeit door verzameltitels en door samenwerking tussen omroepen, zo krijgt ook de documentaire een boost door bredere, gesubsidieerde projecten waaraan meerdere omroepen en subsidiënten meedoen. Teledoc is de verzamelnaam voor speelfilmlange documentaires over actuele Hollandse zaken. Levert fraaie, soms belangrijke films op. Nu heeft Teledoc een zusje gekregen, Teledoc Campus. Daarin maken overwegend jonge makers films van 22 minuten die, de reportage overschrijdend, de naam documentaire echt proberen te verdienen. Zondag start het derde seizoen met de boven beschreven, wankele beelden. Laat u daardoor niet afschrikken.

In totaal gaat het om negen films, waarvan ik de eerste vier bekeek. Een bont boeket. 80% Ongeschikt is het portret van Mari, die bij zijn geboorte door zuurstofgebrek spastisch is geworden, rolstoelafhankelijk is en leeft van een Wajong-uitkering voor jonge gehandicapten. We zien hem unverfroren reizen met het openbaar vervoer, dat het hem bepaald niet makkelijk maakt; we zien hem met twee kratten bier op schoot naar zijn huis rollen waar hij zijn verjaardag met vrienden gaat vieren. En we zien hem nogal wat instanties bezoeken, want de nieuwe Participatiewet eist het opnieuw inschatten van zijn arbeidsmogelijkheden. Dat levert gênante tot prima gesprekken op, afhankelijk van de ambtenaar van dienst. Uiteindelijk krijgt hij zelfs staatssecretaris Jetta Kleinsma te spreken, zuster in de handicap, zij het dat zij kan lopen. Dit alles klinkt naar een aanklacht: waarom zou ik een herkeuring moeten? Maar dat is het niet. Mari onderzoekt de twee zielen in zijn borst: de een die de uitkering eigenlijk helemaal niet wil en die onafhankelijk en zelfvoorzienend wil zijn; de ander die hem toch wel erg prettig vindt en die niet zit te wachten op een verplichting tot (een percentage) arbeid die geestdodend en ver onder zijn intellectuele niveau zou zijn. En onder zijn vakmatig of artistiek niveau, want het bijzondere aan de film is dat Mari niet alleen hoofdpersoon, maar ook regisseur is. Hij heeft, tegen alle negatieve adviezen in, destijds zijn wens filmmaker te worden doorgezet en zijn hbo-opleiding daarvoor afgemaakt. Met als resultaat onder meer deze verrassend optimistische, soms vrolijke film.

De hoeder is een portret van de Amsterdamse huisarts Nico van Hasselt. Hij is van de oude stempel – niet zo gek want we zien hem een verjaardagskaart openen met ‘gefeliciteerd: 92’. Zijn vrouw vraagt of hij zijn volgende verjaardag nog op dezelfde manier denkt te vieren. Een volmondig ‘ja’ klinkt. ‘Daar ben ik dan niet meer bij, dan lig ik in mijn kissie. O nee, ik word gecremeerd’, zegt ze vrolijk. Hij reageert niet. Overigens is hij de liefdevolle aandacht voor zijn patiënten zelve. Hun dossiers (op kaartjes, niets computer) vreten ruimte, hij doet nog huisbezoeken, bezoekt verjaardagen, zorgt voor huishoudelijke hulp voor een 103-jarige en gaat wekelijks op bezoek bij een dame in rolstoel die scheefgezakt, immobiel en sprakeloos is, en tegen wie hij zegt hoe prachtig ze er weer uitziet. Hun handen een tijdje ineen en dan: ‘Dag lieverd, tot volgende week’. Het is ontroerend en curieus. En het roept vragen op: over hoe lang zoiets kan of mag, want kan hij de ontwikkelingen wel voldoende bijhouden? Maar ook: heeft hij niet gelijk in zijn kritiek op een steeds bureaucratischer, onpersoonlijker stelsel?

Helaas ben je het niet geworden gaat over een jonkie van achttien. Ze woont in Heemskerk, gaat aan de Hogeschool van Amsterdam studeren en wil, net als haar dorpsvrienden, per se naar Mokum. Maar hoe vind je onderdak? Het wordt een lijdensweg van sollicitatiebezoeken langs studentenhuizen, waar één kamer vrijkomt voor horden belangstellenden en waar je dus moet solliciteren bij een hele groep bewoners. De sfeer varieert van kennismakingsgesprek tot bijna-ontgroening. Maar Sofie is jong en hartstikke gewoon. Een ‘mensenmens’ noemt ze zich, dol op gezelligheid. Ze heeft nog niet zoveel te melden. Soms zie je het gewoon misgaan: dan mag ze zelf een vraag stellen en zegt ze ‘Ik had een vraag bedacht maar ik weet hem niet meer’. Lange stilte. Eerst vond ik het niet veel. Maar toen besefte ik dat je zelden, respectvol gefilmd, ‘echt gewone’ mensen te zien krijgt. Dat je mee gaat leven. Dat je dat koppie verwachtingsvol, vrolijk, onzeker, nerveus, haast gekweld ziet worden. Ze wordt een beetje Elckerlyck, een mens die zich er doorheen moet slaan. Ik ben gewonnen als ik zie hoe knap de meest onaangename bijeenkomst in beeld en geluid is gevat, waardoor haar onbehagen het jouwe wordt, zonder dat de focus, letterlijk en figuurlijk, steeds op haar ligt. Terwijl de vrolijke boosdoeners, terecht, niet aan de schandpaal worden genageld. Aan het eind toont Sofie zich een ware heldin. Ze wint, zij het anders dan verwacht.

Nog even terug naar mijn favoriet, de openingsfilm. Dat is inderdaad een dansfilm. De leuning is een barre, overal zijn spiegels. De deelnemers zijn mensen met Parkinson, in uiteenlopende stadia van de ziekte. Meerdere sessies zijn door elkaar gesneden, dat kun je zien aan de kleding van de vier die als hoofdpersoon zijn gekozen. Maar de opbouw van de film voelt als een geheel: van het moeizame begin (kleding en schoeisel uitdoen alleen al!), via zittend op stoelen losmaken van wat losgemaakt kan, tot een bevrijdende apotheose waarin die geteisterde lichamen niet langer louter beperking zijn maar gezien de gelukkige blikken, even bron van blijheid en genot zijn - vrij in de ruimte. Mooi worden die mensen. Met de door de lerares – die we nooit te zien krijgen – gekozen muziek, van Afrikaans tot Haydn, als prachtige basis. Sommige deelnemers zullen ooit gedanst hebben in professionele of hobbymatige zin. Anderen vast niet. Ze moeten elke week tegen de tocht erheen en het pijnlijke begin opzien, maar ze worden ongelofelijk beloond. Ja, dit lijkt een wee stukje. Dat is het niet. Kijk zelf. Over de resterende vijf films later.


Teledoc Campus, wekelijks vanaf zondag 22 oktober op NPO3.

Genoemde afleveringen in oplopende datum:
Eva Sjerps, Met alles wat er is (AVROTROS), 22 oktober, 23.24 uur
Mari Sanders, 80% Ongeschikt (EO), 29 oktober, 23.22 uur
Joost van der Wiel, De Hoeder (KRO/NCRV), 5 november, 22.59 uur
Anne van Campenhout & Nicky Maas, Helaas ben je het niet geworden (BNN/VARA), 12 november, 22.58 uur