Nietzsche in nazi-Duitsland en andere non-fictie boeken

Kortzichtige haat en simplistische verering

Nietzsche is door selectief te citeren voor vrijwel elk karretje te spannen. Maar in welke mate zijn ideeën raakvlakken hadden met de open en democratische samenleving waarin wij leven, of met de totalitaire dictatuur van het Derde Rijk, is moeilijker aan te geven.

Echt grappig waren overtuigde nazi’s zelden. Vandaar dat geestige uitspraken uit deze hoek doorgaans opvallen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de volgende opmerking van de nationaal-socialistische filosoof Ernst Krieck: «Al met al was Nietzsche een tegenstander van het socialisme, een tegenstander van het nationalisme en een tegenstander van de rassenidee. Als je die drie geestesrichtingen buiten beschouwing laat, had hij misschien een uitstekende nazi kunnen zijn.»

De gretigheid waarmee de uitspraak van Krieck veelal wordt aangehaald, bijvoorbeeld door Safranski in diens biografie van Nietzsches denken, valt echter niet alleen te verklaren uit het onverwacht humoristische gehalte ervan. Het komt ook heel mooi uit. Als zelfs een nazi als Krieck al doorhad dat de Nietzsche-verering in het Derde Rijk een farce was, dan behoeven keurige, humanistische en democratische Nietzsche-bewonderaars zich niet langer het hoofd te breken over de vraag, of er met de «filosoof met de hamer» wellicht toch iets mis is geweest. Wie Nietzsche met het nazisme associeert is dus blijkbaar net zo dom als de nazi’s waar Krieck de spot mee dreef. Met enige overdrijving zou je zelfs kunnen stellen dat het juist de onbehouwen en kortzichtige Nietzsche-cultus van de nazi’s is geweest die Nietzsche weer respectabel heeft gemaakt. Afkeer van Nietzsche is dus dom, kleinburgerlijk en gebaseerd op reeds lang achterhaalde roddels en vooroordelen.

Nu is kortzichtige haat jegens Nietzsche bijna even oud als de simplistische en beate verering van veel Nietzsche-adepten. Toen in de jaren negentig van de negentiende eeuw de roem van de inmiddels krankzinnig geworden filosoof zich als een olievlek uitbreidde, waren er tal van — doorgaans christelijke — critici die wezen op de funeste invloed van de man die als geen ander de fundamenten van de westerse cultuur had trachten te verbrijzelen.

Maar spoedig werd de filosoof van de Wille zur Macht vooral geassocieerd met de tomeloze ambities van het wilhelminische Duitsland. Onmiddellijk na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog schreef bijvoorbeeld Thomas Hardy dat sinds het begin der historie nog nooit een land «zo gedemoraliseerd was door één enkele schrijver». Zijn ideeën hadden de Duitse elite geïnfecteerd, en haar oorlogszuchtig gemaakt. Hoe sterk deze overtuiging leefde bleek uit het feit dat in de VS Nietzsche-vertaler en interpreet H.L. Mencken werd gearresteerd. Hij zou immers een agent zijn van «het Duitse monster Nietzky».

Tegelijkertijd werd aan Duitse zijde ook wel behoorlijk hard gewerkt aan het aan wakkeren van dit Nietzsche-beeld. Zo liet het Nietzsche-Archiv in Weimar in 1914 een speciale oorlogseditie van Also sprach Zarathustra drukken, om vervolgens die 150.000 exemplaren uit te delen aan de ten strijde trekkende Duitse soldaten.

Intellectuelen als Thomas Mann sloegen eveneens een ultranationalistische toon aan en stelden de krachtige, mannelijke, en diepe Duitse Kultur, waarvan Nietzsche een glorieuze vertegenwoordiger was, tegenover de oppervlakkige, materialistische en verwijfde Zivilisation van de Britten en Fransen. De socioloog Werner Sombart schreef zelfs Der Krieg von 1914 ist der Krieg Nietzsches. Als reactie op dit Teutoonse borstgeroffel gaf Nietzsches Engelse uitgever een bloem lezing uit onder de titel The Euro-Nietzschean War: Read the Devil in Order to Fight Him the Better.

Na de Duitse nederlaag werd het imago van Nietzsche er niet beter op, aangezien nogal wat vertegenwoordigers van de extreem nationalistische en antidemocratische Konservative Revolution zich op zijn denkbeelden beriepen, terwijl Hitler meermalen bedevaarten naar het Nietzsche-Archiv en de oude, antisemitische zuster van de wijsgeer maakte. Na de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog dachten veel mensen bij het woord Übermensch aan een grijnzende SS’er die met zijn hondenzweep weerloze mensen een veewagon inranselde.

Desondanks bleef Nietzsche veel intellectuelen fascineren, en werden er talloze pogingen gedaan de filosoof van de mestvaalt der geschiedenis te halen. De Amerikaanse filosoof Crane Brinton, die zelf overigens de verwantschap tussen Nietzsche en de nazi’s benadrukte, maakte in de jaren veertig een onderscheid tussen «harde» en «zachte» nietzscheanen. De eerste categorie, waartoe ook veel nazi’s behoorden, nam Nietzsche serieus. Dat kon volgens Brinton niet worden gezegd van de zachte nietzscheanen, die van de weerbarstige denker een brave, kosmopolitische, antimilitaristische en scherpzinnige cultuurcriticus maakten. Zijn voortdurende gehamer op Kampf, Vernichtung, Herrenrasse en Übermensch zou volgens hen vooral overdrachtelijk bedoeld zijn geweest.

De meest invloedrijke «zachte» nietzscheaan was de eveneens Amerikaanse filosoof Walter Kaufmann. Diens in 1950 voor het eerst verschenen Nietzsche-biografie geldt in de Engelstalige wereld over het algemeen als dé interpretatie van de problematische denker. Kaufmann bestreed naar eigen zeggen de Nietzsche-mythe, die vooral door diens zuster in het leven was geroepen en die inhield dat het werk onsamenhangend, dubbelzinnig en tegenstrijdig zou zijn geweest. Hierdoor kon het zelfs in verband met het nationaal-socialisme worden gebracht, en zou Nietzsche het symbool worden van alles wat er mankeerde aan Duitsland en de Duitse cultuur. In feite zou de Wille zur Macht op de meest zuivere wijze naar voren komen in de verwezenlijking van de rede. De Übermensch zou de mens zijn die zijn dierlijke, niet-rationele natuur had overwonnen (überwunden). Om te komen tot deze, zoals de cultuurhistoricus Evert Janssen Perio noemde, «gehumaniseerde» Nietzsche, moest Kaufmann veel facetten en uitspraken van Nietzsche onder tafel moffelen of uiterst creatief interpreteren. Kaufmann en andere zachte nietzscheanen beweerden echter dat het juist de nazi’s zijn geweest die Nietzsche hebben misbruikt, die zijn ideeën uit de context hebben gerukt.

Het probleem is echter dat door het aforistische, volkomen onsystematische en uitgesproken paradoxale karakter van Nietzsches werk, het «uit zijn verband» rukken van allerlei uitspraken onvermijdelijk is. Het is juist dat «verband» dat anderen er steeds in proberen aan te brengen. Hierdoor kan iedereen die pretendeert de «ware», «eenduidige» Nietzsche te hebben ontdekt, ervan worden beschuldigd diens teksten te hebben misbruikt. «Nietzsche de nazi» is evenzeer een constructie als «Nietzsche de humanist». Door selectief te citeren is Nietzsche voor vrijwel elk karretje te spannen. Of zoals Kurt Tucholsky reeds in 1932 opmerkte: «Zeg me wat je nodig hebt, en ik zal je daarvoor een Nietzsche-citaat bezorgen.»

Hiermee is echter geen antwoord gegeven op de vraag in welke mate Nietzsches ideeën raakvlakken hadden met de open, liberale en democratische samenleving waarin wij leven, of met de totalitaire dictatuur van het Derde Rijk. Wat betreft de laatste relatie: uit de dissertatie van Jaap Hagen, Nietzsches weerklank in Nazi-Duitsland, blijkt dat dit nog altijd niet echt serieus is onderzocht. Niet alleen de zachte nietzscheanen gaan zeer selectief te werk in hun poging het blazoen van hun held schoon te poetsen, ook onderzoekers die een verband tussen de filosoof en het nationaal-socialisme willen aantonen verzuimen een systematische analyse te maken van de Nietzsche-interpretaties door nationaal-socialisten. Beide kampen zijn er volgens Hagen niet in geslaagd om aan te geven waarom de nazi’s nu juist Nietzsche hebben uitverkoren tot hun favoriete filosoof.

Omdat Nietzsche een betrekkelijk apolitieke filosoof was, die zich vrijwel nooit over concrete onderwerpen uitsprak, moeten zijn «politieke denkbeelden» in hoge mate worden geconstrueerd. Met alle gevaren van dien. Niettemin zijn er in Nietzsches denken verschillende elementen aan te wijzen die de nazi’s moeten hebben aangesproken, zoals de verheerlijking van het heroïsme en het «gevaarlijke leven», het extreme elitisme, het pathos van de Weltschmerz en het verlangen naar een Verlosser. Tegelijkertijd waren echter niet alle nazi’s overtuigd van de waarde van de hyperindividualist Nietzsche voor hun collectivistische Welt anschauung.

Anders dan veelal wordt aangenomen heeft Hitler in zijn geschriften of toespraken Nietzsche nooit geciteerd. In gesprekken strooide hij dikwijls met Schopenhauer-citaten, maar de naam Nietzsche viel zelden. Nu wilde Hitler voor alles worden gezien als een oorspronkelijke geest, een ziener, en erkende hij alleen Wagner als voorloper. Wel zag hij in Nietzsche de enige filosoof die enigszins paste in de gedachte- en gevoelswereld van het nationaal-socialisme. Toch was Nietzsche Hitler niet modern genoeg, en was het de taak van de officiële NSDAP-ideoloog Alfred Rosenberg om de filosofische aanzetten die Nietzsche had gegeven uit te werken tot een volwaardige nazi-filosofie.

In diens Der Mythus des 20. Jahrhunderts — door Ernst Jünger ooit omschreven als «de meest platte verzameling haastig overgeschreven gemeenplaatsen die men zich kan voorstellen» — speelde Nietzsche echter een volstrekt ondergeschikte rol. Ook in andere geschriften gaf Rosenberg er blijk van Nietzsche even belangrijk te vinden als zestienderangs denkers als Paul de Lagarde en Houston Stewart Chamberlain.

Het werk van Nietzsche speelt wel een prominente rol in Michael: Ein deutsches Schicksal in Tagebuchblättern, het roman debuut van dr. Joseph Goebbels. Als slotzin fungeert een Nietzsche-citaat: «Viele sterben zu spät und einige zu früh. Noch klingt fremd die Lehre: ‹stirb zur rechten Zeit!›» Ook in zijn redevoeringen haalde de propagandaleider en «gevolmachtigde voor de totale oorlog» de filosoof geregeld aan. «Was mich nicht umbringt mach mich stärker» en «Gelobt sei, was hart macht!» waren favoriete citaten.

Ook de opperjurist van het Derde Rijk en latere gouverneur-generaal van Polen, Hans Frank, mocht graag Nietzsche als kroongetuige voor de nationaal-socialistische zaak opvoeren. Nietzsches betekenis voor de enorme strijd die zich op dat moment afspeelde zou volgens Frank te vergelijken zijn met die van Luther voor de godsdienstoorlogen van de zestiende en zeventiende eeuw en die van Rousseau voor de Franse Revolutie.

Uiteraard plukten deze nazi-leiders uit het oeuvre van Nietzsche precies die citaten die in hun kraam te pas kwamen. Volgens Hagen is hier dus meer sprake van «symbolisch handelen» dan van werkelijke argumentatie. De nationaal-socialistische filosofen die probeerden Nietzsches denken op maat te snijden voor de officiële ideologie waren er niet allemaal van overtuigd dat dit ook echt mogelijk was. Zo was de al genoemde Krieck zeer sceptisch en volgens Christoph Steding waren de verschillen tussen Nietzsches denken en de nationaal-socialistische leer veel groter dan de overeenkomsten. Hoe viel immers het individualisme van Nietzsche te rijmen met het «Du bist nichts, dein Volk ist alles!»? Overigens wijst Hagen erop dat Steding zijn door de partij-ideologen zwaar bekritiseerde opvattingen wel gewoon kon publiceren.

Ruime aandacht besteedt Hagen aan de enige nationaal-socialistische filosoof wiens werk nog steeds wordt gelezen, en die nog altijd op handen wordt gedragen door een onafzienbare schare gelovige volgelingen. Het was wellicht ook geen toeval dat de jaren waarin Martin Heidegger zich intensief met Nietzsche bezighield, precies samenvielen met het Derde Rijk. Omdat op het denken van Heidegger datgene van toepassing is wat Tucholsky schreef over het marx isme — «Het is het misbruik maken van een speciaal daartoe uitgevonden terminologie» — was de Meister aus Deutschland later in staat vol te houden dat zijn Nietzsche-colleges in werkelijkheid verzetsdaden waren geweest.

Maar Hagen laat zien dat Heidegger zeker in de eerste jaren van het Derde Rijk een positief verband tussen Nietzsche en de nieuwe heilsleer legde. Begin 1943 begon hij zich enigszins van Nietzsche, en mogelijkerwijs het nazisme, te distantiëren. Kenmerken voor de, overigens secure en gedegen, aanpak van Hagen is dat hij deze ontwikkeling volledig verklaart vanuit het denken van Heidegger. Alsof deze na tien jaar intensieve studie gewoon enkele, wetenschappelijk verantwoorde gevolgtrekkingen had gemaakt. Alsof het in 1943, na de verpletterende nederlaag bij Stalingrad, zelfs tot een wereldvreemde kamergeleerde als Heidegger niet begon door te dringen dat het wellicht mis begon te lopen met het Derde Rijk.

Over de vraag in hoeverre Heideggers engagement met het nazisme nu toeval was of dat het logisch voortvloeide uit zijn filosofie, is al heel wat geschreven. Het meest overtuigend is nog steeds de visie van zijn vroegere leerling Hans Jonas. Die was van mening dat Heideggers denken in normatief opzicht «inhoudsloos» was waardoor de filosoof min of meer was overgeleverd aan de genade van de actuele historische ontwikkelingen. Heeft vooral Nietzsche niet een belangrijke bijdrage geleverd aan deze normatieve kaalslag, aan deze ethische leegte? Hagen gaat daar niet echt op in, maar Safranski heeft Nietzsche getypeerd als een «laboratorium van het denken», een «krachtcentrale voor de vervaardiging van interpretaties».

Voortbordurend op deze beeldspraak zou men kunnen stellen dat de wijze waarop Heidegger en andere nazi’s met deze kernreactor zijn omgesprongen, heeft geleid tot een total melt down. Wellicht is dat iets te veel eer voor Nietzsche en Heidegger, aangezien de westerse filosofie nog heel wat andere en meer betekenisvolle denkers heeft voortgebracht. Feit is wel dat de westerse cultuur zeker sinds de Renaissance en de Verlichting wordt gekenmerkt door individualisme en een kritische grondhouding. Nietzsche is hiervan het meest extreme product, en met de scherven die overbleven na zijn beeldenstorm hebben de nazi’s hun nihilistische ideologie versierd.

Jaap Hagen

Nietzsches weerklank in nazi-Duitsland

Uitg. Aspekt, 286 blz., € 28,50

________________________________

Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.)

25 eeuwen oosterse filosofie

Tegelijkertijd met de zesde druk van Jan Bors 25 eeuwen westerse filosofie verschijnt deze fraai uitgegeven en voorbeeldig verzorgde bloemlezing uit teksten die bij gebrek aan een betere omschrijving worden aangeduid als «oosterse filosofie». Zoals de samenstellers in hun inleiding al aangeven is dat een hoogst problematisch begrip. Om te beginnen is «filosofie» vooral een «westers» fenomeen, en is een groot deel van de teksten in dit boek door en door religieus. Ook was de in islamitisch Spanje levende Averroës in geografisch opzicht heel wat meer westers dan de in het andere boek voorkomende Leibniz of Hegel. Bovendien wordt duidelijk dat er een grote kloof gaapt tussen de op het Griekse denken voortbouwende islam en de Tibetaanse, Chinese, Indiase en Japanse wijsgeren. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het werk van Sayyid Qoetb (1903-1966), die momenteel wordt gezien als de belangrijkste ideoloog van het moslimfundamentalisme, en dat sterk is beïnvloed door het westerse denken.

Uitg. Boom, 605 blz., € 32,50 per deel

Vibeke Roeper

& Boudewijn Walraven (red.)

De wereld van Hendrik Hamel

De confrontatie tussen Oost en West werd in 1653 heel lijfelijk voor de opvarenden van het VOC-schip Sperwer, toen dat voor de kust van het Koreaanse eiland Cheju «geheel in spaenderen» werd geslagen. De 36 overlevenden van de schipbreuk worden door de Koreanen vastgehouden en pas dertien jaar later slagen acht van hen erin te ontsnappen naar Japan. Eeuwenlang was het door boekhouder Hendrik Hamel opgestelde verslag van hun gevangenschap en ontsnapping de enige westerse tekst over Korea. In dit boek is dat Journael hertaald en vergezeld van uitgebreide essays over de auteur, de VOC en het zeventiende-eeuwse Korea.

Uitg. Sun, 192 blz., € 19,50

Roelof van Gelder

Naporra’s omweg

Dat het leven van VOC-matrozen ook bij het uitblijven van grote rampen niet over rozen ging, bewijst het levensverhaal van de uit Oost-Pruisen afkomstige Georg Naporra. Als zoveel van zijn landgenoten beproefde deze boerenzoon in de achttiende eeuw zijn geluk in Nederland, om daar aan te monsteren op een VOC-schip.

Van Gelder ontdekte het vijfhonderd pagina’s tellende manuscript over Naporra’s Ost-Indische Reise, en reconstrueerde aan de hand van ’s mans levensloop het dagelijkse, in onze ogen ondraaglijk zware leven van achttiende-eeuwse matrozen. Een knap en informatief boek, waarin de hoofdfiguur zelf wel iets meer aan het woord had mogen komen.

Uitg. Atlas, 525 blz., € 34,90

Oscar Westers

Welsprekende burgers

Vooral onder invloed van de Tachtigers is de rederijkerij in een kwaad daglicht komen te staan. Bombastische, nationalistische poëzie en toneelstukken waarmee bekrompen en zelf genoegzame kleinburgers de lange winteravonden door kwamen — dat is het dominante beeld.

In deze studie naar de ongekend populaire rederijkerskamers uit de negentiende eeuw gaat het niet om de rehabilitatie van een literatuur die ons inderdaad niets meer te vertellen heeft. Aan de hand van de opkomst en het verval van deze genootschappen laat Westers zien hoe werd getracht een min of meer coherente burgerlijke ideologie te creëren en te verbreiden.

Interessant is dit boek vooral omdat het aandacht besteedt aan de brede laag ónder de burgerlijke elite, waartoe het meeste onderzoek zich beperkt.

Uitg. Vantilt, 525 blz., € 29,50

Viktor Mann

We waren met z’n vijven

Als icoon van het Bildungsbürgertum, de Duitse variant van de burgerlijke elite, geldt sinds een halve eeuw Thomas Mann. Wellicht heeft er ergens achter Lübeck een dyslectisch achternichtje van hem geleefd, dat geen memoires heeft geschreven, maar verder heeft iedere Mann het nodig geacht zijn of haar herinneringen te boekstaven. Dit kloeke boek uit 1949 van de jongste broer Viktor mag er wezen. De verhalen over zijn briljante grote broers Heinrich en Thomas zijn weliswaar nogal liefdevol en bewonderend, Viktors beschrijvingen van zijn deftige en hoogst culturele milieu, en zijn eigen belevenissen in het Duitsland van Weimar en Hitler zijn de moeite waard.

Uitg. Atlas, 544 blz., € 29,50

Joggli Meihuizen

Noodzakelijk kwaad

Terwijl de NSB-melkboer die wel eens met Volk en Vaderland had lopen venten in mei 1945 achter het prikkeldraad verdween, en het dienstmeisje dat had gevreeën met die knappe Wehrmacht-soldaat werd kaalgeschoren en vogelvrij werd verklaard, gingen de captains of industry die goed geld hadden verdiend aan de Duitse oorlogs industrie vrijwel zonder uitzondering vrijuit. Meihuizen laat in dit boek zien hoe moeizaam de berechting van de gigantische economische collaboratie verliep, niet in de laatste plaats doordat het bedrijfs leven zich kon beroepen op instructies van de Nederlandse overheid. Bovendien: het land diende zo snel mogelijk weer opgebouwd!

Uitg. Boom, 847 blz., € 45,-

Louis Paul Boon e.a.

Hij was een zwarte

In België was het niet veel anders. In 1946 schreef Louis Paul Boon voor het communistenblad De roode vaan een reportage over de tewerkstelling van politieke delinquenten in de Ardennen. Bijzonder getroffen werd hij door het relaas van een Vlaamse jongen die lid was geweest van een nationaal-socialistische jeugd organisatie. Armoede, franskiljonse discriminatie, onwetendheid en indoctrinatie hadden hem een bepaalde keuze doen maken, waarop hij hard werd afgerekend. Een mooi verhaal dat is aangevuld met een aantal artikelen over collaboratie en verzet in België en Nederland, en over de verschillende wijzen waarop daar na de oorlog op is gereageerd.

Uitg. Meulenhoff/Manteau, 155 blz., € 17,50

Stefan Blommaert

De ondergang van Slobodan Milosevic

Ook opgepakt, maar wel een «grote vis», is Slobodan Milosevic, die nu al weer ruim twee jaar in Scheveningen gevangen zit. Blommaert zat geruime tijd voor de Vlaamse Radio en Televisie in het voormalige Joegoslavië. In dit boek worden op meeslepende wijze de gebeurtenissen vanaf begin 1999 beschreven, toen Milosevic door de oorlog in Kosovo zijn greep op de situatie begon te verliezen. Veel aandacht voor de stemming op straat en in cafés, de collataral damage door de Navo-bombardementen, de demonstraties die leidden tot de val van Milosevic en het proces in Den Haag. Het boek eindigt, weinig opgewekt, met de moord op premier Djindjic, in maart van dit jaar.

Uitg. Atlas, 368 blz., € 22,50