HET POLITIEKE ETIKETTEN PLAKKENReageer online>>>>

Kosmopolieten vervallen in eigenliefde

De auteurs van Het bange Nederland zijn opvallend bang voor andersdenkenden, vindt SP-Tweede-Kamerlid Ronald van Raak. Daarom beplakken ze hen met politieke etiketten als ‘conservatief’ en ‘nationalistisch’. Deel drie van de discussie over ‘Bang Nederland’.

OP 4 NOVEMBER koos Amerika Barack Obama tot president. Dat was even wennen voor al die Amerikanen die tijdens de verkiezingscampagne was voorgehouden dat hij een ‘moslim’, een ‘communist’ en een ‘terrorist’ is. In de Amerikaanse mediademocratie is het etiketteren van de politieke tegenstander een beproefd middel. Dit etiketten plakken heeft een duidelijk doel: op het moment dat je erin slaagt iemand persoonlijk te diskwalificeren, hoef je niet meer inhoudelijk met hem te discussiëren. In de Verenigde Staten leidt dat tot verbeten verkiezingscampagnes, waarin kandidaten elkaar bevechten op basis van labels en standpunten naar de achtergrond verdwijnen.
Ook in Nederland is dit zichtbaar, al zijn de etiketten over het algemeen milder. ‘Conservatief’, ‘nationalistisch’ of ‘populistisch’ volstaat in ons land om iemand te diskwalificeren en het inhoudelijke debat uit de weg te gaan. Politiek etiketteren werkt twee kanten op, je kunt immers ook jezelf een positief label geven. ‘Progressief’, ‘kosmopolitisch’ en ‘vrijzinnig’ zijn typeringen die zo goed klinken dat ze nauwelijks nog vragen om een inhoudelijke verantwoording. Zet jezelf als ‘vrijzinnige kosmopoliet’ tegenover een ‘conservatieve populist’ en argumenten lijken overbodig.
In hun bijdrage ‘Omarm de wereld’ (De Groene Amsterdammer, 7 november) doen Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan een aantal interessante observaties. Maar ze laten helaas ook de etikettenmachine volop draaien. Welk doel dient het om eerst te spreken over ‘neonationalistisch tromgeroffel’, om vervolgens in één adem Rita Verdonk en Jan Marijnissen van ‘eng-nationalisme’ te betichten? Wie de SP een beetje volgt, weet dat een dergelijk label niet bij deze partij past. Ze is een gekend tegenstander van egoïsme, nationalisme en neoliberalisme en is al vele jaren actief als het gaat om internationale solidariteit. Ik kan me ook niet voorstellen hoe de auteurs het pleidooi van Jan Marijnissen voor een Nationaal Historisch Museum op één lijn kunnen stellen met de oproep van Rita Verdonk tot behoud van het sinterklaasfeest. Hier lijkt sprake van kwaadwillendheid.

Op het moment dat ik aandacht vraag voor het belang van sociale wetgeving en sociale zekerheid, als tegenwicht tegen de uitwassen van de vrijemarkteconomie, krijg ik door de heren het plakkertje ‘conservatief’ opgeplakt. Dat klopt niet. Ik ben een socialist, die wil verdedigen wat mensen in het verleden aan beschaving hebben opgebouwd. Conservatieven hebben zich in het verleden juist weinig druk gemaakt om sociale zekerheid en sociale wetgeving. Als ik pleit voor een referendum over het nieuwe Europese Verdrag krijg ik van hen nog steeds het etiketje ‘nationalist’ opgeplakt. Maar wat is er nationalistisch aan het nakomen van een eerdere belofte om burgers inspraak te geven in de toekomst van Europa?
Dit etiketteren is niet nieuw. De SP was in de jaren tachtig de eerste politieke partij die aandacht vroeg voor de problemen met de integratie van migranten in de oude wijken. Leden merkten in de praktijk hoe hier een tweedeling ontstond, en dat veel migranten te weinig kennis hadden van de Nederlandse taal en cultuur om goed mee te kunnen komen. De SP’ers die destijds pleitten voor inburgering en taalcursussen werden door sommige linkse collega’s weggezet als ‘racisten’. De linkse etikettenplakkers van toen hebben ondertussen bijna alle voorstellen van de SP’ers van destijds overgenomen. Zijn zij daarmee ook ‘racisten’ geworden?
Het gevolg van deze diskwalificaties was dat het inhoudelijke debat over integratie en segregatie door de PVDA en GroenLinks voor decennia taboe werd verklaard. De multiculturele idealen van Duyvendak, Engelen en De Haan zijn juist in gevaar gekomen door een gebrek aan discussie door linkse politici. Door het linkse taboe kon het publieke debat in handen komen van rechts, van Frits Bolkestein, Pim Fortuyn en Geert Wilders, die kozen voor de weg van de confrontatie.
De schrijvers van Het bange Nederland hebben zich in hun gelijkstelling van Jan Marijnissen en Rita Verdonk laten beïnvloeden door het zogenoemde ‘hoefijzermodel’, dat enkele jaren geleden door Dick Pels uit de mottenballen werd gehaald. Volgens deze socioloog moeten we het politieke spectrum niet indelen in een lijn van links naar rechts, maar in een hoefijzer, waarbij de uiteinden van de Nederlandse politiek eigenlijk heel dicht bij elkaar staan. In Trouw van 18 november 2006 etiketteerde GroenLinkser Dick Pels de SP als een ‘sociaal-nationalistische partij’, die dicht bij het ‘islamofobe nationalisme’ van rechts zou staan. Op 4 december 2007 ging hij in dezelfde krant zelfs de vergelijking tussen Jan Marijnissen en Adolf Hitler niet uit de weg.
Voor de brochure Wat Wilders Wil (verschenen in februari 2008) heb ik de uitspraken van Geert Wilders nauwkeurig bestudeerd, de programma’s van de Partij Voor de Vrijheid (PVV) bekeken en de stemmingen bij 250 moties vergeleken. En ik kan u zeggen: het hoefijzermodel kan de toets der kritiek niet doorstaan. Of het nu gaat om integratie, sociaal beleid of economisch beleid, nergens in de Nederlandse politiek zijn de inhoudelijke verschillen groter dan tussen de SP en de PVV. Dit soort inhoudelijk onderzoek heeft Dick Pels niet gedaan. Evenmin heeft hij gesproken met migranten die actief zijn in de SP, zoals de Tweede-Kamerleden Sadet Karabulut en Farshad Bashir. Op basis van een onbewezen hypothese plakt Pels politieke etiketten. Als dergelijke labels zijn geïntroduceerd, gaan ze al snel een eigen leven leiden.

Er zijn verschillende redenen denkbaar waarom het politieke etiketten plakken in Nederland zo’n vlucht heeft genomen. In de eerste plaats speelt ideologische onzekerheid een rol. In Nederland worden nauwelijks fundamentele debatten gevoerd, ook niet in de Tweede Kamer. Een discussie over de toekomstige verhouding tussen overheid en markt, de toekomst van de Europese samenwerking, de toekomst van de Navo: het komt allemaal niet van de grond. Fundamentele discussies kunnen alleen worden gevoerd door politici die hun beginselen op orde hebben en dat is in veel partijen niet het geval.
Politieke etiketten dienen als surrogaat voor wetenschappelijke analyse. Etiketten maken het mogelijk om ingewikkelde kwesties terug te brengen tot platte plaatjes en persoonlijke tegenstellingen. Diskwalificaties worden sneller overgenomen in de media en brengen een politicus uitgebreid in beeld. Op deze manier wordt ook Nederland steeds meer een mediademocratie: de politieke strijd verplaatst zich van de debatten in de Tweede Kamer naar het labels plakken in de media. Deze strijd wordt niet gevoerd door gekozen volksvertegenwoordigers, maar vooral door schimmige spindoctors. En door sommige ‘wetenschappers’.
De auteurs van Het bange Nederland lijken het slachtoffer van hun politieke narcisme. Ze zijn verliefd geworden op de positieve etiketten die ze zichzelf hebben toebedacht. Maar termen als ‘progressief’, ‘kosmopolitisch’ en ‘vrijzinnig’ verliezen hun aantrekkingskracht als ze niet meer behelzen dan eigenliefde.
Weinig inhoudelijk is ook de kritiek van Duyvendak, Engelen en De Haan op de onzekere elite, die de bevolking bang zou maken. Ik betwijfel of Nederlanders ‘benauwd en bevreesd’ zijn geworden, zoals zij beweren. Onderzoeken van onder meer het Sociaal en Cultureel Planbureau laten zien dat Nederlanders best tevreden zijn met hun eigen leven, maar ook dat ze zich grote zorgen maken over de samenleving. Over migranten die hun weg in onze maatschappij niet kunnen vinden, publieke diensten die in de uitverkoop worden gedaan, en het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel voor dat wat van ons allemaal is. Het is de taak van een volksvertegenwoordiger om die zorgen onder woorden te brengen en oplossingen aan te dragen.
Het is niet eenvoudig om te achterhalen wat Duyvendak, Engelen en De Haan precies bedoelen met het zelfgekozen etiket ‘kosmopolitisch’, behalve de oproep om de ‘luiken open te gooien’. Maar de deur staat al uitnodigend open. De wereldmarkt heeft de productie en consumptie van alle landen ‘kosmopolitisch’ gemaakt, schreef Karl Marx al in 1848. Maar onze verbondenheid met de wereldmarkt kan toch nooit een reden zijn om de verworvenheden van onze sociale zekerheid op te geven? Europese samenwerking zou mensen toch niet moeten dwingen tot arbeidsmigratie, maar moeten leiden tot investeringen in een sociale welvaartsstaat in de nieuwe lidstaten? Nieuwkomers voorbereiden op een leven in Nederland mag toch niet worden afgedaan als ‘eng-nationalistisch’?
Het ‘kosmopolitisme’ van Duyvendak, Engelen en De Haan wordt opmerkelijk bleek als zij pleiten voor een ‘beter wervings- en selectiesysteem voor de Nederlandse elite’, die ‘moreel en praktisch de weelde van dat leiderschap kan dragen’. Met dit boek haalt in ieder geval dit trio de selectie niet. In Het bange Nederland weerspiegelen zich de vooroordelen van de auteurs, die verliefd worden op hun politieke gelijk. Hopelijk staat in een volgend boek de inhoud centraal.