ESSAY

Kosovaren, de Europeanen van de toekomst?

In heel Europa zijn naties op zoek naar een nationale identiteit. In Kosovo stellen Albanezen en Serviërs hun oude identiteit intussen ter discussie. Straks zijn ze immers Kosovaar

PRISTINA/MITROVICA – Wat is onze nationale identiteit? Overal in Europa ligt men wakker van die vraag. In Engeland stak vorig jaar een storm van discussies en artikelen op over de precieze definitie van Britishness. In Frankrijk weten ze zich geen raad met de boze jonge moslims die zichzelf alles noemen behalve Frans. In Duitsland zijn ze naarstig op zoek naar een verhaal dat alle Duitsers verbindt zonder de pijnlijke geschiedenis aan weerszijden van de Muur te ontkennen. In Spanje proberen ze wanhopig de Catalanen aan boord te houden.

In Nederland hebben we de assimilatiepolitiek van Balkenende en Verdonk. Terwijl in de grote steden een urbane identiteit wordt gesampled uit een mix van gesloopte Anatoliërs, roekeloze Berbers, middenklasse Surinamers en witte kosmopolieten hamert de overheid op de trouw aan Hollandse waarden. Nooit eerder zijn die zo hard geformuleerd als op dit moment, nu ze definitief hun geloofwaardigheid en bestaansrecht verliezen. Juist nu we meer dan ooit lijken op Amerikanen, Europeanen, Afrikanen of Arabieren, worden we verwacht ons te herinneren wie dat ook alweer waren, Hollanders.

En wat doen ze intussen in Kosovo, dat binnenkort officieel Kosova zal heten, het nieuwste land van Europa? In Kosovo drinken ze koffie. En ze bekvechten over de vraag wat de Kosovaarse identiteit inhoudt, nu ze eindelijk (bijna) onder elkaar zijn.

*

De aanstichter van het debat, Migjen Kelmendi, hoofdredacteur van het weekblad Java, nipt tevreden aan zijn espresso. Het is een regenachtige middag in Pristina. Restaurant Hani is uitgestorven. Toen ik hem voor het eerst ontmoette, in de zomer van 1999, was Kelmendi zeker tien kilo lichter. Staccato dicteerde hij me toen het verhaal van zijn vlucht. Servische troepen hadden de Albanezen uit de stad verjaagd. Hij zag nog bleek van de massale oversteek naar Macedonië. «Na de oorlog, toen we terugkwamen van de deportatie, besloot ik niet langer de ironische, gedistantieerde intellectueel uit te hangen. Ik werd directeur van onze eerste eigen omroep. Maar de verplichte verheerlijking van de groot-Albanese gedachte stond me tegen. De droom die ons motiveerde tijdens het schaduwleven onder de Servische bezetting leek me gedateerd. Maar hoe moest ik het systeem van binnenuit veranderen? Ik koos ervoor mijn eigen krant te beginnen, om ruimte te maken voor andere stemmen.»

Kosova is letterlijk het jongste land in Europa: zeventig procent van de bevolking is nog geen dertig. Elk jaar betreden zo’n dertigduizend nieuwkomers de grijze economie. Het hele land, schrijft Kelmendi, is geobsedeerd door twee woorden: onafhankelijkheid en werkloosheid, pamvarësia en papunësia.

Het weekblad Java was zijn antwoord: werkgelegenheid voor jonge journalisten en een platform voor wat dat nu precies betekent, onafhankelijk Kosovaar te zijn. Hij stelde de vraag in het eerste nummer van Java, op 1 december 2001. Een verhit debat volgde. De belangrijkste bijdragen verzamelde hij in het boek Who is Kosovar? dat nu in het Engels is verschenen.

Elders op de Balkan zou ik achter zo’n vraag meteen eng nationalisme vermoeden. Maar hier blijkt de zaak precies andersom te liggen. «Als Kosova een westerse democratie wil worden», schrijft Kelmendi in zijn inleiding, «dan moeten we de versteende Albanese identiteit, de gemeenschappelijke taal en symbolen ter discussie stellen. Niet het nationalisme moet de basis vormen voor deze staat, maar mensenrechten in een samenleving met verschillende bevolkingsgroepen. Dit boek ligt in het verlengde van het Europese debat, dat mensen aan het denken zet over een boven-etnische identiteit.»

Hij maakte er weinig vrienden mee. Kort na de oorlog werd iemand die afstand nam van de gedroomde hereniging met het Albanese moederland al snel weggezet als Servische collaborateur. In het boek schrijft oud-strijder Valon Murati: «Voor de uçk was het doel van de roemrijke bevrijdingsoorlog de eenwording met Albanië. Iedereen die het idee van een Kosovaarse natie voorstaat drijft ons terug naar Servië.»

Kelmendi zit klem tussen de twee nationalistische kampen: het Servische en het Albanese. Allebei beweren ze dat er sprake is van twee volken die nooit een gezamenlijke identiteit kunnen hebben.

De man die ooit als voorman van de punkband The Traces de eerste Joegoslaaf was die zong in het Albanees pleit nu voor de acceptatie van het Gheg, het dialect van de Noord-Albanezen dat door Enver Hoxha in 1972 met één pennenstreek buiten de orde werd geplaatst. Maakt dat hem dan niet populair in Kosovo, waar iedereen buiten het parlement en de staatsmedia Gheg spreekt? De oude rocker grijnst uitdagend: «Het is alsof je naakt de moskee binnenloopt. Juist het standaard-Albanees gaf onze leiders het instrument om de wereld als één natie binnen te treden.» En de internationale gemeenschap, die het land sinds 1999 bestuurt en gestaag toewerkt naar een onafhankelijk Kosova? «Die heeft geen idee. Ze missen de antenne. Ik heb nog nooit iemand in de top van unmik (United Nations Interim Administration Mission in Kosovo – ck) ontmoet. Bij de presentatie van het boek waren ze afwezig, op Yvana Enzler na, de Zwitserse ambassadeur die geld gaf voor de Engelse vertaling.»

Niet alleen de internationalen ontbreken. De inhoudsopgave van het boek, dat pleit voor een Kosova waar ook de minderheden een plaats hebben, telt één (Italiaans-Amerikaanse) vrouw, geen Roma en geen Serviërs. De samensteller buigt het hoofd: «Dit boek documenteert het falen van Kosova, van de internationale gemeenschap, van ons. Direct na de oorlog hebben we de Roma en de Serviërs volstrekt van ons afgescheiden. We hebben geen manier gevonden om hen bij het debat te betrekken.»

*

Daarom neem ik de bus naar Mitrovica, de explosieve stad in het noorden van Kosovo, waar een rivier de strikte scheidslijn vormt tussen de twee bevolkingsgroepen. Ik loop tussen het prikkeldraad door over de brug, nagekeken door twee lusteloze Franse soldaten. Halverwege staat een hamburgertentje met de rolluiken dicht. Aan de overkant, op het terras van café La Dolce Vita, zit Oliver Ivanovic op me te wachten. De leider van de Servische partij in Kosovo oogt als de ironische broer van George Clooney: grijzend, scherpe kaaklijn en om de mondhoeken het permanente lachje van iemand die weet dat hij altijd zal worden tegengesproken, wie hij ook tegenkomt. Hij vertegenwoordigt acht zetels in het parlement maar laat ze onbezet zolang zijn fractie per definitie wordt weggestemd. Een atypische man in deze regionen: hij drinkt thee, rookt niet en voor een Servische politicus gaat hij ver in het erkennen van de realiteit: «In de Servische delegatie naar de huidige onderhandelingen in Wenen over de toekomst van Kosovo heb ik geen plaats genomen. Ik kan er alleen maar verliezen. Mijn voorkeur zou zijn: maximale autonomie van Servië, geen onafhankelijkheid.»

«Maar stel» – alleen al die hypothese hoor je een Servische politicus zelden uitspreken – «dat het land onafhankelijk wordt, dan ben en blijf ik een Serviër in Kosovo, net zoals zij Kosovaren in Servië waren. De hele discussie over een nationale identiteit is een politiek project, meer niet. Voor mij heeft het geen enkele zin.»

Toch staat Ivanovic deze week op de voorpagina van Java, onder de kop: «Als wij Serviërs in Kosovo willen leven, dan zullen we moeten communiceren met de Albanezen.» Waarom neemt hij de handreiking van Kelmendi dan niet aan?

Het boek zelf geeft hem het antwoord. Filosoof Shkelzen Maliqi citeert Anthony D. Smith, die in National Identity zes kenmerken van een nationale gemeenschap of natie noemt: 1. een gemeenschappelijke naam; 2. een mythe over de gemeenschappelijke oorsprong; 3. een collectieve geschiedenis; 4. gedeelde elementen van een gemeenschappelijke cultuur; 5. een band met een gedeeld moederland; 6. een gemeenschappelijke solidariteit met de meerderheid van de bevolking.

Ivanovic grijnst nog iets nadrukkelijker: «Het antwoord is nee, op alle punten. Je ziet het, die Kosovaarse identiteit is een illusie. Dit land heeft nooit zelfbeschikking gekend. Ook binnen het federale Joegoslavië was het geen republiek, met een stem in het presidium, maar een provincie. Wij delen alleen een identiteit met Servië, over de grenzen heen. Sterker nog: wij zijn nog Servischer dan de inwoners van Servië zelf. De slag om het Merelveld was hier.»

Nu klinkt hij net als Ibrahim Rugova, de onlangs overleden president van Kosovo, die beweerde dat het hart van de Albanese cultuur in Kosovo lag. Ivanovic: «Hij speelde met de geschiedenis. De feiten en de oudste rechten liggen bij ons.»

Maar hoe moet Kosova dan een functionerende democratie worden? «Samen leven en werken, dat kan, zolang het bestuur en de grondwet de rechten van minderheden garanderen. Of de Albanezen dat willen betwijfel ik, maar de internationale gemeenschap zal ze geen onafhankelijkheid toestaan zolang ze niet bewezen hebben ons een plaats in het systeem te gunnen. De andere minderheden zullen assimileren, ons kunnen ze daartoe niet dwingen. Ik zie onze toekomst binnen de EU, met twee constitutionele gemeenschappen, net als België of Spanje.»

Als we opstaan vraag ik hem of hij het aandurft de Servische stem te zijn als Kelmendi besluit tot een tweede editie van zijn boek. «Hij mag me altijd komen interviewen. Ik zal precies hetzelfde zeggen. Maar ik denk dat hij deze strijd aan het verliezen is. Misschien moet hij maar weer gewoon mooie boeken gaan schrijven.»

In Pristina zit Shkelzen Maliqi in het zonnetje voor café Toto, een van de talrijke comfortabele gelegenheden langs de Bill Clinton-boulevard. Als ik zou moeten gokken wat die typisch Kosovaarse identiteit dan is, los van de Servische en Albanese, dan is het dit: meer dan waar ook worden hier de zaken gedaan op terrassen, met de koffie en raki op tafel. Ook de politieke zaken: Haradinaj, de jonge premier die naar het tribunaal in Den Haag moest op verdenking van oorlogsmisdaden, is op borgtocht vrij en adviseert nu zijn opvolgers vanachter dezelfde cafétafels.

Maar die cafés rijzen niet vanzelf uit de grond. Kosovaren zijn koppige kleine ondernemers, gewend om voor zichzelf te zorgen onder welke machthebber dan ook. Als natie mogen ze geen traditie van zelfbeschikking hebben, individueel hebben ze geen enkel talent voor afhankelijkheid. Ook in hun heldenverering zijn ze minder slaafs dan hun buren. Vaderfiguren zijn niet voor altijd heilig. Nog bij zijn leven werd de positie van Rugova ondergraven door de generaals Thaci, Haradinaj en Ceku. En al lijkt onder de jonge werklozen de hang naar de islam te groeien, het is niet de radicale versie, eerder de spirituele van het soefisme. Ook aan de imam staan de Kosovaren hun onafhankelijkheid niet af. Kop omlaag en schouders eronder, dat lijkt nog steeds het devies. Zelfs de koffie en de raki staan er niet voor de ontspanning.

Maliqi, met een jongensachtig petje over de ogen en de witte baard van een Albanese zestiger, is het toonbeeld van die geestelijke onafhankelijkheid. Ze noemen hem de verstandigste man van Kosova. De filosoof die ooit de ldk van Rugova hielp oprichten, is nooit actief de politiek ingestapt. Van 1995 tot 2000 leidde hij het Soros Centre, nu heeft hij zijn eigen onderzoekscentrum, Gani Bobi. Maar nog altijd wordt hem, als hij weer eens dwarsligt, nagedragen dat zijn vader het hoofd van de Servische geheime dienst was.

De langste en overtuigendste bijdrage in het boek is van hem. Maliqi: «Geografisch gezien is de Kosovaarse identiteit net zo kunstmatig en inconsistent als die van andere gebieden waar strenge religieuze of etnische gemeenschappen moeizaam samenleven, zoals Libanon of Noord-Ierland.»

Eigenlijk, bromt hij, is hij het helemaal met Ivanovic eens: «De frustraties zullen afnemen als we zorgen voor verbetering in de infrastructuur, de landbouw en de werkgelegenheid. Voor de Serviërs moeten er meer garanties komen, inclusief hechte contacten met het moederland. Alles eerst nog onder internationaal toezicht, later binnen de EU. Een gedeelde identiteit heb je daarvoor niet nodig. Die heeft vooral een mobiliserend effect in tijden van dreiging. Zijn die voorbij, dan vervalt de noodzaak.»

Drie jaar geleden schreef Maliqi over de dominante politieke partijen in Albanië en Kosovo: «De overgang vanuit een totalitaire staat is nog niet voltooid. Een worm blijft een worm, ook als hij in stukken is gehakt. De heersende partijen spreken namens de hele natie, niet namens een specifieke groep binnen het politieke spectrum. Allemaal claimen ze het monopolie op de nationale identiteit. Geheel volgens de autoritaire traditie zetten ze elke opponent weg als vijand en verrader.»

Nu, drie jaar later, ziet Shkelzen Maliqi beweging: «Langzaam beginnen de partijen te leren dat ze de ander moeten erkennen. De idealen waar ze op steunden – de oorlog, de onafhankelijkheid – liggen achter ons. Er verschijnen nieuwkomers aan het front. Rijke zakenmensen die hun aandeel in de macht zoeken. Dat zal niet altijd goed gaan, maar het spectrum breekt open. De partijen moeten hun kiezers gaan werven op specifieke belangen. De machtsstructuur is aan het veranderen. Een nieuwe generatie zal anders omgaan met de Serviërs en andere minderheden, die onder internationale druk straks ook zullen meebesturen.»

Net als iedere rechtgeaarde optimist zegt hij dat het geen kwestie is van optimisme, maar van gezond verstand. De generatie die gevormd is door de bezetting en de oorlog zal plaatsmaken voor een jongere garde, die mobieler is, haar identiteit internationaler samenstelt en dus steeds minder «Albanees» zal zijn.

Althans: zolang de toekomst binnen de Europese Unie ligt. Dat zegt iedereen. De aloude tegenstelling tussen de Servische en de Albanese droom zal moeten oplossen in een Europees verband, waarin de grenzen doorlaatbaar en de identiteiten hybride zijn. Steeds vaker hoor ik intellectuelen in de regio zeggen dat de Balkan de toekomst is van Europa. Niet haar primitieve achterhoek, maar haar voorloper op weg naar een realiteit waarin debatten over nationale identiteit een anachronisme geworden zijn.

De oude Hollanders zijn gewaarschuwd.