Kosovo brandt

PRISTINA, vrijdagavond. ‘Hier staat Servische artillerie.’ Erich Rathfelder van de Berlijnse krant Tageszeitung zet een kruisje op de pentekening van Kosovo. ‘En hier, aan de Albanese grens, controleren de Serviërs de heuvels. Met mortieren en zware machinegeweren bestrijken ze het hele gebied.’

Rathfelder verbleef jarenlang in Bosnië om de oorlog te verslaan. Wat in Kosovo op uitbarsten staat, zag hij daar al zo vaak. ‘Dit wordt een grotere hel dan Bosnië. Daar waren de Moslims en de Kroaten op de oorlog voorbereid. Hier hebben de Albanezen geen nachtkijkers en sniper rifles, ze zijn nagenoeg ongewapend.’
Hij slaat zijn whisky achterover. Dan trekt hij met kracht een kromme pijl over het kaartje van Kosovo. Van het gebied dat grenst aan Servië tussen de artilleriestellingen en de mitrailleurnesten aan de Albanese grens door. De punt van de pijl wijst naar Macedonië, dat voor de helft door Albanezen wordt bewoond. 'In deze richting zullen de Serviërs de etnische schoonmaak uitvoeren. Wie het overleeft, kan slechts vluchten naar Macedonië. Daar zijn Amerikaanse en Noorse troepen gelegerd, dus dat zullen ze niet aanvallen. Dit wordt de grootste slachting die de Balkan ooit gekend heeft. Het kan elk moment beginnen.’
Kosovo-Metohija, zoals de Serviërs de regio noemen, werd in 1989 beroofd van zijn autonome status. Het gebied is nu een provincie van Servië, terwijl de Albanezen er zo'n negentig procent van de bevolking uitmaken. In 1990 riepen de Albanezen, onder leiding van Rugova, grote man van de partij LDK, de Republiek Kosova uit. Die wordt alleen erkend door Albanië. Servië zal Kosovo niet zonder slag of stoot opgeven. Oud-Servië noemen ze de provincie, ze beschouwen Kosovo als de bakermat van hun cultuur. Hier bevochten ze in de veertiende eeuw de Turkse overheersers en hier staan hun oudste kloosters.
Kosovo zit propvol Servische politietroepen. Duizenden agenten - niemand weet precies hoeveel - bewaken de wegen van Pristina, Kosovo’s hoofdstad, naar het platteland. De politietroepen zijn uitgerust met kalasjnikovs, handgranaten, pantserwagens en mortieren. Officieel is de politiemacht aanwezig om de UÇK, het Albanese guerrillalegertje dat vecht voor de onafhankelijkheid van Kosovo, te bestrijden. Maar de agenten gedragen zich als een bezettingsleger dat de Serviërs beschermt tegen de overmacht aan Albanezen. Volgens officiële cijfers zijn sinds maart zo'n tweehonderd mensen omgekomen. Voor het merendeel Albanezen.
KOMORAN, zaterdagmiddag. Het belangrijkste checkpoint op de weg van Pristina naar Pec, twintig kilometer van de Albanese grens, ligt bij het dorpje Komoran. De politie maant ons te stoppen, hun kalasjnikovs losjes over de arm. Twee van hen buigen zich over een mortier, gemonteerd op een vrachtwagen, ze poetsen hem op. Onze auto wordt gecontroleerd op wapens. De officier bekijkt mijn paspoort en kijkt me grijnzend aan. 'Ah, you look like nazi boy.’ We mogen doorrijden.
De Sloveense fotograaf die met ons meereist, is bezorgd. Hij verstaat Servisch en hoorde de agenten grapjes maken. 'Die komen er nooit levend uit’, grinnikte een van hen.
Eigenlijk is het te laat om ons op de weg te begeven. Het loopt al tegen vijven. Meestal worden de agenten rond zes uur dronken en triggerhappy. We nemen het risico. Reisdoel is Klina. Vlak voor ons vertrek kreeg het perscentrum van de LDK een wanhopig telefoontje. De dorpjes rond Klina, vijfentwintig kilometer van Pec, staan in brand na een grootscheepse Servische aanval. We proberen zoveel mogelijk journalisten mee te krijgen. Maar niemand wil, de Serviërs kunnen te goed een paar dode reporters gebruiken, vrezen de collega’s.
De eerste kilometers na Komoran is alles rustig. Kinderen zwaaien naar ons, een paar vrouwen werken op het land. De zon breekt door. In de verte, op een dichtbegroeide helling, zijn mannen aan het graven. Niets aan de hand.
Opeens moeten we remmen. Er staat een man op de weg, in camouflagepak, kalasjnikov over zijn schouder, handgranaten aan zijn koppelriem. Er duiken nog drie mannen op, zwaar bewapend met machinegeweren en granaten. Een van hen komt op de auto af. Ik schat hem een jaar of dertig. In de loop van zijn kalasjnikov staan Chinese karakters gegraveerd, kennelijk afkomstig uit Albanië, dat tijdens de Koude Oorlog werd bewapend door China. Op zijn rechtermouw een badge: een rood schild met de zwarte, tweekoppige Albanese adelaar, en de letters UÇK.
'Sprechen Sie Deutsch?’ vraagt hij. Ik leg uit dat we journalisten zijn, op weg naar Klina. Hij bekijkt mijn paspoort en zijn gezicht klaart op. 'Nederlander, die zien we hier niet vaak.’ Ik ben stomverbaasd. Hij legt uit dat hij zowel Nederlander als Albanees is. Hij woonde jarenlang in Goes. Met de 'g’ heeft hij nog steeds moeite. Meer wil hij niet kwijt. Vragen over de UÇK wuift hij weg. 'Daar mag ik niets over zeggen. We verdedigen ons gebied, dat is alles.’
We krijgen een UÇK-escorte. Uit het niets verschijnen twee Ford Sierra’s - een gaat ons voor, de andere volgt. De Sloveense fotograaf staat doodsangsten uit. Hij bezweert ons dat dit verklede Servische soldaten zijn. 'Ze hebben dode journalisten nodig. Dit is een begrafenisstoet.’ Maar de Britse fotograaf en ikzelf zijn overtuigd van de authenticiteit van de guerrilla’s. We hoorden ze vloeiend Albanees spreken. Een paar kilometer voor het Servische checkpoint bij Kijevo stopt de voorste auto. De Nederlandse Albanees stapt uit. Hij komt afscheid nemen. 'We hopen dat jullie een goed verhaal maken. Schrijf maar op wat je gezien hebt. We zijn geen terroristen. En pas op voorbij Kijevo. Servische sluipschutters.’
Bij Kijevo staat een pantserwagen dwars over de weg. Het snelvuurkanon wijst in onze richting. De agenten zijn nerveus. Gistermiddag zijn ze beschoten door de UÇK. Ze hebben hun vingers aan de trekker. Twee van hen houden ons onder schot. Drie anderen speuren schichtig de omgeving af. Ze kunnen niet instaan voor onze veiligheid op de weg naar Klina, er wordt gevochten. We moeten omkeren. Op de terugweg komen we drie auto’s tegen met UÇK-strijders. En we kunnen nu zien wat er op de beboste helling gebeurt. De UÇK graaft zich in.
PRISTINA, LDK-hoofdkwartier. Zaterdagavond. Tijdens onze mislukte poging Klina te bereiken heeft het Kosova Information Center van de LDK meer informatie over de dorpen rond het stadje proberen te verzamelen. Het schijnt dat vrijdag al aanvallen hebben plaatsgevonden. Er zijn hevige explosies gehoord. Een journalist heeft zes grote vuren in de omgeving gezien.
Volgens de LDK is een onbekend aantal doden gevallen en er zouden minstens honderd mensen naar Pec zijn gevlucht. De dorpjes Zajm, Grabanicë, Dellovë en Bokshiq zouden zijn veranderd in ruïnes. Het gebied is volledig van de buitenwereld afgegrendeld.
Volgens A. Pëce, een LDK-woordvoerder, werken de Serviërs volgens plan. Eind april maakte de Joegoslavische militaire inlichtingendienst bekend dat ze aanvalsplannen van de UÇK had onderschept. De acties zouden beginnen in de Dreniça-regio (rond Klina), vervolgens worden uitgebreid naar het grensgebied met Albanië (Deçan, Pec) en worden voortgezet in Noord-Kosovo (rond Leposovic). Ten slotte zou de UÇK een grensoverschrijdend offensief uitvoeren aan de Macedonische grens, tussen Kacanik en het gebied rond de Macedonische stad Teutovë, waar de bevolking evenals in Kosovo voor het merendeel Albanees is.
GORNA KLINA, zondagmiddag. We staan al bijna twintig minuten stil bij het checkpoint. De politie-officier is aardig. Hij heeft net radiocontact gehad - met wie weten we niet - om te vragen of we konden doorrijden. Hij praat honderduit over zijn vriendin, in gebroken Engels, doorspekt met veel Servisch. De Sloveense fotograaf vertaalt zo nu en dan het gesprek. We hebben de auto verlaten en wachten, zo dicht mogelijk tegen de zandzakken van de mitrailleurstelling aangedrukt.
De officier oogt ontspannen, maar zijn manschappen zijn uiterst nerveus. De pantserwagens zijn bemand, evenals de stellingen op de heuvel. Af en toe blinkt vanaf de helling een geweer in het zonlicht. De agenten houden de weg scherp in de gaten. Hun kalasjnikovs ontgrendeld, volledig schietklaar. Er is UÇK gesignaleerd. Elk moment kan de aanval losbarsten. Dan komt een radio-oproep. We kunnen verder. De officier verklaart ons voor gek.
We zijn Klina dicht genaderd. Volgens de LDK wemelt het hier van de Servische sluipschutters. Dat is niet onwaarschijnlijk, bij het checkpoint stonden scherpschuttersgeweren met infrarood-vizier tegen een boom.
Omdat op de weg tussen Komoran en Kijevo, waar we gisteren de UÇK ontmoetten, hevig wordt gevochten, hebben we een flinke omweg gemaakt. Op de vier checkpoints voor Gora Klina werd ons geen strobreed in de weg gelegd. Steeds konden we doorrijden na de gebruikelijke controle van papieren, de grappen en de grollen. Zonder noemenswaardige problemen bereiken we Zajm, een van de dorpen die volgens de LDK gisteren nog onder vuur lagen.
ZAJM. De huizen aan de westkant van de weg zijn ongeschonden, die aan de oostzijde zijn vrijwel alle verwoest. Vanaf een heuveltop tellen we er minstens dertig waar niet veel van over is. Achter de heuvels die ons het zicht ontnemen liggen nog twee dorpjes. Hoe zal het er daar uitzien?
We betreden een erf. Er lopen kippen rond, een hond scharrelt tussen de puinhopen. Links een kleine woning die helemaal overhoop is gehaald, maar niet in brand heeft gestaan. Tussen de rommel vinden we familiefoto’s en een ongeschonden poster van Rugova. Iets verderop een volledig verwoeste schuur. De balken smeulen nog. In de muur rijen kogelgaten. Ook van een tweede, grotere schuur is niets meer over. Op het terrein staan twee grote woonhuizen, allebei volledig uitgebrand. We gaan naar binnen in het voorste huis. Het is een gok, in Bosnië lieten de etnische schoonmakers soms boobytraps achter. Naast de voordeur staan vijf paar schoenen. Binnen is het een ravage. Alle kasten zijn opengerukt, kleding en papieren liggen her en der verspreid. Op het fornuis staat een pan met soep. In alle vertrekken heeft brand gewoed. Op een bon voor een touringcar-ticket staat de naam Imer Daka. En er ligt een stapeltje ansichtkaarten met de afbeelding van Moeder Theresa. Waarschijnlijk waren de bewoners katholieke Albanezen.
Als we het achterste huis willen binnengaan, komen drie Albanese mannen het erf op. We zijn de eerste journalisten die het dorp betreden na de aanval, zeggen ze. In het uitgebrande huis tonen ze ons de plek waar de Serviërs Brahim Ahmet Ukaj en Bajram Dem Kastrati, twee vrienden, doodschoten. Ze lieten hun lichamen in het huis achter en staken het vervolgens in brand. In het vertrek waar ze de dood vonden, zitten kogelgaten in de muur. Ukaj was vierenvijftig jaar oud, Kastrati vijfenzestig.
De mannen nemen ons mee naar de plaats waar Ukaj en Kastrati zijn begraven. Een landweggetje, aan het eind daarvan twee verse graven aan de voet van een zacht glooiende weide. Eromheen grazen schapen. Inmiddels hebben zich zeker twintig Albanese mannen verzameld, jong en oud. Vrouwen en kinderen zien we niet. 'Die zijn in veiligheid gebracht’, zegt een jongen van een jaar of twintig. Vlak voor de aanval vluchtte hij het bos in.
Vrijdagochtend rond zeven uur naderden zo'n dertig pantserwagens, een helikopter en een onbekend aantal manschappen het dorp. Ooggetuigen konden zowel blauwe als groene uniformen onderscheiden. De mannen in de legeruniformen hadden gecamoufleerde gezichten en droegen zwarte mutsen die ze konden afrollen, zodat hun gezicht bedekt was. Zij behoren waarschijnlijk tot de gevreesde speciale eenheid die volgens geruchten op het platteland van Kosovo tegen de UÇK wordt ingezet. De eenheid bestaat onder meer uit Tijgers, manschappen van de beruchte crimineel Arkan, die eerder huishielden in Bosnië.
De meeste dorpelingen hoorden de troepen naderen en konden op tijd vluchten. Ukaj en Kastrati zijn voor zover bekend de enige slachtoffers, dertien mensen worden vermist. Een onbekend aantal inwoners van Zajm vluchtte naar Pec. Zeker vijfendertig huizen werden in brand gestoken. De bewoners weten vrijwel zeker dat het dorpje Dellovë, iets verderop, nog veel grondiger is verwoest. Maar niemand durft te gaan kijken.
MET HOGE snelheid komt een auto het landweggetje op. Er stappen vier mannen uit. Een van hen, eind veertig, grijze haren, grijze snor, stelt zich voor als Ramadan Krasnice. Hij is de vertegenwoordiger van het mensenrechtencomité van Zajm, een orgaan dat in vrijwel elk Albanees dorp in Kosovo is opgericht. Krasnice verontschuldigt zich. Hij kan ons hier niet beschermen. Het dorp wordt al twee dagen lang geteisterd door sluipschutters. De begrafenisplechtigheid hebben we net gemist, die is twintig minuten geleden afgerond. Maar, zegt hij, het is belangrijk dat we vastleggen wat er in Zajm is gebeurd. Daarom zal een van beide graven voor ons geopend worden.
Een tiental jongens en mannen begint in hoog tempo het graf van Brahim Ukaj te slechten. Na een paar minuten verschijnt het deksel van de kist. De jongen die het bos in vluchtte ten tijde van de overval laat zijn spade rusten en kijkt me grijnzend aan. Het is de grimas van iemand die niet weet wat hij met de situatie aanmoet. Grafschennis. Een wanhoopsdaad. Op de achtergrond zit een oude moslimman zachtjes te huilen.
Twee mannen lichten het deksel op. We zien een zwartverbrand lichaam in een met spierwitte stof beklede kist. Er is nauwelijks nog een mens in te herkennen. De schedel is verkoold, de vorm van de neus is nog net te onderscheiden. Van het rechterbeen ligt het bot grotendeels bloot. Ter hoogte van de knie is het roodgekleurd. Ukajs borstkas steekt omhoog. Er is niets waar eens zijn hart en longen zaten.
Ramadan Krasnice gaat voorzichtig in de kist staan. Hij pakt het tabaksdoosje dat naast Ukajs schedel ligt. 'Dit doosje bewijst dat deze mannen vredig leefden. Het was het enige dat we op zijn lichaam vonden. Ze rookten samen en dronken hun koffie. In dit dorp leven islamitische en katholieke Albanezen vreedzaam samen. Waarom kan dat niet met de Serviërs?’
PRISTINA, maandagochtend. De Serviërs lanceren aanvallen op dorpen in de regio’s Klina, Gjakova, Skenderaj en Deçan. De Albanese televisie meldt de executie van acht Albanezen in Lubeniq. Een team van de BBC staat in de buurt van Klina plots oog in oog met gemaskerde soldaten van de speciale eenheid.
De etnische schoonmaak is in volle gang.