Naar een etnisch zuivere onafhankelijkheid

Kosovo, de finale

Het recente geweld van Kosovaarse Albanezen tegen Serven brengt een onafhankelijk Kosovo dichterbij. Maar dan gaat het wel om een etnisch zuivere onafhankelijkheid. Zo krijgen dankzij westerse kortzichtigheid de Albanese extremisten precies wat ze willen.

«Het geweld dat zich ontketende voelde als een catharsis, een bacchanaal met een uitwerking die niemand zelfs maar een dag van tevoren kon hebben voorspeld. Het verspreidde zich als een besmettelijke epidemie van waanzin naar bijna elke stad.» Zo beschrijven een Albanese journalist en een westerse hulpverlener de sfeer in de Kosovaarse hoofdstad Pris tina bij het begin van de gewelddadigheden van vorige week. Er vielen 28 doden en 870 gewonden, voornamelijk Serven. Sommigen van hen werden doodgeslagen. In een poging de laatste Serven uit Kosovo te verdrijven, verwoestten Albanezen dertig Servische kerken en 286 huizen. Elf kerken en kloosters werden beschadigd. De gewelddadigheden vonden plaats op meer dan dertig locaties en leken op een goed georganiseerd offensief. Albanese politieagenten waren erbij betrokken, er werden Navo-eenheden van de Kfor-vredesmacht aangevallen en 72 VN-voertuigen in brand gestoken. De internationale gemeenschap reageerde verbijsterd. «Dit is etnische zuivering», zei de Navo-commandant. Inderdaad. En dat had men kunnen zien aankomen.

«Geef ons 48 uur de tijd en we draaien hier elke Albanese terrorist de nek om. Als de Navo ons niet die gelegenheid geeft, dan winnen zij en zal het met ons slecht aflopen. Het is wij of zij. Het uçk heeft het voor ons allemaal verpest.» De politiecommandant van Obilic wist het al in de zomer van 1998. Het was een lange, hete zomer waarin de Servische veiligheidstroepen van het ministerie van Binnenlandse Zaken, bijgestaan door legereenheden, paramilitaire milities en een contraterreur eenheid het ene offensief na het andere ont ketenden tegen het Kosovo Bevrijdingsleger uçk. Dat wilde de Kosovo-Albanezen verlossen van de Servische onderdrukking. Op pa pier hadden Albanezen vrijwel dezelfde rechten als Serven. Beide talen werden gebezigd, ook in het onderwijs. In de praktijk werden de Albanezen geweerd uit overheidsfuncties en de gewapende macht. Ze werden op zijn best behandeld als tweederangs burgers.

Volgens veel Serven lag het allemaal niet zo simpel. Onderdrukking? Hadden zij niet juist korte metten gemaakt met het bevoordelen van de Albanezen onder Tito, een bevoordeling die zeer nadelig uitpakte voor de Serven? De term «etnische zuivering» werd in de jaren tachtig gemunt om de praktijken van Albanese nationalisten mee aan te duiden die alles in het werk stelden om de Serven uit Kosovo te verdrijven. Milosevic maakte handig gebruik van de Servische angst en hief de autonome status die het gebied van Tito in 1974 had gekregen in 1989 op. Hij liet de grondwet wijzigen en maakte Kosovo tot een provincie van Servië. «Inlijving» noemden de Albanezen dat. Veel Serven zagen het als het rechtmatig «terug nemen van heilige grond». In Kosovo en Metohija liggen de oudste Servisch-orthodoxe kerken en kloosters, sommige daterend uit de twaalfde eeuw en beschermd cultuurgoed van Unesco. De meeste daarvan waren al in juni 1999, toen de Navo binnentrok, door Albanese extremisten in de as gelegd. De rest is afgelopen week vernietigd.

De zomer van 1998 was een beslissende zomer. Het uçk groeide snel. Het was een zomer waarin zelfs intelligente, op het Westen georiënteerde Albanese jongeren zich zonder meer bekenden tot geweld. «Als het uçk op mijn deur klopt, ga ik mee de heuvels in. Dan zal ik vechten voor mijn volk», vertelde een jonge, lieftallige journaliste van het Albanees talige dagblad Koha Ditore. Het was een zomer waarin zelfs de meest pocherige, extremistische Serf begon te twijfelen aan de overlevingskansen van zijn ongeveer tweehonderdduizend volksgenoten in Kosovo. Ze werden omringd door een tienvoudige meerderheid van Albanezen. Het was de zomer ook waarin de Amerikaanse speciale gezant Richard Holbrooke in plaats van zich onpartijdig op te stellen zich voor het oog van de wereldpers broederlijk onderhield met een groep hoge uçk-commandanten. In zijn onberispelijke maatpak dronk hij amicaal kopjes thee met de in gevechtstenue gestoken en bewapende rebellenleiders. De boodschap was duidelijk: dit waren vrienden onder elkaar.

Met het militaire ingrijpen dat buiten de Verenigde Naties om begon op 23 maart 1999 koos de Navo (onder zware Amerikaanse druk) in het Kosovo-conflict partij voor de Albanese kant. Of liever: men koos partij tegen Milosevic. Want dat die van het toneel moest verdwijnen, stond vast. Dat er ook nog tweehonderdduizend Serven in Kosovo woonden die zonder bescherming tegen de Albanezen ten dode waren opgeschreven, boeide niemand. Het Servische leger deed een laatste, verschrikkelijke poging korte metten te maken met het Kosovo Bevrijdingsleger, dat werd gevoed en gesteund door de Albanese bevolking. Daarbij werden hele dorpen ontvolkt. Honderdduizenden Albanezen vluchtten naar Macedonië en Albanië. De wereld reageerde met afgrijzen. Er werden talloze hulpacties opgezet. Ook in Nederland. De gezamenlijke omroepen verzorgden een geldinzamelingsuitzending en lieten daarin Albanese slachtoffers opdraven. Vertederd keek Nederland toe hoe Albanese kindjes liedjes zongen over het martelaarschap van nationale helden. Aangeslagen liet Nederland zich door Albanese vluchtelingen bedanken «voor de steun aan ons volk». Zonder erbij stil te staan liet Nederland zich gebruiken in een nationalistisch Balkan-ritueel. Wie een poging deed het conflict rationeel te duiden en ook de Servische kant van de zaak erbij te betrekken, werd beschimpt. Want in de strijd van Goed tegen Kwaad is geen ruimte voor nuances.

Daarmee trapten we in een val. De Vlaamse historicus en Balkan-expert professor Raymond Detrez heeft er herhaaldelijk op gewezen: op de Balkan is geen partij sterk genoeg om de zaken op eigen houtje naar haar hand te zetten, dus zoekt men naar bondgenoten. De Albanezen vonden de Navo bereid te helpen. Nu de Albanezen niet gekregen hebben wat ze wilden — onafhankelijkheid — loopt de spanning op en komt het tot geweld. Alle mogelijke internationale waarnemers waarschuwen al sinds 1999 dat de eindstatus van Kosovo geregeld moet worden en dat het geen etterende open wond mag blijven. Resolutie 1244, waarmee het eenzijdige Navo-ingrijpen door de Veiligheidsraad achteraf werd gesanctioneerd, liet de status open. Het gebied is nog altijd een provincie van Servië die tijdelijk wordt bestuurd door de Verenigde Naties, totdat alle partijen het eens zijn over de uiteindelijke status. Maar de partijen zijn het nog lang niet eens en zullen dat zonder pistool op de borst ook niet worden.

Zolang de finale status van Kosovo niet vastligt heeft elke groep er belang bij de situatie met geweld naar eigen hand te zetten. Wat de Albanezen nu doen — het etnisch zuiveren van het laatste restje Kosovo dat in Servische handen is — is hetzelfde als wat Serven en Kroaten deden in Bosnië: feiten op de grond creëren voordat de onvermijdelijke vredesonderhandelingen beginnen. De Kosovo-Serven dreigen verpletterd te worden tussen hamer en aambeeld. In Servië is voor hen geen toekomst. Er heerst armoede, het land heeft al honderdduizenden vluchtelingen uit Bosnië opgenomen. Waar moeten deze mensen heen? Op hun leed staan niet de camera’s van de wereldmedia gericht. Er bieden zich geen landen aan om hen op te vangen, zoals bij de Albanezen. Ze kunnen evenmin blijven leven in hun kleine enclaves, omringd door een overweldigende en moordzuchtige Kosovaars-Albanese overmacht. Als Kfor iets getoond heeft, dan is het wel dat het niet in staat en bereid is om de eigen eenheden in levensgevaar te brengen bij het beschermen van de Serven.

De Navo en vele westerse commentatoren hebben zich voor het karretje van de Albanezen laten spannen. Een weg terug is er niet meer. Veel gevluchte Serven hebben hun bezittingen in Kosovo verkocht en denken niet aan terugkeren. In de huidige situatie is maar één eindstatus mogelijk voor Kosovo: een vorm van onafhankelijkheid. Gezien de moordpartijen van vorige week moet gevreesd worden dat dat een etnisch zuivere onafhankelijkheid zal worden. Het is bitter om te zien dat daarmee dankzij westerse kortzichtigheid de Albanese extremisten precies krijgen wat ze willen.