Kosovo in de cariben

AAN HET BEGIN van haar nieuwe roman Land voor de levenden beschrijft Edwidge Danticat hoe het Haïtiaanse dienstmeisje Amabelle Dsir de baby van haar Dominicaanse werkgeefster ter wereld helpt. Na de geboorte van het kind, een roomblank jongetje, glijdt er geheel onverwacht een bronskleurig meisje uit de moeder te voorschijn. ‘Er lag een dun bruin vlies, als een paar lagen spinrag over haar hoofdje. De navelstreng had zich als een bloederige krans om haar nek gewikkeld en bedekte elke vierkante centimeter tussen haar kin en haar schouders.’ Een onheilspellend voorteken.

Lucia Nankoe, gespecialiseerd in de literatuur van het Caribisch gebied, suggereerde in een interview voor Ikon-radio dat de tweeling uit Land voor de levenden de situatie op het eiland Hispaniola symboliseert. Aan de oostkant van het eiland ligt de Dominicaanse Republiek, waar de lichtgetinte nazaten van Spaanse kolonisten de dienst uitmaken. Op het westelijk deel ligt het straatarme Haïti, dat bevolkt wordt door afstammelingen van Afrikaanse negerslaven. Het boek van Edwidge Danticat speelt zich af in 1937, het jaar waarin generaal Trujillo, de toenmalige leider van de Dominicaanse Republiek, in een paar weken tijd duizenden Haïtiaanse gastarbeiders over de kling joeg.
Deze etnische zuivering, die als het ware door de mazen van de geschiedenis is geglipt, wordt door Danticat in zeer beeldend proza aanschouwelijk gemaakt. De geboorte van de tweeling blijkt een gruwelijk verhaal in te luiden, waarin de ene gewelddadige gebeurtenis de andere uitlokt. Als Amabelle de toenemende geruchtenstroom over slachtpartijen op Haïtianen niet langer kan negeren, besluit ze het huis van haar Dominicaanse señora te ontvluchten en terug te keren naar haar geboorteland. De tocht naar de Haïtiaanse grens voert Amabelle door een hels landschap. Het klinkt misschien wat merkwaardig, maar Danticat kan wondermooi schrijven over de geur van verbrand mensenvlees of dode lichamen die opzichtig in bomen bungelen: Kosovo in een Caribische setting.
EDWIDGE Danticat werd in 1969 geboren op het Haïti van de Duvaliers. Haar familie verkeerde in armoedige omstandigheden. Toen Edwidge twee was, vertrok haar vader naar de Verenigde Staten om als taxichauffeur te gaan werken. Haar moeder volgde niet lang daarna. Edwidge woonde bij een oom en tante, totdat ze op haar twaalfde in Brooklyn met haar ouders werd herenigd. De jonge Danticat had grote moeite zich in de nieuwe omgeving te handhaven. Volgens haar eigen zeggen kwam haar stem jarenlang niet boven fluisterniveau. Ze voelde zich alleen op haar gemak als ze verhalen schreef. In het Engels.
De relatie met het land van herkomst is van meet af aan een belangrijke inspiratiebron geweest voor Danticat. Ze houdt van Haïti, maar haat het net zo hard. ‘Er zal altijd een plek zijn waar nachtmerries van generatie op generatie worden doorgegeven, als erfstukken. Waar vrouwen, als kardinaalvinken, terugkeren om in een poel stilstaand water naar hun eigen gezicht te kijken’, schrijft Danticat in haar romandebuut Adem, ogen, herinnering (1994). En dat is exact wat ze zelf ook doet: schrijvend teruggaan naar haar geboortegrond om zich te verdiepen in de nachtmerries die onder de oppervlakte verborgen liggen.
Dat proces levert geen kinderachtige literatuur op. Sophie Caco, de ik-verteller, is geboren uit een verkrachting. Haar moeder werd het suikerriet ingesleurd door een man met een zwarte zakdoek voor zijn gezicht. Sophie vermoedt dat haar verwekker een Tonton Macoute is geweest, een lid van de politiemacht die ten tijde van het Duvalier-bewind op bloedige wijze de orde bewaakte. Het geweld van de politiek dringt letterlijk door in het lichaam van Sophie’s moeder, die haar traumatische ervaring vervolgens overdraagt op haar dochter. Tegen de tijd dat Sophie een vriendje krijgt, moet ze zich wekelijks onderwerpen aan het oude Haïtiaanse gebruik van de 'maagdelijkheidstest’. Gevolg: Danticats vertelster raakt in seksueel opzicht net zo verknipt als haar moeder.
Amabelle Dsir uit Land voor de levenden gaat net als Sophie Caco gebukt onder de last van een verleden dat je 'meedraagt als het haar op je hoofd’. De herinnering aan het Dominicaanse bloedbad blijft haar levenslang achtervolgen. Weliswaar slaagt ze erin Haïti te bereiken, maar ze komt nooit meer in het heden aan. Amabelle verkeert bij voorkeur in het gezelschap van schimmen en schaduwen. Met name Sebastien, de geliefde die de slachting niet overleefde, doemt regelmatig op: een verloren wederhelft die uit de leegte te voorschijn kan worden gedroomd.
De dunne scheidslijn tussen deze en gene zijde wordt in Land voor de levenden gesymboliseerd door de rivier die de grens tussen de Dominicaanse Republiek en Haïti markeert. Het is een rivier van bloed en ondergang, maar ook van hoop en bevrijding. In het verhaal 'Negentienzevenendertig’, opgenomen in de bundel Krik? Krak! (1995), beschrijft Danticat een vrouw die het etnisch geweld van Trujillo en de zijnen overleeft door over deze rivier te vliegen. Dit beeld is ontleend aan oude slavenmythen: 'vliegen’ verwijst hier niet alleen naar een vlucht uit slavernij en onderdrukking, maar ook naar spirituele verlossing. Bij Danticat lijkt die verlossing echter uit te blijven. De vrouw uit 'Negentienzevenendertig’ sterft naderhand een wrede dood in een Haïtiaanse gevangenis, op verdenking van hekserij.
IN DE WERELD van Edwidge Danticat kunnen vrouwen niet 'vliegen’, maar wel schrijven. In de epiloog van Krik? Krak! memoreert de vertelster de stelregel die ze van haar moeder leerde: 'Gebruik altijd alle tien je vingers.’ Danticat heeft deze raad ter harte genomen, door zich te ontpoppen tot een talentvol schrijfster. Volgens het Amerikaanse tijdschrift Granta behoort Danticat tot de twintig beste jonge auteurs die de Verenigde Staten heeft voortgebracht. Van die twintig is zij de enige zwarte.
Ondanks de onbedwingbare neiging om naar haar 'eigen gezicht’ te kijken - in water dat al dan niet stilstaat - is het werk van Edwidge Danticat niet narcistisch. Integendeel, haar boeken onderscheiden zich juist door een ragfijn evenwicht tussen het persoonlijke en het politieke, tussen intimiteit en collectiviteit. Danticats preoccupatie met het verleden is in feite nauw verwant met een literaire strategie die door de Afrikaans-Amerikaanse schrijfster Toni Morrison 'rememory’ wordt genoemd: de afdaling in het geheugen leidt als het ware tot een reorganisatie van de geschiedenis, in eigen woorden en beelden. Door zich op te werpen als de verteller die het gewelddadige verhaal van Haïti met de poëzie verbindt, verlost Danticat zich van het kwade. 'Er zal altijd een plek zijn waar je ’s nachts, als je goed luistert, je moeder een verhaal kunt horen vertellen’, schrijft ze op de laatste bladzijde van Adem, ogen, herinnering. 'En aan het eind van het verhaal zal ze je deze vraag stellen: “Ou libr?” Ben je vrij, mijn dochter?’