Menno Hurenkamp

Kostenplaatje van de ongelijkheid

Nederland heeft volgens officiële documenten — zoals opiniestukken, columns en beginselprogramma’s — geen zin meer in gelijkheid. Uitkeringen worden kleiner zodat mensen hun leven meer zelf moeten regelen en de onderlinge verschillen onvermijdelijk oplopen. Dat betekent niet dat we Amerikaans zijn gaan denken. Gelijkheid is in Nederland nog altijd niet fout, gelijkheid is moeilijk te realiseren. Dat is een groot verschil met de Verenigde Staten, waar onderlinge competitie de essentie van het maatschappelijk leven is.

Een riante en dus gelijkheidsbevorderende uitkering werkt passiviteit in de hand, heet het. Eenmaal op de driezitsbank met een mooie WAO ga je niet meer solliciteren. Maar passiviteit, dáár zijn de zogenaamde gelijkheidsbestrijders niet tegen. Want aandeelhouders zouden bedrijven moeten controleren op fatsoenlijk bestuur. Ze doen dat niet, blijkt nu steeds meer, omdat ze er geen zin in hebben, maar niemand die ze dwingt. En bedrijven worden geacht mee te werken aan het opknappen van achterstandswijken. Ze doen dat nauwelijks, omdat ze er het nut niet van inzien, maar niemand die ze dwingt. Passiviteit vinden we dus minder kwalijk dan gemeenschapsgeld opmaken, en dat gelijkheid lui maakt is minder erg dan dat gelijkheid duur is. Aart Jan de Geus wil door de toegang tot de WW te beperken deze daarom niet sléchter maken, maar «toekomstbestendig». Dat gelijkheid verkéérd is, hoor je, op een graailustige topmanager na, hier bijna niemand zeggen. Want verschil moet er zijn, maar niet te veel. Volgens de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie mag je in dit land alles geloven wat je wilt, als het maar niet in Allah is, en mag je elke taal praten, als het maar Nederlands is, en mag je alles aantrekken, als het maar geen soepjurk is.

Die angst voor ongelijkheid is paradoxaal genoeg ook te zien in het streven naar ontbureaucratisering. De politiek wil minder regels om de mensen te bevrijden van de overheid. (We hebben overigens zo’n beetje de gelukkigste bevolking van de wereld en nu ook weer de gelukkigste scholieren van de wereld. Hun welbehagen hangt sterk samen met een voorspelbaar en georganiseerd bestaan, waarin toezichthouders — ouders, de staat — een duidelijke rol spelen.) Door het afschaffen van regels krijgen publieke dienstverleners nu te horen dat ze vrij zijn om hun taken naar eigen inzicht uit te voeren — helemaal vrij, mits ze zich maar houden aan de prestatie-indicatoren die de overheid stelt. De politie mag zelf weten wat ze doet — als ze maar genoeg boetes uitschrijft. Zorginstellingen mogen zelf weten waar ze hun geld aan uitgeven — als ze maar genoeg patiënten helpen. Niet alleen blijven alle diensten aan burgers zo op elkaar lijken, op de werkvloer is van meer vrijheid al helemaal niets te merken. Daar moeten mensen van minuut tot minuut registreren waar ze mee bezig zijn.

Wel meer sociaal-economische verschillen, maar geen cultureel onderscheid. Zogenaamd meer vrijheid, maar nooit de controle uit handen geven. We zien een nieuwe Hollandse ongelijkheid ontstaan, strikt gebaseerd op berekenbare verschillen, niet ingegeven door een behoefte aan vrijheid maar door financiële verlangens. Nul kans dat die Hollandse ongelijkheid de traditionele doe-maar-gewoon-mentaliteit doorbreekt. Het berekend verschil bestendigt dat denken juist.