Kots de markt uit

Wie heeft het recht om te spreken? Namens wie? En met welk doeleinde? Deze en andere vragen kwamen in me op tijdens het lezen van Shop Girl, het debuut van de Vlaamse Dominique De Groen (1991). Is dit een pamflet, een traktaat, een bijsluiter bij het beroemde essay Can the Subaltern Speak? van Gayatri Chakravorty Spivak? Nee, dit is poëzie, maar het zingen is het lyrisch ik duidelijk vergaan.

In Shop Girl is de mens een radertje in de zogenaamde ‘supply chain’, die de commercie beschrijft als één grote keten van productie tot consument en alles wat daar tussen ligt. Wat telt is dat u en ik onze broeken en mobiele telefoons zo efficiënt mogelijk krijgen aangereikt, dat ons verlangen naar meer wordt aangewakkerd. De markt heeft onze individualiteit paradoxaal genoeg zowel uitgeschakeld als versterkt. Wat betekent ‘persoonlijkheid’ dan nog, welke rol spelen het lichaam en de taal in dit laatkapitalistische tijdperk?

Ik vind mijn lichaam terug aan het einde van een supply chain die non-stop in mij leegloopt. Laat alles weer uit me vloeien.

Shop Girl bestaat uit acht lange gedichten: ‘Betaalzone’, ‘Supply Chain Management’, ‘ভূত’, ‘Zand’, ‘Colour Management’, ‘Deconstructie’, ‘Ghost in the Shell’ en ‘Free Trade Zone’. Hoewel er een ‘ik’ wordt opgevoerd, krijg je geen moment te zien wie deze figuur precies is. De bundel presenteert geen herkenbare zaken als liefde, angst of teleurstelling. Geen kleinburgerlijke, particuliere ontboezemingen, maar de verbeelde realiteit van arbeid, uitbuiting en winstmarges. De maatschappij is een abstractie en onze individualiteit een farce, omdat we ons niet kunnen onttrekken aan onze materiële behoeften. Sterker, wij zíjn onze behoeften, en wat wij begeren wordt middels afstompende arbeid in elkaar gezet:

Ik dacht dat ik het middelpunt wasvan de winkelvloermaar ik word belaagddoor eindeloze rijenidentieke lappen textiel

De taal in Shop Girl is gedepersonaliseerd, onder meer door het Engels, lingua franca van de markt. Zo ‘sijpelt intimiteit weg’ ‘langs backward linkages’, lezen we over ‘een territorium van scavengers’ en worden ‘down the path’ veiligheidscertificaten besteld op het deep web. In het derde lange gedicht wordt een subaltern opgevoerd die zo onbeduidend is dat slechts een onuitspreekbaar teken past: ভূত. De ik plaatst zich als consument tegenover deze ‘bleke Bengaalse’ geest, die ver weg onze kleding vervaardigt. Dit uitgebuite, naamloze wezen, dit ‘dalitlichaam’, is ‘de vertaling van een lichaam door de supply chain/ een dun weefsel/ vol leemtes tussen de data’.

Ik voel de blik van de supply chain manager onder mijn lapjes textiel.
De flappen van de supply chain manager in mijn slipje.

Shop girl: wanneer de supply chain de winkelvloer overspoeld heeft
en zich tijdelijk weer terugtrekt
jaag ik in de neonverlichte slipstream

trek gevallen stukken fast fashion uit het rivierslijk.

Shop girl: de winkelvloer sleurde me uit mezelf
en ik sta naakt
onder het witte licht
middenin een object
heterogeen en onzichtbaar
maar solide.

uit: ‘Supply Chain Management’

Het individu is in Shop Girl weliswaar naar de achtergrond gedrongen, maar de vervreemdende en ontregelende taal is glashelder. De gedichten lijken fabrieksmatig in elkaar gezet, en moeten het doen zonder al te veel beeldspraak. De afzonderlijke strofen laten zich lezen als op zichzelf staande fragmenten en statements. Zelfs de meest intieme ontboezemingen staan in dienst van productie en consumptie:

ik word meegezogen in de tijd van de jeans ken geen andere meeteenheid dan hoe lang het duurt om 1 broek te vouwen.

Shop Girl is een ernstig en politiek project. De beschadigde taal zorgt voor een zintuiglijke leeservaring die een van de grote crises van onze tijd aanschouwelijk maakt. Meer dan eens moest ik denken aan Fitter, Happier van Radiohead, met de ontzielde slotregel ‘calm,/ fitter,/ healthier and more productive/ a pig in a cage on antibiotics’. Ook Shop Girl zou, evenals het nummer van de Britse band, prima door een computerstem kunnen worden voorgedragen.

De vraag bij zo’n overduidelijk geëngageerde bundel als deze is: wat doe ik hier als lezer mee? Word ik me bewust van iets waarvan ik me eerder niet bewust was? Is het genoeg dat het vuur onder mijn schuldgevoel voor even is opgestookt, dat mijn woede tijdelijk wordt gemobiliseerd? Of moet er meer gebeuren? Ga ik als consument beter kijken – waar mijn spullen vandaan komen, door wie die in elkaar zijn gezet, onder welke omstandigheden? Hoe ontkomen we aan de alles overheersende markt die ons voorschrijft te kopen, te kopen en nog eens te kopen? Bewijst geëngageerde poëzie juist door haar inzet dat kunst uiteindelijk futiel en machteloos is?

Shop Girl geeft uiteraard geen antwoord op deze vragen. Al biedt de bundel een wrang soort hoop: kots de markt uit, knipper met je ogen ‘tegen het licht/ van een opkomende zon’, en leef doods verder, in diepe nederigheid en in het volle besef van je nietigheid:

maar ik verberg nog steeds iets: een dood lichaam het mijne.

Wat nou schoonheid, wat nou poëtische stijlmiddelen, zegt Shop Girl: het gaat hier om het uitbeelden van het allermiserabelste, om uitbuiting, de groeiende kloof tussen arm en rijk, de verhouding tussen de vertrapte mens en de schuldige consument.