Jan Cremer had wat je noemt een harde jeugd

‘Kotverdomme, ben je kek?’

Oorlogskind Jan Cremer groeide op in totale armoede in Enschede. Hij versleet een stuk of tien pleeggezinnen en verdiende zijn geld als vuurspuwer, klossenjong en mensensmokkelaar.

‘IKZELF’, zegt Jan Cremer, 'kijk op mijn jeugd terug als een geslaagde, creatieve en avontuurlijke tijd. Maar in de ogen van de gegoede burger en van kinderpsychologen heb ik wat je noemt een harde jeugd gehad. Zelf heb ik dat niet zo ervaren. Ik ben geboren in 1940, ik heb de oorlog dus meegemaakt, en daarin was het overleven, en daarna ook. Ik was echt een straatjongen, door omstandigheden op straat terechtgekomen.’ Laconiek, half lachend, voegt hij eraan toe: 'Je hoort vaak dat gezegde, een schrijver met een slechte jeugd, dat is een goudmijn, nou dat is op mij wel van toepassing. Mijn jeugd is mijn inspiratiebron.’
Cremer is begin december een week of twee in Amsterdam met zijn vrouw. Ze zijn net terug uit Italië waar ze doorgaans de zomer doorbrengen. Ieder jaar komen ze terug met vaten zelfgeperste olijfolie, de oogst van boompjes die ze vijf jaar geleden zelf hebben geplant. Cremer, met zijn reputatie van eeuwige schelm, is zo iemand die eigenlijk niet oud kán worden. Toch is ook hij inmiddels 71, al zou je hem dat niet geven. Lichamelijk maakt hij een sterke indruk, nog steeds niet iemand die je zo even opzij zet. En met zijn halflange grijze haar heeft hij nog altijd iets jongensachtigs. Hij is vriendelijk, voorkomend zelfs, praat snel, met een lichte heesheid in zijn stem. Hij lacht gemakkelijk en vaak.
'Mijn Hongaarse moeder kwam uit een gegoede familie, een aristocratisch gezin; ze had op het conservatorium gezeten. Mijn vader, een reiziger, een vrijbuiter en een vrouwenveroveraar, kwam mijn moeder tegen in Boedapest waar ze toen balletdanseres was. Zij was twintig, hij zestig. Hij moet echt een enorme charmeur zijn geweest, hij had zelfs nog verhoudingen terwijl hij met mijn moeder was; daar ben ik pas later achter gekomen.’
Cremer senior laat zijn Hongaarse naar Holland overkomen, naar Enschede of all places, en Jan wordt geboren in het jaar dat de oorlog uitbreekt. Tweeënhalf jaar later, november 1942, overlijdt zijn vader, op zijn 64ste. 'Tot die tijd hadden we een vrij luxueus leven, we woonden in een groot winkelpand in de Emmastraat, maar na het overlijden van mijn vader hebben ze dat leeggeroofd en zijn we alles kwijtgeraakt. Mijn moeder, die geen woord Nederlands sprak en die toen ze tien jaar geleden overleed nog steeds geen woord Nederlands sprak, kon dat niet tegenhouden. We werden van de ene op de andere dag in totale armoede gedompeld. We konden ook niet vluchten, want de grenzen waren gesloten. Mijn moeder heeft nog wel pogingen gedaan, maar dan werden we ergens in Duitsland tegengehouden en via allerlei tussenstations weer teruggebracht.’
In 1945 werd het land 'bevrijd’ - zo zegt Cremer dat nu, met die aanhalingstekens erbij. 'In de ogen van de buurt waren wij deutschfreundlich. We werden direct opgepakt en gevangen gezet in textielfabriek Scholten, niet ver van ons huis, met allerlei NSB'ers en andere al dan niet vermeende landverraders. Mijn vijfde verjaardag heb ik doorgebracht met een kaalgeschoren kop in een kooi met stro. Toen ik De Hunnen ging schrijven, waar ik enorm veel research voor heb gedaan, ben ik erachter gekomen dat we aangegeven waren door de buren. Ik had twee ooms in Hongarije, die hadden meegevochten aan Duitse zijde. Een van die ooms, die nog leeft, is veteraan van Stalingrad. In de periode van de bezetting kwamen soms Duitse officieren de groeten overbrengen. Dat was de mensen opgevallen natuurlijk.’
Het was niet alleen door die officieren uit het Oostfront die de groeten kwamen doen. De jonge Hongaarse weduwe werd wel eens door de Duitsers geholpen. 'Op honderd meter afstand van ons huis had je een kazerne van de Duitsers. Ze marcheerden altijd door de straat, het waren aardige, vrolijke zingende soldaten. Zo in maart 1945 trokken die Duitsers terug naar Duitsland, inmiddels waren dat volkomen ontregelde troepen. ’s Nachts kwamen ze door de achtertuinen om te stelen. Ik was heel klein natuurlijk nog, maar ik herinner me dat op zeker moment ook bij ons op de deur van de bijkeuken werd geramd. Mijn moeder ging naar buiten en zei, ik kan niks geven want ik heb niks. We hadden niet eens licht, we zaten in een huis met ingeslagen ramen, we hadden we een carbidlamp, en een aardappel in de as van de kachel. Terwijl de buren, die hadden in hun kelders allemaal rookworsten, kazen, noem maar op, en dat werd natuurlijk allemaal geroofd. Toen mijn moeder zei dat we zelf ook arm waren, dropen die Duitsers af. De volgende ochtend stond er achter ons huis een grote kist met voedsel, brood, worst, maar ja, dat was allemaal gejat uit die andere huizen natuurlijk. Daar zijn we na de bevrijding ook voor aangegeven. Maar daar hadden we niet om gevraagd, dat kregen we gewoon.’
Lang werden ze niet in de fabriek vastgehouden. Een Hongaars-Amerikaanse officier, waar de moeder van Jan mee kon praten, zorgde ervoor dat ze werden vrijgelaten. Cremer herinnert zich vooral de enorme chaos. 'Het was totale anarchie, iedereen nam wraak op iedereen. Als je ook maar iets te maken had gehad met de bezetter werd je opgepakt, terecht of onterecht. En de huizen van die mensen werden onmiddellijk leeggeroofd. Zo zijn we ons huis ook kwijtgeraakt. De papieren waren gestolen, we hadden geen bewijzen meer. Toen mijn moeder ging klagen bij de gemeente, werd er gedreigd: we zetten je de grens weer over. Dat moest je op dat moment natuurlijk niet hebben, want dan was je stateloos. Mij stopten ze in een weeshuis. Van een aardig jongetje, gekoesterd door een lieve moeder, werd ik een straatvechtertje, om te overleven. Ik hoorde bij bendes die huizen leegroofden, die namen me mee omdat het handig was dat ik nog zo klein was. Lieten ze me aan een touw door een kelderraam zakken, moest ik ergens een deur open doen. Ik wist in het begin niet eens dat wat we deden niet mocht.’

ENSCHEDE, zegt hij, was een zwaar gebombardeerde stad. 'Wij woonden pal in het centrum en daar werden voortdurend bommen op gegooid. Van kleins af aan heb ik meegemaakt dat we naar schuilkelders moesten vluchten. Ik ben in feite grootgebracht in rook- en kruitdampen, te midden van ruïnes, waar we als kinderen speelden. Om ons heen was het één grote roversbende. Na de oorlog had je de opbouw; de mensen hebben daar nu prachtige verhalen over, maar het was een harde wereld. En in Enschede, dat was toen geen aardig volk. Mensen waren bezig op te krabbelen, ze waren echt onvriendelijk. Maar ging je de grens over naar Duitsland, via illegale routes natuurlijk, dan waren de mensen daar aardig, ondanks de armoede. Dat kende ik helemaal niet. Duitsers houden ook meer van het leven volgens mij.’
Cremer woonde soms bij zijn moeder, maar bracht meer tijd door in tehuizen en bij pleeggezinnen, waarvan hij er tot zijn zestiende meer dan tien versleet. 'Daar had ik een vrij leven. Het interesseerde mijn door het rijk aangewezen pleegouders niet waar ik uithing. Ooit heb ik gedacht, bij bepaalde mensen: god, die waren toch wel aardig. Tot ik een afrekening zag en begreep dat het niet uit aardigheid was dat ze me opnamen - ze kregen een dagvergoeding voor me. Voor hen waren het gewoon inkomsten. Ik heb wel eens gehad dat ik was opgepakt ’s nachts, dat de politie belde en dat die mensen dan zeiden: nou laat ’m maar lekker in de cel zitten, die komen we morgen wel ophalen.’
Op school was hij een vido. 'Dat was een begrip in Enschede. Verboden In De Omgang. Ik heb op zes of zeven lagere scholen gezeten, en moet je je voorstellen, kom je in een nieuwe klas, zegt die leraar: “Ga maar achterin zitten, bij die andere jongens daar.” Dat waren ook vido’s. Maar dat was wel het leukste groepje natuurlijk. Kijk, je komt op een nieuwe school, in een nieuwe wereld, je bent een indringer. De sterkste van de klas begint je dan te treiteren, te provoceren, die wil een gevecht uitlokken - maar dat won ik altijd. Ik ramde hem meteen op z'n neus. En dan liep dat schapenvolk meteen achter mij aan; ik was de nieuwe leider, die ik helemaal niet wilde zijn, begrijp je wel?’
Zijn moeder, zegt Cremer, moet Enschede als één grote vernedering hebben ondergaan. 'Ze kwam uit een goede familie, had een goede opleiding en moest hier goddomme als kokkin en werkster aan de slag, tot haar intense woede genadebrood eten. Mijn vader had twee Hongaarse knechten in dienst gehad, die had hij al voor de oorlog uit Hongarije gehaald. Na de oorlog ging mijn moeder noodgedwongen aan de slag op Kerstavond bij een van die knechten, die inmiddels met een Twentse boerin was getrouwd. Moest ze voor die familie koken en opdienen. Zelf moesten wij in de keuken eten.’
Over de invloed die dat op zijn moeder had: 'Ze werd na de oorlog dwarsgezeten en bedreigd, ze moest zich gedeisd houden. Maar dat was niks voor mijn moeder, die heeft zich haar leven lang obstinaat verzet. Ze was een furie, ze kon niet wennen in Enschede en niet terug naar Hongarije en ze haatte alles, een ongetemde feeks. Tot aan haar dood sloeg ze nog met haar wandelstok naar de verpleegsters, voetvolk in haar ogen. Voor mij was ze mijn liefste kameraad natuurlijk. Maar ze zei altijd tegen mij: zodra je kan, moet je wegwezen hier. En dat heb ik ook gedaan. Op de dag na mijn zestiende verjaardag ben ik vertrokken uit Enschede en daar decennialang niet meer terug geweest. Pas de laatste jaren kom ik er weer.’
Gegeven de onrust die hem zijn leven lang heeft gekenmerkt, zou hij daar vermoedelijk sowieso wel zijn weggetrokken. 'Ik weet ook niet hoe ik die onrust moet verklaren. De voorouders van mijn moeder waren Hongaars-Russische nomaden, paardenhandelaren die met het leger meetrokken. Van mijn vaders kant idem dito, dat waren Duitse paardendokters en militaire hoefsmeden, die gingen met Napoleon mee. Allemaal mensen die nooit een huis, een Heimat hadden. Daar stam ik van af, niet de meest rustige achtergrond natuurlijk. En dan ook nog opgroeien in de oorlog.’

CREMER laat een kopie zien van een pagina uit een politierapport uit Enschede van 1945, dat hem kortgeleden in handen is gekomen. In een regelmatig en scherp klerkenhandschrift staat geschreven: 'Kennis wordt gegeven van het vermissen van de 5-jarige Jan Kremer, Emmastraat 10.’ De notitie dateert van 18 mei, half negen ’s avonds. 'Ik liep altijd weg. Meestal zat ik op het station. Tijdens bombardementen werd ik door de grenswachten binnengehaald, die kenden me wel: het zoontje van die Hongaarse weduwe. Kreeg ik een kop koffie van ze. Ik zat daar altijd op de komst van mijn grootmoeder te wachten. Mijn moeder had dat een keer gezegd, dat mijn grootmoeder met de trein zou komen. Ik kende haar niet, maar ze was in mijn ogen de liefste vrouw van de wereld. Mijn moeder sprak vaak over haar, ze was na de dood van mijn vader het enige houvast dat ze nog had, ze correspondeerden veel. Mijn grootmoeder is overleden bij een bombardement van de Amerikanen op Boedapest in 1944. Dus ik zat daar te wachten op een trein die nooit zou komen.’
Hij was, zegt hij, altijd ergens mee bezig. 'Ik kan niet stilzitten, ik moet altijd wat doen, nog steeds heb ik dat. Na school en in het weekend werkte ik aan mijn eigen krant, de Tukkerbode, die in België werd gedrukt, en die vulde ik met tekeningetjes en fantasieverhalen.’ Voor school bleek hij uiteindelijk ook te onrustig, na anderhalf jaar ulo hield hij het voor gezien en ging werken. 'Op mijn dertiende, veertiende, had ik een baantje als klossenjong in textielfabriek Transvaal. Een klossenjong loopt met manden te sjouwen voor wie garen voor zijn spoelen nodig heeft. Het was in die fabriek een enorme herrie. Vroeger werkte je ook op zaterdagochtend, dan ging je daarna naar het badhuis, en dan de kroeg in, zuipen - als jongetje al hè?’
Voor zover hij het zich kan herinneren was hij altijd bezig geld te verdienen. 'Ik heb nooit zakgeld van mijn moeder gekregen, maar ik had een bioscoop, een schuurtje waar ik Flipje van Tiel-filmpjes liet zien, papieren filmpjes waar je een kaars achter hield. Daar kwamen veel kinderen op af, die ik een of twee cent liet betalen. Of ik maakte tekeningen waar ik verhalen bij vertelde. Ik heb ook nog vuurgespuwd, dat was bij mijn moeder thuis op het Acaciaplantsoen. Ik had gehoord dat je eerst een paar kaarsen moest laten smelten, en dat dan in je mond doen, benzine erbij - ja, levensgevaarlijk natuurlijk. Ik had een toorts gemaakt met watten, en dan spuwde ik die benzine daaroverheen, vlogen de gordijnen in brand. Dus mijn arme moeder: “Kotverdomme, ben je kek!” Alleen maar om geld te verdienen, hè, als jullie een stuiver betalen ga ik vuurspuwen.
Wat ik ook deed: kranten ophalen, ik moet een jaar of negen zijn geweest. Vroeger kon je vijf cent krijgen voor een kilo papier. Die kranten moest je dan doorscheuren en zo kon je ze aan de visboer verkopen. De strips knipte ik eruit, want die kon je ook verkopen, met een draadje erdoor. ’s Nachts bracht ik reclame rond, huis aan huis. Dan bevroren je vingers, want je had allemaal van die ijzeren brievenbussen. Met een benzineaanstekertje warmde ik mijn vingers dan weer op. Ik heb altijd centen verdiend, altijd. Ik heb ook bij bakkers gewerkt, dat was een mooie tijd. Moest je om vijf uur op, half zes bij de bakker, de oven aansteken, en om zeven uur kwamen de echte bakkers. Als het brood klaar was, ging ik venten langs de deuren. ’s Middags deed ik de banketbakkerij, gebakjes rondbrengen. Dat was een strenge bakker, toch pikte ik daar van alles mee. Ging ik een bestelling brengen, keerde ik de doos even om. Dan keken die mensen daarnaar en zeiden ze: “Ja, maar dat kunnen we zo niet aannemen…” Maar d'r was een vrachtwagen, zei ik dan, daar ben ik bijna onder gekomen. “Ja, maar dat kan toch niet, ga maar terug.” Dan zei die baas: “Gooodverdomme wat heb je nou gedaan! Nou ja, gooi maar in die bak.” Dan zei ik, mag ik het meenemen voor de kat, of voor het konijn. Maakte ik die gebakjes thuis in het kolenschuurtje weer mooi, kersje erop, en verkopen weer.
Ik figuurzaagde ook mooie Volendammer vissers, daar plakte ik een kalendertje onder van vijf cent, en die verkocht ik aan de deur voor een gulden. Voor de visboer, dat is een bekend verhaal, zaagde ik uit meubelplaat een zeemeermin, met zúlke tieten. Met mooie letters had ik daarop geverfd: heden geen zeemeermin máár… en dan vulde de visboer dat met schoolkrijt in, verse makreel of zo. Daar fietste iedereen na het werk een blokje voor om, godverdomme dat wijf met die tieten.
Ik ben ook nog smokkelaar geweest, een tijdje: op m'n vijftiende smokkelde ik balen koffie naar Duitsland voor een bende. Maar ook mensen. Moest ik naar een bepaald café, daar zat dan een meneer met een aktetas in een hoekje te bibberen, die moest de grens over, fout geweest natuurlijk hè. Die nam ik dan mee door de velden, naar de boeren, ik kende alle sluipweggetjes. Vond ik heel gewoon allemaal, en kreeg ik een rijksdaalder voor. Voor mij was dat een weekloon.’

NA ENSCHEDE werd het varen, twee jaar lang, waarna Cremer meer en meer begon te schilderen. Even was hij als vijftienjarige voor de tentoonstelling E55 in Rotterdam assistent van Karel Appel, en in Parijs ging hij in de leer bij Bram Bogart, die al een soort peinture barbarisme bedreef, wat het handelsmerk van Cremer zou worden. Zijn eerste expositie was op zijn achttiende jaar in Galerie de Posthoorn in Den Haag. Het jaar daarop nog een expositie in het Haags Gemeentemuseum. 'In de catalogus maakten ze me een paar jaar ouder, ze vonden negentien nog zo jong.’ In 1960 exposeerde hij in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Daarna trok hij naar Ibiza, waar hij op een tentoonstelling al zijn werk zou verkopen, 24 doeken, en 'een miljonair in peseta’s’ werd.
Op Ibiza zou hij Ik Jan Cremer schrijven, dat op z'n 24ste werd gepubliceerd en inderdaad een 'onverbiddelijke bestseller’ werd. Met acties die aan de Enschedese zeemeermin doen denken, wist hij de aandacht te trekken. 'Mijn boek verscheen op de dag van het Boekenbal, dus ik naar de Stadsschouwburg met een naar binnengesmokkelde doos boeken. Daar was een tafel met eregasten, veel ministers, zoals Toxopeus, toen minister van Binnenlandse Zaken. Die gaf ik allemaal een boek, en daar waren ze heel blij mee, dank u wel, en een handtekening graag, niet beseffend dat ze een tijdbom in handen hadden. Ik vroeg een fotograaf het te fotograferen, al die lachende ministers met mijn boek. Ik dacht, als het verboden wordt, dan kan ik beginnen van: zij mogen het wel lezen, en het gewone volk niet?’
Het was de definitieve afsluiting van een arme jeugd in de beroete fabrieksstad Enschede. Hij zou er twintig jaar later naar terugkeren, op papier dan, in wat Cremer zelf zijn magnum opus noemt, het ruim vijftienhonderd pagina’s tellende De Hunnen.
Inmiddels heeft hij de leeftijd waarop de meeste mensen van hun pensioen genieten. 'Soms vragen mensen mij: god, schilder jij nog? Ja tuurlijk schilder ik nog, da’s mijn werk man. Ik zit vol tot 2040, echt waar. Ik heb mijn hele leven gewerkt en ik wil doorwerken tot mijn 120ste. Ik ben godzijdank gezond van lijf en leden. In Italië ben ik olijfboer, ik werk hard op het land en ik schilder daar ook veel. En daarnaast schrijf ik in mijn Parijse hok. Ik heb mijn leven lang twee meesters gediend, schilderen en schrijven, en dat doe ik nog steeds. Het voordeel van 71 zijn is dat als je een mooie meid ziet lopen, je denkt: daar hoef ik niet meer achteraan, begrijp je wel? Verder verandert er niks. Behalve misschien dat je denkt, ach, dat gezever en gezeur, dat geouwehoer, daar heb ik allemaal geen zin meer in. Eigenlijk heb ik dat altijd al gehad. Maar nu kan ik het verbergen achter de ouderdom.’


Eerste tekening
Tijdens het interview laat Jan Cremer een tekening zien die onlangs boven water is gekomen. Het is de vroegste van alle overgebleven tekeningen van zijn hand, gemaakt vlak na de begrafenis van zijn vader. Een voor een tweeënhalfjarig kind uitzonderlijk heldere tekening, waarop duidelijk een rechthoekige kist te zien is, waarin een man met een hoed ligt. In de kist zitten venstertjes, want, legt Cremer uit, 'mijn moeder had gezegd, je vader is nu in de hemel maar hij kan je altijd zien’. Naast de kist staat een kind dat de hand van zijn moeder vasthoudt, met in de andere een schep. Er staan ook nog een 'kraai’, en een politieagent met getrokken pistool. 'Die man stond altijd bij het ziekenhuis voor de deur, om te voorkomen dat mijn vader zou vluchten. Hij stond op de lijst voor kamp Sint-Michielsgestel. Blijkbaar was hij meegelopen naar de begrafenis.’
De Groene Amsterdammer had de tekening hier graag afgedrukt, maar na ruggespraak met veilinghuis Adams moet Cremer dat helaas weigeren. 'Ze zeggen, die veiling is misschien pas in de zomer, en dit is in feite voorpaginanieuws, hier kunnen we het journaal mee halen.’

Cremer Museum
In 2000 werd Jan Cremer door Hare Majesteit geridderd. En in Enschede komt een Cremer Museum, in een door Rem Koolhaas gerenoveerd fabrieksgebouw. Volgens de luxe folder, door de gemeente bekostigd, moet het 'een rock 'n roll-instituut van internationale allure worden, een trefpunt van muzen’. Door de crisis is er enige vertraging in de uitwerking van de plannen gekomen, maar in principe, zegt Cremer, gaan ze open najaar 2012. 'Met een gigantische tentoonstelling van mij, daarvoor ben ik nu aan het werk.’ Zijn laatste tentoonstelling was vijf jaar geleden in het Groninger Museum. 'Sindsdien heb ik niet meer tentoongesteld, want ik bewaar alles voor de opening van het museum.’