Groen

Koud

Vroeger, toen we nog wedstrijdschaatsers waren, haalden we onze neus op voor natuurijs. Natuurijs, dat was funest voor je techniek en je blééf slijpen. Voor mij persoonlijk kwam daar ook nog eens het ontbreken van bochten bij. Als er geen bocht is, is schaatsen een tamelijk nutteloze en onzinnige sport, als je het mij vraagt. En o ja: natuurijs was voor oude mannen met bevroren snotpegels in hun baarden.
Op 1 januari moest het er maar eens van komen. In Joure. Er waren tientallen mensen op het ijs. Ik stapte op en trok een baantje. Tot ik op een punt kwam waar ik het ijs zag golven onder de ijzers van, nou ja, twee mannen met snotpegels in hun baarden. Ik bleef tien minuten stokstijf staan op die plek, onderzocht in hart en hoofd mijn doodsangst, en besloot eraan toe te geven. Die avond zou ik tegen wie er ook naast me zat tijdens het nieuwjaarsdiner zeggen: ‘Waarom altijd maar je angsten overwinnen? Wat een onzin zeg. Eraan toegeven, dát is pas fijn.’ Toen ik op de fiets stapte om terug te keren naar Sint Nicolaasga, wist ik al wat er ging gebeuren.
Ondanks mijn ferme voorgekauwde uitspraak, ging ik afstappen bij Pieter. Dat had ik nodig. Hij stond rustig hooi te vreten en keek verbaasd op toen ik hem riep. Hij deed twee stappen en ik streelde hem lang en aandachtig in beide neusgaten. Hij stopte met kauwen en kreeg een wazige blik in zijn ogen. Ik hield mijn hoofd bij hem in de buurt, ik wilde erg graag dat hij aan mijn oren ging kluiven. Dat deed hij niet. Dit staat er in een boek over de Watersnoodramp: ‘Paarden, dierbare vrienden van de Zeeuwse boer. Zij stierven op vergeefse tochten, zwoegden, tot de hals in het water, voor zwaarbeladen karren, of bleven hongerend en verwonderd achter in verlaten dorpen.’ Dat kan ik niet lezen zonder te moeten huilen. Zoiets heeft Pieter nooit meegemaakt, die leefde nog niet in 1953. Deze grijze Zeeuwse knol had het slechts te stellen met een mannetje dat getroost en gerustgesteld moest worden.