Koud zweet

Als klein jongetje was ik zachtaardig, nieuwsgierig en racist. Ik groeide op in een haatdragende omgeving en werd gevoed met principes die gestoeld waren op de ongelijkheid tussen de rassen. Vanzelfsprekend was het ras waartoe ik behoorde, werd me verteld, het meest geciviliseerde van allemaal. Als zesjarige leerde ik Arabieren te wantrouwen. Mij werd uitdrukkelijk verboden enige vorm van contact te leggen met mannen, vrouwen of kinderen met een donkerder huidskleur dan ik.

Met de regelmaat van de klok pleegden familieleden, kennissen of buren racistische aanslagen ergens in de stad, maar dit leidde nooit tot een protestdemonstratie of een stille tocht door de straten van onze blanke buurt. Integendeel. Ik kan mij goed herinneren hoe de mensen instemmend hun hoofd knikten toen de Arabische slagerij die tegenover mijn grootvaders huis was gelegen, door twee witte adolescenten in brand werd gestoken. De eigenaar was enige tijd daarvoor al verjaagd met doodsbedreigingen.
Paradoxaal genoeg was niemand uit onze gemeenschap tegen buitenlanders. Want de buitenlanders, dat waren wij zelf. Op een dag werd duidelijk dat wij Algerije moesten verlaten. Maar alvorens we de koffers pakten, werden eerst de scholen, bibliotheken, musea en tal van andere gebouwen in Oran in brand gestoken of tot ontploffing gebracht. Deze filosofie van de verschroeide aarde was door een harde kern onder ons, de OAS, bedacht, zodat niets van waarde in handen van de autochtone bevolking zou vallen.
Ik heb van dichterbij de verwoesting meegemaakt die rassenhaat, gecombineerd met de waanzin van een burgeroorlog tussen twee verschillende bevolkingsgroepen, in hoofden en harten kan aanrichten. Enkele jaren na hun vlucht uit Algerije naar Frankrijk stemde bij de Franse presidentsverkiezingen het merendeel van de Pieds Noirs, onder wie mijn eigen ouders, voor de extreem rechtse kandidaat Tixier-Vignancour. Uit die tijd heb ik geleerd dat, ondanks de giftige injecties die hem in zijn kinderjaren worden toegediend, een gezond mens met een gezond verstand vrij gemakkelijk in staat is afstand te nemen van waandenkbeelden die naar dood en verderf geuren. Wel moet hij hiervoor soms bereid zijn de band met zijn eigen gemeenschap en familie door te snijden.
Afgelopen zaterdag zat ik in Parijs en keek ik naar de tv-beelden van de Franse fascistische leider Jean-Marie Le Pen, die in Straatsburg met zijn partij een congres hield. Le Pen, de veteraan uit de Algerijnse oorlog, trok zich weinig aan van de betogers die in de stad tegen hem demonstreerden. Hij werd als voorzitter herkozen in de wetenschap dat zijn partij, bij de volgende verkiezing, een monsterscore van vijftien procent zal behalen.
Terwijl ik Le Pen zag paraderen, dacht ik aan Janmaat, die een dag eerder in Nederland wegens het aanzetten tot vreemdelingenhaat tot twee weken cel was veroordeeld. Twee landen, en een wereld van verschil. In het ene heeft men meer dan eens in het verleden de ogen dichtgeknepen wanneer Le Pen zijn hatelijke kreten afvuurde, wat in de loop der jaren tot een gestage groei van zijn aanhang heeft geleid. In het andere wordt bij een uitglijder van een kleine Führer zonder gezag de poort van de gevangenis wijd opengezet. De Nederlandse waakzaamheid en aanpak van iedere vorm van rassendiscriminatie ligt me na aan het hart. En toch ben ik afgelopen weekeinde door de veroordeling van Janmaat meer geschrokken dan door de triomfantelijke opmars van Le Pen.
Vanzelfsprekend moet je racisme met alle middelen bestrijden. Althans zolang je niet aan de fundamenten van de eigen rechtsstaat gaat sleutelen. Maar vrijdag heeft de rechtbank in Zwolle een man tot een celstraf veroordeeld, niet voor wat hij zei maar voor wat hij is. Janmaat is een xenofoob, maar de uitspraak waarvoor hij is veroordeeld had, in principe, iemand als Bolkestein ook kunnen doen zonder hiervoor te worden gestraft: ‘Wij schaffen zodra wij de mogelijkheid hebben, de multiculturele samenleving af.’ Objectief gesproken is in zo'n zin niets van discriminerende aard jegens een ras of bevolkingsgroep terug te vinden. En wat de subjectiviteit betreft, die hoort buiten de rechtszaal geparkeerd te worden. Iedere burger mag vinden dat de multiculturele samenleving, die in mijn ogen een verrijking is, moet verdwijnen. Bijvoorbeeld middels totale assimilatie, om de Nederlandse identiteit te versterken. Je mag, dunkt me, geen justitie à la carte, met of zonder integrale helmen, zomaar hanteren, en zeker niet in dienst van de politieke correctheid. Als de, sinds mijn beginnende adolescentie, extremist in antiracistisch denken die ik geworden ben, kan ik me de goede bedoeling van de Zwolse rechter wel voorstellen. Als praktizerend aanhanger van de vrijheid van meningsuiting krijg ik van zijn uitspraak een aanval van koud zweet.