Koude lucht

Douglas Coupland beschrijft niet de tijdgeest. De tijdgeest gaat volgens mij al jaren te rade bij de Canadese auteur van Generation X, Shampoo Planet, Life after God, Polaroids en andere hoogstandjes uit de modern-decadente literatuur.

Op een of andere manier weet Coupland altijd van tevoren te beschrijven wat er in de wereld zoal verandert en wat er zoal belangrijk wordt. Zelfs zijn fascinatie voor Legoland van een paar jaar geleden, toen Coupland zich met graagte liet fotograferen als een kleuter zittend op een Lego-vliegveld met een Lego-jumbo in zijn knuisten, wordt in het licht van de jongste ontwikkelingen profetisch. Lego, zo schreef De Groene vorige week, komt deze herfst met Nieuw Lego: het oude plastic blokje met een microchip erin. Vanaf dat moment zullen kinderen meer en meer het huishouden gaan programmeren en controleren.
In tegenstelling tot de bratpackers met wie hij over één kam werd geschoren, kun je met Coupland wél lachen. Hij bezit een goddelijk soort ironie, die hij gelukkig zo weet te doseren dat zijn boeken niet aan dat pomotrucje bij uitstek ten onder gaan. Ook in De shampoo planeet overgiet Douglas Coupland zijn verhaal met dat sausje van betrokken distantie. Hij beschrijft de twee werelden die op de shampooplaneet van vandaag bij elkaar komen: die van een generatie die vaak MTV-jeugd wordt genoemd, en die van hun suffe ouders. De laatsten dromen weg bij de herinnering aan Jimi Hendrix en Woodstock, aan de commune waarin ze vroeger stoned werden, en aan de vele liefdes die hun pad en hun bed kruisten.
Tyler ohnson vindt dat allemaal maar niks. Hij vindt eigenlijk alles maar niks. ‘Ik sta in het portiek voor de deur van Dans huis en voel de koude lucht door het sleutelgat naar buiten stromen. De troosteloosheid druipt haast van het flatgebouw af waar Dan woont. Het gebouw is een onderkomen voor mensen die allemaal met elkaar gemeen hebben dat ze ergens op een bepaald moment de trein hebben gemist. Ik voel weerzin de liftknopjes aan te raken of de geur van de treurige maaltijden op te snuiven die in de hal hangt. (…) Er staat een bak uitgedroogde, nooit geplante goudsbloemen naast een raam dat uitkijkt op een afgezaagde boom die nooit zal worden weggehaald. Er hangt afval in de ongesnoeide struik die moet doorgaan voor een heg langs de weg.’