H.J.A. Hofland

Koude oorlog, beste oplossing

Zolang er geen duurzame vrede is tussen Israël en Palestina kan het Westen zich verzekerd houden van de haat der Arabieren, schreef de Amerikaanse columnist William Pfaff kort na 11 september 2001. Hij zag een oorzakelijk verband tussen dit eindeloze conflict en de grote aanval. Op deze stelling is toen niemand verder ingegaan. Er waren andere zaken aan de orde, eerst de oorlog tegen de Taliban, toen Saddam Hoessein. Voor de oplossing van het conflict tussen Israël en Palestina kwam er een routekaart voor de vrede, gingen Amerika, Europa, Rusland en de Verenigde Naties zich er in georganiseerd verband mee bemoeien, kwam Colin Powell, toen nog minister, een paar keer bij Ariel Sharon op bezoek maar werd onverrichter zake teruggestuurd. Toen stierf Jasser Arafat, daarna raakte Sharon in coma, en intussen gaat met wisselend geweld het conflict verder.

Beleven we nu weer de geboorte van een nieuwe situatie? In Palestina heeft Hamas de verkiezingen gewonnen, volgens de internationale waarnemers op een onberispelijk democratische manier. Maar Hamas wil Israël van de aardbodem vegen. Het Westen laat dit niet toe, de hele «internationale gemeenschap» zou zich als zodanig kunnen opheffen. Misschien zijn wel heel veel Arabieren voorstander van deze optie, maar zolang Israël bestaat, is het bij theoretische steun gebleven en hebben ze de Palestijnen hun eigen kastanjes uit het vuur laten halen. In de praktijk is het Palestijnse verzet voor de Arabische militanten een welkome bijdrage om de moed erin te houden, zonder in de kosten te delen. In dit opzicht is de zege van Hamas weer een sprong vooruit.

Dat betekent voor het Westen een versterking van het dilemma. Palestina wordt met ruime economische steun op de been gehouden, grotendeels door het Westen. Wordt Hamas als een terroristische organisatie beschouwd, dan houdt deze hulp op. Althans, dat willen de Amerikanen. Ze hopen dat door deze dwang Hamas «tot rede» zal worden gebracht. Het gevolg zou in ieder geval een verdere verarming van de Palestijnen zijn, met meer kans op verdere radicalisering.

De Israëlische correspondent van The Economist, Gideon Lichfeld, maakt een vergelijking met Castro’s Cuba. In het 48ste jaar van zijn bewind gebruikt hij de Amerikaanse boycot als vitale steun om zich politiek te handhaven, en de handelsbetrekkingen met de rest van de wereld en het toerisme om economisch hetzelfde te doen. Het verschil is dat het Amerikaans-Cubaanse conflict zich eerst heeft afgespeeld in de marge van de Koude Oorlog, en daarna alle betekenis voor de wereldpolitiek heeft verloren. Wat er tussen Israël en Palestina gebeurt, is verre van marginaal. Het hoort tot het grote geheel van de verhoudingen tussen de Arabische wereld en het Westen.

Terwijl ik dit schrijf, worden in Israël verkiezingen gehouden. Zoals het er nu uitziet, zal de Kadima, de partij van Sharon die nu wordt geleid door Ehud Olmert, winnen. De nieuwe voorman moet zich nog bewijzen. Hij is voorstander van een voortgezette ontruiming gepaard aan een rigide veiligheidsbeleid. Hoe zich dat zou verwerkelijken weet niemand. Het volk van beide partijen is opnieuw moe van de oorlog. Misschien biedt dit nu de beste kans op vrede. Maar zoals de ervaring leert, kan aan deze moeheid door een aanslag of actie ieder ogenblik weer een einde komen. Voor het zo ver zou komen, is er een kans om het vredesproces weer op gang te brengen. Daartoe zal Hamas moeten worden erkend als de onderhandelingspartner. Een andere is er namelijk niet. Dat is de werkelijkheid. Heropening van de onderhandelingen is van mondiaal belang en vraagt internationale begeleiding. Als Bush, gehinderd door ideologische bezwaren, daarvoor terugschrikt, moet de Europese Unie proberen hem op andere gedachten te brengen. Lukt dat niet, dan moet Brussel zelf het initiatief nemen.

Daarbij moeten dan alle partijen het uit hun hoofd zetten dat door nieuw overleg de eeuwige vrede zou kunnen uitbreken. Realistische visies op het conflict zijn schaars, ook al omdat aan beide kanten taboes het overleg blijven frustreren. Ik dacht aan het verslag van een gesprek van een jaar of vier geleden, tussen sjeik Mohammed Hoessein Fadallah en David Ignatius, columnist van The Washington Post. Van Fadallah wordt gezegd dat hij de moderne zelfmoordbom heeft uitgevonden en dat hij betrokken was bij de aanslag van 1983 op de Amerikaanse ambassade en marinierskazerne in Beiroet (tegen de driehonderd doden). Niet de eerste de beste.

Ignatius schreef dat hij in het gesprek «oprecht respect» voor de overtuiging en intelligentie van zijn gastheer had gekregen: «Hij is een van de weinige geestelijke leiders in de islam die beseffen dat een betere verstandhouding met het Westen dringend geboden is.» Maar dat is iets anders dan het bestaansrecht van Israël erkennen. Zoals Ignatius hem citeerde: «Deze bizarre situatie, genaamd Israël. Die vorm van kolonialisme, die door miljoenen Arabieren nooit zal worden aanvaard.» Was er dan enig uitzicht op het einde van de spiraal van wraak en weerwraak? In zeker opzicht, antwoordt Fadallah: «Oorlog is niet langer een optie die van werkelijkheidszin getuigt.» Hij maakt een vergelijking met de Koude Oorlog. Toen hebben de VS in wezen nooit het bestaansrecht van de Sovjet-Unie erkend, maar ook hebben beiden nooit op elkaar geschoten. Vrede zal er niet komen, wel een wapenstilstand, concludeerde de sjeik in juni 2002.

Hoe heeft zich sindsdien de verhouding tussen de Arabische wereld en het Westen ontwikkeld? Niet goed? Chaotisch? Uitzichtloos? Ligt het dan niet voor de hand opnieuw de oorsprong op te zoeken, om daar te proberen een begin te maken met zo’n Koude Oorlog, een wederzijds overeengekomen coëxistentie die uiteindelijk de vrede heeft gered? Israël-Palestina blijft in het centrum van de wereldpolitiek.