Grenstroebelen tussen Estland en Rusland

Koude Oorlog in de Baltische Golf

Estland en Rusland zijn al veertien jaar verwikkeld in een psychologische loopgravenoorlog en kennen geen officieel grensverdrag. Een sanitaire stop in het grensgebied is dan ook af te raden.

LUTEPÄÄ – Het dorpje Lutepää, pal aan de grens met Rusland in Zuidoost- Estland is uitgestorven. Alleen het alom presente leger van waakhonden doorbreekt de stilte. Toch is er iets aan de hand met Lutepää. Het is alleen bereikbaar via een zandweg die over Russisch grondgebied loopt. Op dit stukje weg van achthonderd meter hebben zich de afgelopen jaren bizarre situaties voorgedaan. Anders dan de argeloze bezoekers weten de dorpelingen en de chauffeur van de schoolbus dat zij niet de vergissing moeten begaan onderweg te stoppen. De Russische autoriteiten gedogen een snelle autorit naar Lutepää, maar een voet zetten op Russische bodem staan zij niet toe. IJverige grenswachters loeren in het struweel op Esten en (zeldzame) toeristen die een sanitaire stop inlassen dan wel een blik onder de motorkap werpen, of, in een sportieve opwelling, de tocht per voet of per fiets maken. Dat kan nare gevolgen hebben. Men wordt prompt gearresteerd wegens het illegaal overschrijden van de grens en afgevoerd naar de gevangenis in Pskov. Na daar enige dagen te hebben vertoefd, wordt de arrestant, met een pittige boete op zak, weer overgedragen aan de Estse douane. Hij mag van geluk spreken indien zijn auto in de tussentijd niet is geconfisqueerd.

Het is illustratief voor de kille verstand houding tussen Estland en Rusland. De twee buurlanden kennen geen officieel grensverdrag, hetgeen weer niet los valt te zien van de psychologische loopgravenoorlog waarin de landen al veertien jaar zijn verwikkeld.

Eventjes leek er licht aan de einder te gloren. Op 18 mei dit jaar toog Estlands nieuwe minister van Buitenlandse Zaken Urmas Paet (32) naar Moskou om daar samen met zijn Russische collega Sergej Lavrov plechtig een tweetal documenten met betrekking tot de lands- en zeegrens te ondertekenen. Maar het parlement van Estland (Riigikogu) keurde tijdens de ratificatiezitting op 20 juni een additioneel, door twee rechtse partijen geïnitieerd protocol goed waarin indirect wordt gerefereerd aan de blijvende rechtsgeldigheid van het op 2 februari 1920 met bolsjewistisch Rusland gesloten Verdrag van Tartu. Het Kremlin had deze motie met een korreltje zout kunnen nemen, omdat alle partijen in het parlement zich met het oog op de medio oktober te houden gemeenteraadsverkiezingen wilden pro fileren – stoere taal in de richting van Rusland doet het altijd goed – maar het tegendeel was het geval. Lavrov ontstak in woede, zei de Doema (het parlement van Rusland) ratificatie te zullen ontraden en trok zijn handtekening terug. Op 1 september smeet president Poetin het verdrag in de prullenbak.

Waarom tillen de Russen zo zwaar aan een stoffig verdrag uit 1920 en waarom hechten de Esten er juist zoveel waarde aan? Het Verdrag van Tartu bezegelde het einde van de in november 1918 losgebarsten Vabadussõda (Onafhankelijkheidsoorlog) tegen Rusland. De Russen erkenden de soevereiniteit van Estland – volgens de Estse historicus Edgar Mattisen veronderstelde Lenin dat de arbeiders er weldra een revolutie zouden ontketenen en akkoord zouden gaan met een voor sovjet-Rusland gunstiger traktaat – en kwamen een grens overeen met de prille republiek. Deze wijkt echter af van de huidige grens. Nadat Stalin in 1944 Estland voor de tweede maal had ingekapseld – Letland en Litouwen ondergingen hetzelfde lot – hevelde hij per decreet een drietal Estse regio’s ten oosten van de in puin geschoten stad Narva over naar de provincie Leningrad in de Russische sovjetrepubliek. Op basis van het hetzelfde decreet van Stalin ging de zuidoostelijke Petseri-regio op in het nieuw gevormde Russische district Pskov, ondanks tegenspartelen van de Estse Communistische Partij. Pskov eigende zich in september 1957, met instemming van Moskou, ook nog eens vier Estse dorpen in de omgeving van de stad Räpina toe. In totaal was Estland 2.333 vierkante kilometer, ofwel vijf procent, van zijn vooroorlogse grondgebied kwijt, met inbegrip van 75.000 onderdanen.

Het Verdrag van Tartu werd na de implosie van de Sovjet-Unie in 1991 plotseling weer actueel en zou een donkere schaduw over de toch al zo gespannen relatie tussen Rusland en zijn voormalige satelliet Estland werpen. De Opperste Raad, de voorloper van de Riigikogu, verklaarde op 12 september 1991 de door Stalin en Chroesjtsjov opgelegde grenscorrecties nietig. Dit leidde in Rusland niet alleen tot de vrees dat de Esten de in 1944/1957 verloren gebieden zouden terugeisen, maar tastte eveneens een gekoesterd geschiedbeeld aan. Rusland stelt zich op het standpunt dat Estland (evenals Letland en Litouwen) in juni 1940 vrijwillig tot de Sovjet-Unie is toegetreden, dat er in juli 1940 eerlijke verkiezingen hebben plaatsgevonden die deze toetreding legitimeerden en dat het jaar 1991 een Stunde null in de onderlinge relatie was.

Erkenning van «Tartu» zou betekenen dat Rusland de wederrechtelijkheid van de inlijving van de Baltische landen zou onderschrijven. De Esten houden er een geheel andere interpretatie op na. Zij benadrukken het illegale karakter van de annexatie in 1940 en 1944 en hameren op de staatsrechtelijke continuïteit van de op 24 februari 1918 geproclameerde republiek. Het verdrag heeft daarom nooit aan kracht ingeboet. Bovendien staat in de grondwet dat «de landsgrens van Estland wordt bepaald door het Verdrag van Tartu». Op de website van de Estse diaspora in Canada voeren rabiate opponenten van het grensverdrag nog een opmerkelijk argument aan: zelfs in het «Bijstandspact» dat Estland als gevolg van het Molotov-Ribbentrop Pact door de Sovjet-Unie in 1939 kreeg opgedrongen wordt expliciet gesproken van het Verdrag van Tartu als «solide grondslag voor de wederzijdse betrekkingen en verplichtingen».

Estland beet zich in de eerste helft van de jaren negentig vast in het Verdrag van Tartu maar moest stilaan onderkennen dat de internationaal-politieke realiteit toch wat weerbarstiger was. Rusland was absoluut niet van plan concessies te doen en greep de Estse koppigheid aan om zich nóg onbeweeglijker te kunnen opstellen in de gesprekken over de grens en andere bilaterale kwesties. President Jeltsin zag zich gedwongen rekening te houden met de nationalistische krachten in de Doema en besefte maar al te goed dat Bill Clinton en Helmut Kohl zijn machtspositie, die zij als een stabiliserende factor in de slangenkuil der Russische politiek beschouwden, toch echt belangrijker vonden dan de wensen van het kleine Estland. Jeltsin gaf in juni 1994 opdracht de grens aan de Narva-rivier te markeren en zei tijdens een bezoek aan de omstreden grens zone: «Dit gebied is en blijft Russisch. Geen meter land zal aan anderen worden gegeven.» Het klimaat werd allengs grimmiger. In deze tijd kropen de kinderen van Lutepää op weg naar school letterlijk onder het Russische prikkeldraad door.

De politieke elite in Tallinn besloot eieren voor haar geld te kiezen. Niet alleen omdat afspraken over de grens noodzakelijk waren in verband met smokkel en andersoortige criminele activiteiten, maar ook omdat een aanhoudend dispuut met Moskou de vurig gewenste toetreding tot de Navo en de Europese Unie – die, Bosnië indachtig, bevreesd waren voor het uitbreken van een nieuw territoriaal conflict – in gevaar zou kunnen brengen. In 1996 bereikten de ministers van Buitenlandse Zaken van beide landen een voorzichtige doorbraak. Estland zegde toe «Tartu» bij verdere onderhandelingen buiten beschouwing te laten, wat volgens een juridische adviesgroep niet in strijd was met de grondwet, en rondde dat in 1999 af in een principeverdrag.

Dat de daadwerkelijke ondertekening van dit verdrag nog eens zes jaar op zich liet wachten, hing onder meer samen met de niet-aflatende spanningen over de positie van de etnische Russen in Estland (28 procent van de bevolking), die als gevolg van de stringente Wet op het Staatsburgerschap soms stateloos zijn, en de Russische pogingen om de uitbreiding van de Navo met de Baltische landen te verijdelen. Het mislukken van die obstructiepolitiek, het ontslag van de zich bij tijd en wijle behoorlijk russofobe minister Ojuland van Buitenlandse Zaken (zij is nu de trotse eigenaar van een schapenboerderij) en Ruslands wens een soepeler Europees visumregime binnen te hengelen, leidden tot een meer inschikkelijke houding van het Kremlin. Minister Paet van Buitenlandse Zaken kon in mei dus op het vliegtuig naar Moskou stappen. Maar de vreugde was, zoals beschreven, van korte duur.

Hoe nu verder met het drama genaamd «grensverdrag»? Toomas Hendrik Ilves, ex-minister van Buitenlandse Zaken en sociaal-democratisch lid van het Europees Parlement, uit zich in de beste Estse traditie vrij cynisch. Hij moet zelf niets hebben van het protocol dat de Riigikogu op 20 juni onverwacht aan het verdrag toevoegde: «Dat was een kortzichtige actie, puur bedoeld voor binnenlandse consumptie. We hadden naar de toekomst moeten kijken. Geen idee wat er nu moet gebeuren.»

Meer zorgen maakt Ilves zich om de slappe knieën die de EU volgens hem heeft getoond tijdens de top met Rusland in Londen dit najaar. President Poetin kreeg de toezegging dat de toegang tot de EU voor Russische burgers zal worden vereenvoudigd, terwijl de Unie het geklaag van Estland en Letland (dat evenmin een grensverdrag met Rusland heeft) negeerde. Toomas Hendrik Ilves: «In breder politiek opzicht zijn de gemaakte afspraken misschien logisch, maar in intellectueel opzicht zijn ze dat absoluut niet. Een visum is een document dat je nodig hebt om een grens over te steken, in dit geval de EU-buitengrens, terwijl Rusland een deel van die grens officieel niet eens erkent.»

De twee kemphanen lijken hun vertrouwde stellingen weer te hebben ingenomen en geven beiden geen duimbreed toe. Minister Paet herhaalde dat Estland het verdrag heeft getekend en geratificeerd, zonder aanvullende eisen, en dat alles nu van Rusland afhangt. Rusland wil dat Estland het gewraakte protocol intrekt en speculeert ook over het voeren van compleet nieuwe onderhandelingen. Het deelt intussen ook andere speldenprikken uit. Zo heeft Moskou de «discriminatie» van de Russische stateloze minderheid wederom op de internationale agenda gezet. Tot grote ergernis van Estland verklaarde minister Lavrov in oktober dat deze minderheid van haar democratische basisrechten wordt beroofd, daar zij geen onderwijs in de Russische taal mag genieten en niet mag deelnemen aan lokale verkiezingen (beide constateringen staan overigens haaks op de werkelijkheid). Ook weigerde Rusland een visum te verstrekken aan zes Estse parlementsleden die Pechori en omstreken wilden bezoeken.

Komt het ooit nog goed tussen Estland en Rusland? Het antwoord luidt: nee. In Estland heeft het wantrouwen vis-à-vis de oosterbuur inmiddels chronische, welhaast clash of civilization-achtige vormen aangenomen. Werkelijke interesse voor een betere verstandhouding met Moskou valt niet te bespeuren, al is het maar omdat Estland de belangrijkste doelstelling van zijn buitenlandse politiek vorig voorjaar heeft weten te verwezenlijken: het lidmaatschap van Navo en EU, ofschoon het vertrouwen in de EU een behoorlijke knauw heeft gekregen door het gedweep van de grote lidstaten met Rusland. De Esten bezien, evenals hun zuiderburen, de band tussen Duitsland en Rusland – met de door Schröder en Poetin bedisselde aanleg van de gaspijpleiding van Sint-Petersburg naar Greifswald, dwars door de Oostzee, als voorlopig hoogtepunt – met wantrouwen. De moederlijke warmte onder de vleugels van Washington bevalt hun veel beter. Zij geloven liever in het fameuze adagium van wijlen Lord Ismay (de eerste secretaris-generaal van de Navo): «Nato’s purpose is to keep the Americans in, to keep the Russians out, and to keep the Germans down.»

Estland vaart liever een assertieve en zelfbewuste koers. Het wijst Rusland zelfs regelmatig op de slechte behandeling van zijn eigen minderheden, zoals de Mari. Dit Finno-Oegrische, dus aan de Esten (en Finnen) verwante volk, woont in een «autonome» republiek, achthonderd kilometer ten oosten van Moskou, alwaar Leonid Markelov, een devoot Zjirinovski-aanhanger, de scepter zwaait. Deze heeft sinds 2000 niets nagelaten om de culturele vrijheden van de Mari te beknotten, vaak op gewelddadige wijze. En premier Ansip gooide vorige maand olie op het vuur door te verklaren dat Estland nog steeds wacht op excuses voor de sovjetbezetting en dat een schadeclaim niet is uit te sluiten. Rusland kan dergelijke initiatieven van de brullende muis niet bepaald waar deren. Drie dagen na Ansips stellige optreden kreeg minister Paet, die een conferentie in Sint-Petersburg wilde bijwonen, te horen dat hij niet in aanmerking komt voor een visum.

Jammer voor de onschuldige reiziger, maar een sanitaire stop op weg naar Lutepää be hoort ook de komende jaren niet tot de mogelijkheden.