Koude-oorlogshitsers

Je hoort het steeds vaker: We staan aan de vooravond van een nieuwe koude oorlog. Tegen de islam. Maar welk bewijs is daar eigenlijk voor? Als er al een nieuwe koude oorlog komt, gaat die eerder tussen postmoderne vrijheid en premodern fundamentalisme. En die oorlog vindt overal plaats.
SALMAN RUSHDIES’ grootste probleem is misschien wel dat hij zo vaak gelijk heeft. In de lezing over godsdienst en politiek die hij in 1985 in de Amsterdamse Balie gaf, voorspelde hij de godsdienststrijd waarvan hij vier jaar later zelf het slachtoffer werd. De mens is een wezen met verbeeldingskracht, zei Rushdie; hij droomt dat alles beter wordt. De moderne politieke stelsels hebben echter niet de beloofde vooruitgang gebracht: ‘Je zou kunnen zeggen dat het Westen de toekomst heeft verloren, en met de toekomst verliezen de westerse politieke stelsels hun enige legitimerende idee.’

Dit verlies veroorzaakte volgens Rushdie in de hele wereld een godsdienstige heropleving. In de Verenigde Staten, waar de vooruitgangsgedachte heel dicht tegen het nationaal zelfbesef aan ligt, zocht men heil bij het protestantse messianisme. In Iran keerde de islamitische revolutie letterlijk de lineaire tijd de rug toe. Rushdie: ‘Ali Shariati, een van de belangrijkste ideologen van de revolutie, omschreef de gebeurtenissen als een “opstand tegen de geschiedenis”. Met deze vier onvergetelijke woorden wordt de geschiedenis gekenschetst als een kolossale vergissing en stelt de revolutie zich letterlijk ten doel de klok terug te draaien.’ Overal ontstonden ingebeelde gemeenschappen op religieuze grondslag die achterwaarts de toekomst tegemoet gingen, zo meende Rushdie. Het gevaar ging niet alleen uit van islamitische bewegingen, maar misschien nog wel meer van de strategisch oppermachtige Verenigde Staten. 'We zien Amerika bidden’, zo besloot hij, 'en de schrik slaat ons om het hart.’
ZIJN WE INDERDAAD getuige van de eerste schermutselingen van een nieuw tijdperk van kruistochten? Volgens Navo-secretaris Willy Claes vormt het islamitisch fundamentalisme een even grote bedreiging voor het Westen als het communisme van weleer. Zijn woorden lenen zich natuurlijk voor historische en semantische haarkloverij, maar daarom is de strekking niet minder actueel. Dat vindt ook Ali Akbar Hasjemi Rafsanjani, de president van de Islamitische Republiek Iran, die eind vorig jaar in Le Figaro verklaarde: 'Tot op zekere hoogte is het waar dat het islamisme het communisme gaat vervangen. Alleen zijn wij islamisten vooruitstrevender op het gebied van het recht, en over het algemeen gematigder dan de communisten.’ En volgens Radovan Karadzic wordt de bestandslijn in Sarajevo een nieuw Checkpoint Charlie in een muur die christendom en islam van elkaar scheidt. Ook die uitspraken zijn voor velerlei analyse vatbaar, maar de boodschap is duidelijk. Als het aan de sprekers ligt, verrijst tussen het Westen en de islamitische wereld een nieuw IJzeren Gordijn. Maar hebben ze de feiten op hun hand?
Sinds de Iraanse revolutie van 1979 namen de terroristische incidenten en militaire confrontaties tussen westerse en islamitische landen hand over hand toe, met als dieptepunt de Golfoorlog. Uit migratiecijfers en onderzoeken naar vreemdelingenhaat verrijst het beeld van een scheiding der geesten die steeds vaker de vorm aanneemt van een fysieke scheiding. Die ontwikkeling blijft niet beperkt tot de christelijke terreur tegen de Bosnische moslims of de islamitische terreur tegen christenen in Soedan. Er vindt een uittocht van christenen uit islamitische landen plaats. De Koptische christenen wijken uit voor de terreur in Egypte; de Syrische, Pakistaanse en Iraakse christenen emigreren op grote schaal, en de maronietische leiders zijn met Franse militaire ondersteuning Libanon ontvlucht.
Tegelijk loopt de spanning tussen islamitische migranten en oorspronkelijke bewoners in Europa en de Verenigde Staten op. Terwijl de grenzen dichtgaan, wordt in Europa hardnekkig gestreden om het bezit van de publieke ruimte, wat resulteert in gettovorming, quoteringsregelingen en een veelvoud aan instellingen die de 'identiteit’ van moslim-migranten ofwel moeten veiligstellen, ofwel moeten afbreken met het oog op gedwongen integratie. Zelfs als het alleen maar om een media-hype gaat, zien kennelijk nogal wat leiders, groeperingen en instellingen reikhalzend uit naar een nieuwe koude oorlog. Het is dus urgent om een aantal vragen te beantwoorden. Zijn de islam en het Westen inderdaad machtsblokken die elkaar uitsluiten en bedreigen? Is het islamisme - het streven naar een theocratische staat op basis van de sharia - verwant aan het communisme? Is de islam per definitie onverenigbaar met democratie, en zo nee, welke westerse belangen zijn er dan gediend met een verkettering van de islam?
De vrees voor een allesoverheersende westers-islamitische confrontatie is betrekkelijk jong, of liever gezegd: atavistisch. Hij grijpt terug op een tegenstelling die zowel in het Westen als in veel islamitische landen overwonnen leek. Na het laatste beleg van Wenen door de Turken verdween de dreiging van de islam uit het westerse bewustzijn, om tijdens het koloniale tijdperk plaats te maken voor een meewarige verachting voor de volgelingen van de Profeet. Terwijl het Westen zijn methoden en denkbeelden aan de islamitische wereld oplegde, verschafte die wereld in ruil slechts voedsel aan het westerse exotisme. Zo ontstond wat Rushdie de 'fictieve Orient’ noemt, het denkbeeldige rijk van ongebreidelde wellust en wraakzucht, waaruit de hedendaagse beeldvorming naar hartelust put: 'Er is niet veel veranderd sinds de kruistochten, behalve dat we nu niet eens meer recht hebben op een enkele verkwikkende “goede moslim” van het type Saladin.’
En dat terwijl de nationalistische, westers opgeleide elites die na de onafhankelijkheid in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Zuidoost-Azie aan de macht kwamen, doorgaans radicaal met de islam braken. Tijdens de Koude Oorlog gehoorzaamden de conflicten tussen westerse en islamitische landen volledig aan het bipolaire patroon en was de godsdienst nimmer een beletsel voor bondgenootschappen, zoals tussen Frankrijk en Irak, de Verenigde Staten en Pakistan, Groot-Brittannie en Saoedi-Arabie of de Sovjetunie en Zuid-Jemen. De enige uitzondering was de oliecrisis van 1973, toen een aantal islamitische landen rond de Golf zich met andere olieproducenten verbond in een anti-westers front, maar toen was de voornaamste drijfveer van economische en niet van religieuze aard.
Ook na het uiteenvallen van de Sovjetunie werd de revolutionaire islam aanvankelijk beschouwd als een achterhoedegevecht van volken die niet in staat waren tot economische modernisering, terwijl de Iraanse revolutie gezien werd als een bedrijfsongeval van de olie-industrie. In The End of History and the Last Man deelde Fukuyama de islam in bij de culturen die tot economische achterstand veroordeeld zijn, en dat onvermogen veroorzaakte dan weer een begrijpelijke nostalgie naar de tijd waarin de islam een ontembare kracht was. 'In dit opzicht vertoont het islamitisch fundamentalisme een meer dan oppervlakkige overeenkomst met het Europese fascisme’, aldus Fukuyama. Maar anders dan het fascisme of communisme vond de Iraanse revolutie hoogstens weerklank in het traditionele verspreidingsgebied van de islam, niet onder jongeren in Berlijn, Tokyo of Moskou. De meeste commentatoren deelden Fukuyama’s oordeel dat de islam vroeg of laat moest wijken voor de Weltgeist van het democratisch kapitalisme. Van een koude oorlog werd niet gerept. De wereld leek eerder af te stevenen op een economische wereldoorlog tussen de Verenigde Staten, Europa en een Aziatisch handelsblok onder leiding van Japan. Zoals een Amerikaanse senator het uitdrukte: 'We hebben de oorlog tegen Duitsland en Japan gewonnen, we hebben de Koude Oorlog tegen de Sovjetunie gewonnen, en nu komt het erop aan de economische oorlog te winnen.’ Voor sommige politici is het nu eenmaal altijd oorlog.
PAS SINDS DE Algerijnse burgeroorlog en de aanslag op het Wereldhandelscentrum in New York is er sprake van een doctrine die de islam tot integrale, dat wil zeggen: politieke en militaire vijand van het Westen verklaart. In deze visie is de islam niet alleen barbaars en repressief, maar ook monolithisch: een Groen Gevaar, een Islamitische Internationale of een 'Khomintern’. Als oertekst dient het artikel van de Harvard-politicoloog Samuel Huntington, The Clash of Civilizations, dat in de zomer van 1993 in het tijdschrift Foreign Affairs verscheen. Wat Huntington als hypothese presenteerde, is voor veel denktanks inmiddels aanvaarde werkelijkheid: 'De wezenlijke bron van conflicten in de wereld van morgen zal niet in de eerste plaats ideologisch of economisch zijn. De voornaamste bron van de conflicten zal van culturele aard zijn. Natie-staten blijven de machtigste actoren in de internationale betrekkingen, maar de breuklijnen tussen de beschavingen zijn de frontlinies van de toekomst.’
Huntington definieert beschaving als de breedste vorm van cultuur waarmee mensen zich verbonden voelen, gebaseerd op zowel taal, religie en geschiedenis als subjectieve identificatie. Zo bezien is de wereld verdeeld in zeven of acht beschavingen: de westerse, confuciaanse, Japanse, islamitische, hindoeistische, slavisch-orthodoxe en Latijnsamerikaanse, en 'mogelijkerwijs’ ook de Afrikaanse. Iedereen is in te delen bij een van deze beschavingen. Partij kiezen - zoals in ideologische vraagstukken - is niet aan de orde: 'Bij beschavingsconflicten gaat het om de vraag: “Wat ben je?” Dat gegeven is onveranderlijk.’ Daarom zal het Westen onvermijdelijk in conflict raken met alle andere beschavingen - 'the West against the rest’ - en vooral met de islamitische landen, die steeds meer massavernietigingswapens betrekken uit China en Noord-Korea. Het Westen doet er goed aan om zich tegen deze 'confuciaans-islamitische connectie’ te wapenen, aldus Huntington.
Daar valt natuurlijk heel wat op af te dingen. Het idee van een fundamentele onverenigbaarheid van culturen is in zekere zin de kern van het hedendaagse racisme. Volgens de Leidse hoogleraar Alex Schmid, specialist op het gebied van politiek geweld, vindt Huntingtons theorie ook geen steun in de feiten. Een voorlopige statistische analyse wijst uit dat er langs Huntingtons beschavingsbreuklijnen niet meer conflicten plaatsvinden dan elders. Schmid: 'Het is een interessante hypothese, maar empirisch onhoudbaar. Dat is ook wel gebleken uit de confrontatie van Huntington met zijn tegenstanders.’ Die confrontatie vond jongstleden mei plaats op de universiteit van Princeton. Experts uit de hele wereld veegden de vloer aan met Huntingtons statische opvatting van cultuur en vooral met zijn verwijzing naar de 'bloedige grenzen van de islam’. Je kunt immers evengoed spreken van de bloedige grenzen van het christendom (ex- Joegoslavie, de Kaukasus) of van het hindoeisme (India, Sri Lanka). Om maar te zwijgen van de bloedige grenzen die de grootmachten door de Derde Wereld trekken om hun belangen veilig te stellen. En als de kruisbestuiving tussen islam en christendom al tijdens de Middeleeuwen zo vruchtbaar was - zo vroeg de Midden-Oostenexpert Fouad Ajami retorisch - hoe groot moet de wederzijdse doordringing dan wel niet zijn in het communicatietijdperk? 'Waar we ons ook bevinden, tegenwoordig zijn we allemaal grensbewoners’, concludeerde Le Monde Diplomatique.
IN FEITE LOPEN ER evenveel grenzen door de islam als door de westerse wereld. Of zoals de Leidse arabist J. J. G. Jansen laconiek schrijft: 'De islam is, net als het socialisme of het christendom, een gevarieerde beweging waarbinnen allerlei opvattingen worden aangetroffen: van Stalin tot Wim Kok of van kardinaal Simonis tot Huub Oosterhuis.’
In veel islamitische landen (Egypte, Irak, Jordanie) is de sharia dan ook niet de heersende strafwet. Tegenover de islamitische grondwet van Pakistan staat de seculiere, door de atheist Ataturk ingevoerde grondwet van Turkije. En tegenover de rigiditeit van de oppermachtige wahabieten-sekte in Saoedi-Arabie staat de zachtmoedigheid van de zogeheten 'maritieme islam’, die zich uitstrekt van Zanzibar tot Indonesie. Die laatste laat alle ruimte voor seksuele vrijheid, wetenschappelijk onderzoek, literaire experimenteerdrift en politieke ideeenstrijd.
Vertegenwoordigers van de liberale islam doen ook in het Westen van zich spreken. Onder schrijvers van islamitische afkomst in Engeland en Frankrijk draait de deconstructie van de koran op volle toeren, ook zonder hulp van Derrida. De Frans-Algerijnse islamoloog Mohamed Arkoun wil de 'verstening’ van de islam in Noord-Afrika en op het Arabisch schiereiland zelfs doorbreken door middel van een islamitische renaissance op Europees grondgebied: 'De ideologische islam sluit elke ruimte voor vrij onderzoek en een kritische benadering af. Daarom hebben wij deze ruimte in Europa nodig. Dit is een kans voor de islam als intellectuele traditie.’
Voor kwaadwilligen passen ook de meest weerbarstige feiten, zoals de westerse steun aan de Bosnische moslims of de Iraanse steun aan het christelijke Armenie, moeiteloos in een islamitisch master-plan. De talloze onthullingen over een islamitische wereldsamenzwering volgen hetzelfde patroon als de bestsellers uit de jaren zeventig die moesten bewijzen dat Moskou het centrum van het wereldterrorisme was. De auteurs wijzen Iran, Saoedi-Arabie of Soedan aan als centrum van de islamitische wereldrevolutie, van waaruit wapens, geld en propaganda hun weg vinden naar alle uithoeken van de wereld. De Amerikaanse buitenland- deskundige Leon Hadar heeft op een rij gezet wie er bij deze samenzweringstheorieen zoal gebaat zijn: 'Afgezien van een paar gemankeerde Koude-Oorlogsstrijders wordt deze campagne enthousiast ondersteund door een dubieuze club van regeringen, waaronder die van Egypte, Saoedi-Arabie, Israel, Turkije, Pakistan, India en de oude communistische heersers in Centraal-Azie. Voor een deel zijn dat repressieve regeringen die een vijand nodig hebben ten behoeve van hun publieke opinie. Allemaal maken ze zich zorgen om hun slinkend strategisch belang voor Amerika nu de supermachten vrede hebben gesloten.’
Natuurlijk bestaan er terroristische netwerken die worden gefinancierd door Iran of Saoedi-Arabie, maar in deze onderwereld is het ook voor de betrokkenen zelden duidelijk wie er aan welke touwtjes trekt. Ook de CIA heeft in de strijd tegen het communisme zulke netwerken opgezet, waaronder nota bene de groepering die het Wereldhandelscentrum opblies, terwijl de Israelische overheid zich in de vingers heeft gesneden door de Hamas-beweging uit te spelen tegen de PLO. Overigens vertoont ook de islamitische revolutie de neiging haar kinderen op te eten, zoals Trouw-journalist Koert van der Velde op zijn reizen door het Midden- Oosten vaststelde: 'Gematigden vinden bij revolutionaire fundamentalisten geen genade. Nadat Khomeiny’s fundamentalisten hun islamitische heilstaat hadden gesticht, maakten de vuurpelotons van de revolutionaire garde korte metten met zowel te gematigde als te radicale strijdbroeders. Fundamentalistische revolutionairen hebben een sterke neiging tot kannibalisme. Het ideaal van de umma (gemeenschap van alle gelovigen - ab) blijkt een grotere illusie naarmate het harder wordt nagestreefd.’
MAAR DIE ILLUSIE is wel hardnekkig. Het ontbreken van een Islamitische Internationale en het bestaan van een democratische islam moge dan geruststellend zijn, daarmee is niet gezegd dat er geen dreiging uitgaat van islamistische bewegingen. Hoe moeten groeperingen als het Palestijnse Hamas of het Algerijnse Fis worden geduid? Een veelgehoorde verklaring luidt dat het hier gaat om politieke of sociaal-economische protestbewegingen die noodgedwongen hun toevlucht nemen tot geweld. Aan het hoofd staan niet de traditionele plattelands-ulama (geestelijken), maar hoog opgeleide jongeren uit de grote steden. Zij zien hun ambities gefrustreerd door bureaucratie, repressie en economische malaise, waarvoor zij een goddeloze overheid en westerse moraal verantwoordelijk stellen. De Leidse hoogleraar in de interculturele communicatie Wasis Shadid heeft deze theorie samen met de islamoloog Van Koningsveld de afgelopen jaren in diverse boeken verdedigd. Shadid: 'Als regeringen niet ingaan op hun gerechtvaardigde sociaal-economische eisen en de islamistische partijen niet toestaan om deel te nemen aan het politieke bestel, dwingen ze die partijen tot geweld. Dat geweld roept weer tegengeweld op, zodat splintergroeperingen de overhand krijgen. Dat is bijvoorbeeld het geval met het Fis in Algerije, dat na zijn verkiezingsoverwinning verboden werd.’
Aan sommige theologische faculteiten wordt zelfs volgehouden dat er helemaal geen islamisme bestaat, hoogstens een stroming van vrome moslims die te vergelijken zijn met vrome joden of christenen.
Jansen vatte dit standpunt ooit als volgt samen: 'Het fundamentalisme is een uitvinding van journalisten die op sensatie jagen en van orientalisten die de aandacht van de media proberen te trekken, een bedenksel dat moet rechtvaardigen dat we ons met moslims gaan bezighouden omdat er geen communisten meer zijn. Elk onderzoek naar fundamentalisme is per definitie beunhazerij; het Arabisch heeft niet eens een woord voor fundamentalisme.’ Helaas, zo corrigeerde Jansen zichzelf: het Arabisch heeft wel een woord voor fundamentalisme, namelijk uliyya, en de rest van deze beweringen is ook flauwekul.
Je hoeft bij wijze van spreken het jongste Amnesty-rapport (mei 1995) over Iran maar in te zien, dat melding maakt van grootscheepse martelingen, executies en oneerlijke rechtszaken in naam van de Profeet. Zodra de islamitische heersers in Iran of Soedan aan de macht kwamen, maakte de sociaal-democratische retoriek onmiddellijk plaats voor onderdrukking van andersdenkenden en economische achterstelling van grote groepen burgers, onder wie vooral vrouwen. Voor Ali Belhaj, de ideoloog van het Fis, is democratie niets anders dan een vorm van djahiliya, een toestand van barbaarse onwetendheid die 'god van zijn macht berooft om die aan zijn schepselen te geven’. Het vermoorden van schrijvers, toeristen en ongesluierde meisjes kan moeilijk worden afgedaan als uiting van economische frustratie of als noodkreet van een gefnuikt islamitisch CDA.
Ook Hamas kan niet zo gemakkelijk uitleggen waarom de bevrijding van de Palestijnse man gepaard moet gaan met huisarrest voor de Palestijnse vrouw. Volgens de Marokkaanse sociologe Fatima Mernissi is de onderdrukking van elke spontane relatie tussen man en vrouw zelfs de kern van de 'moslim-ideologie’ zoals die door veel theologische colleges wordt onderwezen. Daarin geldt de zelfstandigheid van vrouwen als hoofdoorzaak van maatschappelijke chaos en verval, uiteraard vooral in die gebieden waar armoede, werkloosheid en westerse invloed samenvallen. Als die ideologie, die een bevrijding door middel van repressie predikt, niet kan worden verklaard uit de koran, vanuit een wereldsamenzwering of uit sociaal-economische oorzaken, waaruit dan wel?
In Jansens visie is het islamisme alleen te begrijpen als 'een waarlijk religieuze beweging in die zin dat het uitdrukking geeft aan het messianistische verlangen naar een wereld zonder gebreken en zonder gebrek, een wereld geregeerd door God zelf, in al Zijn glorie en al Zijn Rechtvaardigheid’.
Het angstbeeld van de islamisten is djahiliya, de goddeloze verwildering die heerste voor de komst van de Profeet en die op het einde van onze eeuw opnieuw in volle hevigheid toeslaat. Het islamisme is met andere woorden een reactie op de falende moderniteit, die zowel optreedt in islamitische landen als onder islamitische migranten en bekeerlingen, van de Moslim Broederschap in Egypte tot de Nation of Islam van de zwarte Amerikaanse predikant Louis Farrakhan.
Onder islamitische migranten in het Westen speelt vooral de vernedering door discriminatie een rol; in derde-wereldlanden zijn de gevolgen van dit falen van de moderniteit uiteraard vele malen dramatischer. Mernissi poogde na de Golfoorlog met haar boek Islam en democratie (1993) duidelijk te maken hoezeer de westerse opvattingen van democratie en vooruitgang door Arabische en Noordafrikaanse regimes zijn onderdrukt of verwrongen om ze ondergeschikt te maken aan hun politieke belangen. 'De moslims in het algemeen en de Arabieren in het bijzonder lijden niet zozeer onder hun angst voor democratie als wel onder een culturele amputatie: het feit dat zij geen toegang hebben tot de belangrijkste verworvenheden van de afgelopen eeuwen. We moesten wachten tot de basisbewegingen aan het eind van de jaren tachtig voordat de mensenrechten begonnen aan hun opmars door de straten van de Arabische hoofdsteden.’
Door deze reactie tegen de moderniteit te analyseren als een verschijnsel dat in vergelijkbare gedaanten ook in het Westen optreedt, vallen heel wat puzzelstukken op hun plaats. Een van de origineelste denkers op dit gebied is Gilles Kepel, hoogleraar politicologie in Parijs en onderzoeker bij de Franse nationale denktank CNRS. Kepel heeft zich een tiental jaren beziggehouden met het islamisme in de Arabische wereld en de Europese uitlopers ervan. Vanwege de opvallende gelijkenissen tussen deze bewegingen en bepaalde christelijke en joodse bewegingen beschouwt hij het islamisme niet als een totalitaire variant van de islam, maar als een islamitische variant van een wereldwijde heropleving van religiositeit vanaf de jaren zeventig: het politieke fundamentalisme en televangelisme in de Verenigde Staten, de tsjoeva of beweging van berouw onder de joden (met als exponenten de Lubavitscher chassidim en de terreurbeweging Goesj Emoenim), en de door Johannes Paulus II ontketende herkersteningsbewegingen in Polen (Solidarnosc) en Italie (Comunione e Liberazione).
Kenmerkend voor al deze bewegingen is dat ze de samenleving 'van onderaf’ willen hervormen door het opbouwen van eigen sociale netwerken, scholen en medische klinieken, waarbinnen de moderniteit wordt afgeschaft en vervangen door strikte naleving van de letter van de godsdienstige wet. Voor islamisten dient de Iraanse revolutie allang niet meer als model, aldus Kepel. Deze islamisering 'van bovenaf’ is overal buiten Iran mislukt. Daarvoor in de plaats traden herislamiseringsbewegingen met veel oudere wortels, zoals de in 1927 opgerichte Djamaat al-Tabligh (Maatschappij ter verbreiding van het geloof) en de Moslimbroederschap, die in 1928 in Egypte ontstond. De Tabligh werd opgericht in India om de aldaar wonende moslim-minderheid van 'hindoeistische smetten’ te ontdoen en is in een halve eeuw uitgegroeid tot de belangrijkste internationale islamitische organisatie. Zij vervult volgens Kepel nog altijd dezelfde functie: 'Een identiteit opbouwen in een wereld die onbegrijpelijk, ongestructureerd en vervreemdend is geworden.’
DAT DE VOORZITTER van de Turkse Milli Gorus-beweging in Nederland, Ali Yuksel, de democratie onlangs een westers 'hersenspinsel’ noemde, is dus niet geheel toevallig, al wordt hij daarvoor niet door Teheran of Khartoem in klinkende munt uitbetaald. Overigens is de steun voor zulke beweringen onder Nederlandse moslims voorshands miniem, zoals diverse onderzoeken uitwijzen. Yuksel is in de ware zin des woords een geestverwant van het vrouwvijandige SGP en de homofobe katholieke clerus in ons land. Dat neemt niet weg dat zij allen in de toekomst meer aanhang kunnen krijgen, want ze hebben het tij mee, en niet alleen de islamisten. 'We zien Amerika bidden en de schrik slaat ons om het hart’, zei Rushdie. De moorddadige Amerikaanse anti-abortusbeweging kon wel eens eerder naar Nederland overslaan dan de djihad.
Het is veelzeggend dat ook in Nederland christelijke en islamitische groeperingen elkaar vonden in een gezamenlijke afwijzing van De duivelsverzen. Want wat gebeurt er in dat boek? De hoofdpersonen Djibriel en Saladin Chamcha vallen aan het begin van de vertelling uit een ontploffend vliegtuig, symbool van de falende vooruitgang. Ze vallen dus letterlijk uit de moderniteit. Maar ze vallen niet terug in een gesloten cultuur, ze tuimelen rechtstreeks het postmoderne rijk binnen, waarin ze naar hartelust bestaande tradities kunnen ontheiligen, omarmen of in elkaar schuiven. Leve de vrijheid! 'Mijn schoenen zijn Japans, mijn jas is Brits par excellence, ik draag een Russische rode hoed; mijn hart is Indisch, zoals ’t moet’, jubelt Djibriel. Het boek bewijst vervolgens in duizend-en-een fantastische vertellingen dat godsdienst geen dode letter hoeft te zijn, ook niet als je van je geloof valt. Het kan een inspiratiebron zijn om elke dag jezelf opnieuw uit te vinden. Dat voelden ook de herkersteningsbewegingen feilloos aan, hoewel ze nog een achterstand op de 'vrome moslims’ hadden in te halen. 'In vergelijking met de expansie van de djihad of de heropbouw van het getto staan de katholieke en protestantse bewegingen pas aan het begin van het “christelijke tijdperk” ’, schrijft Kepel. 'Hun grootste zorg is nog de invloed van het “heidendom” in de samenleving, zoals de djahiliya dat was voor de islamistische activisten van de jaren zestig.’
ONDER DE oppervlakte van alle publiciteit over een koude oorlog tegen de islam vindt een heel ander gevecht plaats: een gevecht tussen postmoderne vrijheid enerzijds en religieuze regressie anderzijds. De strijd voor de burgerlijke samenleving, gebaseerd op principiele tolerantie, wettelijke gelijkheid en vrije ontplooiing van het individu, vindt tegelijkertijd en op hetzelfde niveau plaats in het Westen en in de islamitische wereld. Wie zich engageert, vindt westerse aanhangers van Karel Woityla, Jerry Falwell of Menachem Schneerson tegenover zich, en islamitische geestverwanten van Mohamed Arkoun of Fatima Mernissi aan zijn zijde. Misschien is dat de echte koude oorlog van vandaag, een oorlog waarvan het front dwars door alle beschavingen loopt die Huntington zo netjes voor ons opsomt.