Koude wind, god

Het beste zou zijn als ik elke dag deze column had. Best mogelijk dat u dat overdreven vindt, maar voor mijn gezondheid zou het veel schelen, om niet te spreken van die van mijn huisgenoten (elf sinds gisteren) en de dieren, waarvan er een paar nog steeds akelig mank lopen. (Misschien is het goed om toch even mijn excuses te maken: jongens, sorry, maar het kwam door een brief die ik kreeg van Omega Boek in Diemen, een aankondiging van het boek Nostradamus 1999: ‘Een komeet nadert de aarde - wie zal overleven?’ Hun bericht eindigde: ‘Nostradamus 1999 schildert een levendig beeld hoe onze wereld in het nieuwe millennium zal veranderen als de meteoor de aarde raakt. Te bestellen via Centraal Boekhuis.’

Omega Boek gaat rustig door met zijn taak, ook in het zicht van Armageddon en dat moet geprezen worden, maar het hele weekend heb ik mijn kop gek lopen piekeren over wat ze straks met de zuurverdiende centen van hun bestseller gaan doen als de storm opsteekt en de vloedgolven aan komen rollen. Zwemvesten kopen?)
Ik begrijp werkelijk niet hoe andere mensen kunnen leven zonder te schrijven, of zoals John Updike dat noemt, zonder een ‘dagelijks luchten van woorden’.
Het is de enige manier om alle ellende die je hebt opgedaan in de dorpen van je jeugd en de kille gangen van je opvoeding achter je te laten, om de miskenning en de beklemming van de liefde en de idiote daden van je medemensen van je af te vechten.
Denk niet dat ik ongelukkig ben. Dat denk ik zelf wel eens maar het is niet waar. Ik ben in staat om voor mijn eigen eten en drinken te zorgen zonder al te grote schuldgevoelens over waar het vandaan komt. Ik sta bijna nooit meer midden op straat te schreeuwen. Ik heb bijna geen hekel meer aan kinderen, en dat allemaal vanwege deze column.
Aan de andere kant: ik ben nog steeds niet geschikt voor dagelijks opstaan en regelmatig werk, en ik sta eens in de zoveel tijd weer met mijn mond vol tanden in een vreemde slaapkamer, terwijl iemand me vanaf het bed beschuldigend aanstaart, en dat is volgens mij een gevolg van te weinig publiceren. Ik schrijf dan wel dagelijks, maar op het moment van het publiceren wacht ik dan zo gespannen dat de ontlading meer pijnlijk dan prettig is. Te veel door een te klein gaatje. Het helpt wel als je intussen ook aan een boek schrijft, maar dat brengt weer andere ellende met zich mee.
In een brief aan de jonge schrijver ohn Fante uit 1937 schrijft zijn redacteur H.L. Mencken: 'Je maakt de kwellingen door die elke jonge auteur moet doormaken. Het is de boete van God voor allen die het wagen zich op zijn terrein te begeven.’ Dat is mooi gezegd, maar er wordt verzwegen dat het op Gods terrein ook maar een kale boel is, en dat je er maar zelden een paar stenen vindt om een muurtje te bouwen om je tegen de koude wind te beschermen die er altijd waait.