De domme hetze tegen Cultural Studies

Koudwatervrees in alfaland

Twee weken geleden schreef docent literatuurwetenschap Solange Leibovici in dit blad een kritisch betoog over de «vibrerende nepstudie» Cultural Studies, een symptoom van «de yorinisering van de literatuurwetenschap». René Boomkens reageert en signaleert op zijn beurt neoconservatisme in de geesteswetenschappen.

Er is een neoconservatieve opstand gaande in de wereld van de geestes- en menswetenschappen, die wordt aangevoerd door de door de wol geverfde en naar het pensioen verlangende babyboomers en die zich keert tegen de jongste helft van diezelfde generatie, die inmiddels op vele plekken de macht heeft overgenomen in de universitaire wereld. Het is een tragikomische opstand die alle trekken vertoont van een farce en die niet geheel vrij is van onaangenaam ressentiment. Enkele jaren geleden uitte de Amerikaanse filosoof Rorty, die uit onvrede met zijn eigen vak een aanstelling bij de faculteit geesteswetenschappen had geaccepteerd, een felle aanklacht tegen zijn nieuwe collega’s bij geesteswetenschappen die zich jarenlang onledig hadden gehouden met «postmodern» onderzoek naar «culturele differentie», naar de rol en betekenis van verschillen op cultureel gebied (zoals die tussen etnische groepen, tussen de seksen, tussen seksuele voorkeuren, et cetera), terwijl tegelijkertijd de «grote problemen» in de samenleving door deze geesteswetenschappers onaangeroerd bleven. En dat waren dan vooral problemen van sociaal-economische aard, in het bijzonder de met name in de Verenigde Staten nogal manifeste kloof tussen erg rijk en erg arm. Wat geesteswetenschappers precies voor eigen bijdrage op dit terrein te bieden hadden, anders dan het tonen van hun burgerlijke verantwoordelijkheid, bleef in Rorty’s aanklacht onduidelijk. Wat intussen doorsijpelde, was echter dat geesteswetenschappers, en vooral de «cultural studies»-adepten onder hen, slechte Amerikanen én slechte wetenschappers waren.

Een half jaar geleden schreef de Amsterdamse hoogleraar sociologie Abram de Swaan een uiterst vermakelijk maar tegelijk ook zeer zelfingenomen artikel over een hoorcollege in de een of andere menswetenschap aan hedendaagse studenten. Beter: over de onmogelijkheid van een hoorcollege aan dit soort gehoor. Men was voorzien van al het beschikbare postmoderne wapentuig (gsm, walkman en dergelijke) in de collegebanken aanwezig, maar om die reden ook totaal onaanspreekbaar. Conclusie: de postmoderne student luistert niet langer, is onopvoedbaar en onherroepelijk uitgeleverd aan de hyperrealiteit en banaliteit van BNN en Yorin.

En zo mocht Solange Leibovici, literatuurwetenschapper aan de UvA, tot slot in dit weekblad vaststellen dat de geesteswetenschappen dankzij de invoering van de nieuwe «interdiscipline» Cultural Studies inderdaad ten prooi zijn gevallen aan het verderfelijke proces van yorinisering, waaraan de rest van de samenleving al enige decennia was onderworpen (alleen heette dat toen nog «vertrossing»). In een van ressentiment overlopend schotschrift verklaart Leibovici het nieuwe vakgebied tot «nepstudie» zonder daarvoor ook maar één overtuigend argument te leveren. Mevrouw Leibovici maakt zichzelf nogal opzichtig belachelijk door te suggereren dat haar collega’s van Cultural Studies het lezen en bestuderen van Asterix en Obelix verkiezen boven het uitpluizen van Caesars De Bello Gallico. Zij suggereert hier immers dat de bedrijvers van Cultural Studies de Asterix-strip zouden bestuderen om langs die weg meer te weten te komen over de Romeinse cultuur of literatuur. Wat onderzoekers van strips als Asterix echter werkelijk bezighoudt, is de vraag welke culturele impact strips in de hedendaagse samenleving hebben, en dat lijkt me een relevante vraag, ook al is hij niet wereldschokkend te noemen — net zoals het meeste werk van traditionele geesteswetenschappers over het algemeen niet al te wereldschokkend geweest is.

Desondanks slaagt Leibovici erin drie Groene-pagina’s lang alle clichés omtrent het nieuwe wetenschapsgebied Cultural Studies op te lepelen, daarbij niet gehinderd door de wetenschap dat diezelfde clichés ook al jarenlang van gelding waren voor haar eigen vakgebied, dat van de literatuurwetenschap. Ze verwijt het nieuwe vakgebied verregaande politieke correctheid zonder erop te wijzen dat literatuurwetenschappers als Christel van Bohemen of taalwetenschappers als Teun A. van Dijk al jaren voor de invoering van het nieuwe vak excelleerden in het uitpluizen van racistische of seksistische «subteksten» in bijvoorbeeld de romans van Joyce of in politieke pamfletten van diverse snit. Hun «politieke correctheid» (dat wil zeggen: de overdosis ervan) was al veel eerder gehekeld. Leibovici heeft hier op uiterst magere wijze gelijk: onder de vlag van Cultural Studies werd en wordt een hoop politiek correcte onzin (irritant «standpuntdenken») verkocht, maar dat verbaast geen mens meer, omdat dat dat al sinds de dolle jaren zestig een irritant bijeffect is van pogingen de wereld van de wetenschappen een beetje om te woelen.

Persoonlijk heb ik in de jaren zeventig als student ook enige maanden de mogelijkheid van een «proletarische» wetenschap overwogen, en zulke «jeugdzondes» zullen de Cultural Studies zeker ook aankleven. Ze daarom vrijwel onmiddellijk naar de vuilnisbelt van de academische historie verwijzen, lijkt me wat voorbarig en uit de pen van een literatuurwetenschapper die ineens met ongrijpbare concurrenten wordt geconfronteerd bij voorbaat te wantrouwen. De toon die mevrouw Leibovici daarbij aanslaat doet bovendien denken aan een aloud quasi-vooruitstrevend vocabulaire, te weten dat van de oude prelaten van de Kritische Theorie Theodor Adorno en Max Horkheimer, die de teloorgang van hun eigen muzikale en literaire smaak ook al aanzagen voor de ondergang van de beschaving als zodanig. Zij konden ten dele worden vrijgepleit omdat hun cultuurpessimisme bovendien werd gevoed door de successen van het nationaal-socialisme en de massamoord op de joden, maar zoiets geldt allesbehalve voor de discipline of de opvattingen van Leibovici in deze tijd: die zullen zich toch echt op eigen kracht moeten verdedigen. En daar beginnen de problemen: veel verder dan een wel erg wanstaltige karikatuur van het nieuwe vak komt Leibovici niet.

Ze begint al meteen met het inroepen van de hulptroepen door de nog nooit van genuanceerd denken verdachte cultuurpessimist Alain Finkielkraut op te voeren, die zich vijftien jaar geleden keerde tegen «het te ver doorgevoerde eclecticisme van het postmoderne denken» en de daarmee verbonden kreet dat «alle culturen legitiem zijn en alles cultuur is». Zo kon men de «echte kunst» en de literaire canon de rug toekeren om willekeurig wat te bestuderen: bouquetromannetjes en B-films, porno, soap en voetbal et cetera. Leibovici: «In musea doken alledaagse gebruiksvoorwerpen op die als kunst werden gepresenteerd, en schrijvers voelden zich verplicht om zich aan te passen aan de criteria van de populaire cultuur — of liever aan het ontbreken daarvan.» Let wel: dit gaat niet over Cultural Studies, maar over het postmodernisme van vijftien jaar terug, dat straks per implicatie ook voor het nieuwe vak Cultural Studies geldig zal worden verklaard. Zo gaat dat onder wetenschappers.

Erger is dat Leibovici bovendien het postmodernisme kenmerken toeschrijft die in wezen nu juist golden voor het veel en veel oudere artistieke modernisme van de avant-gardes uit het begin van de twintigste eeuw. Als er ooit alledaagse gebruiksvoorwerpen in de musea werden geëxposeerd, dan toen, in de tijd van dada en van het urinoir van Marcel Duchamp. Diezelfde vroeg-twintigste-eeuwse modernisten deelden bovendien ook een grote belangstelling voor enerzijds «volkskunst» en «inheemse kunst» en anderzijds voor nieuwe culturele media als film, fotografie en radio. Toen film door de wetenschap en de gezeten burgerij nog werd gezien als banaal kermisvermaak richtte de modernist Menno ter Braak zijn filmliga op en schreef Walter Benjamin zijn beroemd geworden essay over het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid. Picasso verdiepte zich in Afrikaanse volkskunst, Bartók verzamelde en herinterpreteerde Hongaarse volksliedjes, en Ravel verdiepte zich in de jazzmuziek. Het was met name in deze periode dat vele kunstenaars en intellectuelen geneigd waren een grotere authenticiteit en diepere betekenis toe te kennen aan het «volkse» of «populaire» in de cultuur. Het was ook de tijd van de arbeider-kunstenaar en de hoop dat kunst en alledaags leven op onproblematische wijze zouden samenvloeien.

Het postmodernisme breekt met deze romantische verering van het volkse of populaire als drager van een alternatieve of diepere waarheid of betekenis. Het doet dit echter door elke definitieve fundering van waarheid in twijfel te trekken. Dat leidt niet noodzakelijk tot de door Leibovici vol walging geciteerde kreet «alle culturen zijn legitiem en alles is cultuur», maar wel tot een relativering en een kritisch onderzoek van de vanzelfsprekende geldigheid of waarheid van de bestaande artistieke of wetenschappelijke criteria en canons. Aandacht wordt gevraagd voor wat in en door die criteria en canons wordt uitgesloten of verhuld en op welke wijze een artistieke canon een bepaald artistiek genre of een bepaalde schrijfstijl geldigheid en culturele macht toeschrijft.

Leibovici maakt zich erg vrolijk over een artikel in de bundel over Cultural Studies die haar eigenlijke steen des aanstoots is, waarin wordt beweerd dat het literaire werk van Annie M.G. Schmidt in feite deel uitmaakt van de erfenis van de Vijftigers (Lucebert, Schierbeek en anderen). Lachen!!! Maar is een dergelijke uitspraak nu echt zo belachelijk? Integendeel. In de jaren vijftig en zestig golden genres als kinderboeken of krantencolumns (cursiefjes) nadrukkelijk niet als behorend tot de literaire canon. Nu, veertig jaar later, schrijven literatoren, waaronder de Vijftiger Campert, met graagte columns in kranten, die vervolgens gebundeld als literair boek nog eens apart op de markt verschijnen. In die veranderende literaire context is bijvoorbeeld het werk van Simon Carmiggelt radicaal geherwaardeerd. Carmiggelt werd tot ver in de jaren zeventig gezien als een «stukjesschrijver» — en dat was in hoge mate een journalistieke bezigheid. In de jaren tachtig werd zijn werk stilzwijgend en soms ook heel expliciet opgenomen in de Nederlandse literaire canon.

Dat overkwam wat later ook Schmidt, en het is in dat verband bijvoorbeeld niet zo vergezocht om in de aandacht voor thema’s als de onschuld en de speelsheid verwantschappen tussen Schmidt en de Vijftigers aan te wijzen. «Het postmodernisme had de grens tussen ‹hoge› en ‹lage› cultuur opgeheven», zo meent Leibovici, maar het is andersom: de geleidelijke erosie van de grenzen tussen hoge en lage cultuur (zoals tussen columns en romans, tussen poëzie en kindergedichten, tussen urinoirs en schilderijen, tussen foto’s en schilderijen, tussen Lucebert en Schmidt, enzovoort) vormde een van de belangrijkste aanleidingen en motieven van het postmoderne denken. Anders gezegd: postmoderne wetenschappers bogen zich over een cultureel fenomeen dat al decennia oud was en zich geleidelijk voltrok, een fenomeen dat door vele traditionele kunsthistorici en literatuurwetenschappers over het hoofd was gezien: de geleidelijke erosie van de scheidslijnen tussen hoge en lage cultuur, en daarmee de problematisering van de artistieke canons, die nu juist functioneren als leveranciers van regels om kunst van kitsch, of hoog van laag, of waardevol van waardeloos te onderscheiden.

En het postmodernisme als nieuw onderzoeksprogramma stelde daarnaast nog een ander belangrijk onderwerp aan de orde: de soms radicale veranderingen of verschuivingen in de traditionele scheidslijnen tussen diverse culturele praktijken en artistieke disciplines. Hier speelden alweer nieuwe media een belangrijke rol: televisie en popmuziek oefenden beide grote invloed uit op traditionele of «oudere» moderne kunstvormen als theater, musical en film. Video was van groot belang voor de ontwikkeling van de speelfilm en van de documentaire, maar had ook een cruciale invloed op veranderingen in de popmuziek via de videoclip. Die clip was weer een mengvorm tussen artistieke uiting, reclameboodschap én commentaar op een andere artistieke uiting (het liedje). Videoclips werden vervolgens weer een belangrijke bron van informatie en inspiratie voor de wereld van de mode en van het design. Al deze culturele en artistieke mengvormen vormden een van de belangrijkste wetenschappelijke uitdagingen van onderzoekers in het nieuwe vak van Cultural Studies, en niet voor niets: dergelijke mixtures vielen buiten het blikveld van traditionele kunsthistorici en literatuurwetenschappers. Kortom, Leibovici verwijt haar collega’s van Cultural Studies dat ze zich op chaotische wijze storten op allerlei zeer diverse culturele producten, terwijl die collega’s zich in werkelijkheid buigen over de feitelijke chaos die de relaties tussen zeer uiteenlopende culturele disciplines momenteel bepaalt.

Het belangrijkste is echter nog onbesproken gebleven. Waarom keren geesteswetenschappers zich zo scherp en op zo vileine wijze tegen collega’s die een vernieuwing van het vakgebied verdedigen? Waarom pleegt mevrouw Leibovici zoveel als professionele karaktermoord op een naaste collega en op een verwant en overlappend vakgebied?

Laten we Leibovici’s filippica eens vergelijken met twee eerdere voorbeelden uit de Nederlandse academische historie. Allereerst het beroemde essay van filosoof Frits Staal over Zinvolle en zinloze filosofie uit 1967. In dat essay haalt de analytisch geschoolde filosoof Staal zijn fenomenologisch of structuralistisch geschoolde collega’s onderuit als «zo-maar-wat-zeggen-filosofen». Vrijwel alle filosofie blijkt daar uiteindelijk onder te vallen, wat niet zo vreemd is, omdat Staal de filosofie onderwerpt aan wetenschappelijke criteria die hij aan geheel andere wetenschappen ontleent. Leibovici’s artikel lijkt direct te zijn geïnspireerd door de door gebrek aan argumenten gekarakteriseerde filosofenmoord van Staal, die uiteindelijk gewoon een hekel bleek te hebben aan alle filosofie en twintig jaar later zijn eigen antropologische onderzoek nog wist te gebruiken om de filosofie als vak belachelijk te maken. Filosofie is geen antropologie, dus deugt ze niet. Dat lijkt sprekend op de argumentatie van Leibovici: Cultural Studies lijkt niet op literatuurwetenschap, dus deugt ze niet. Dat Cultural Studies ergens anders over gaat, dringt niet door tot het narcistisch universum van Leibovici.

Mevrouw Leibovici verdedigt uiteindelijk niet haar eigen wetenschappelijke aanpak tegenover de chaos van Cultural Studies, maar verdedigt niets anders dan haar eigen favoriete onderwerp: de literatuur. Niemand zal haar dat willen afnemen: ga zo door! Maar waarom collega-wetenschappers demoniseren en ridiculiseren? Waarom wetenschappers iets verwijten dat door kunstenaars al een eeuw eerder in de praktijk is gebracht: vermenging van genres, interdisciplinariteit? Waarom? Er zijn twee mogelijke verklaringen en beide laten zich aflezen uit de laatste regel van Leibovici’s artikel: «Het enige dat blijft is literatuur.» Dat zinnetje suggereert dat mevrouw Leibovici gezien moet worden als een soort Robin Hood van de literatuurwetenschappen, iemand die tegen alle overmacht en evidenties in pal blijft staan voor een bepaalde waarheid, in dit geval die van de literatuur; let wel: niet die van de literatuurwetenschap. Met andere woorden: mevrouw Leibovici fungeert hier zelf als leverancier van literaire criteria, sterker: zij is hier de canon.

De tweede verklaring luidt dat mevrouw Leibovici een soort fundamentaliste van de literatuurwetenschappen is geworden, waarschijnlijk zonder dat zelf te willen. Ze verdedigt hier niet de literatuur, maar haar eigen discipline, de literatuurwetenschap. Nu was literatuurwetenschap altijd al een uiterst chaotisch samenspel van zeer uiteenlopende disciplines. Wat ze dan ook op grond daarvan kan inbrengen tegen de «interdisciplinariteit» van Cultural Studies blijft volkomen vaag. Dat ze Cultural Studies desondanks aanvalt, is slechts te verklaren als een soort Fortuyn-reflex: vroeger was het allemaal veel mooier en nu is het bovendien niet zo als ik het wil. Diepgaand en destructief narcisme kleurt het oordeel over het nieuwe en soms ongetwijfeld vage en falende vak «Cultural Studies».

Deze karaktermoord van mevrouw Leibovici verraadt in feite het onvermogen onder literatuurwetenschappers als Leibovici en onder cultuurwetenschappers in het algemeen, om werkelijk spannende en relevante thema’s aan te snijden, zoals die door Cultural Studies nu zo’n vijftien jaar worden gedekt. Niet omdat deze onderzoekers soap artistiek gezien prevaleren boven Wagner, wel omdat ze beseffen dat er nog veel meer relevante cultuur is, buiten de artistieke canons van het moment. Zo’n inzicht bevindt zich principieel buiten het gezichtsveld van een veel te eenzijdig opgeleide wetenschapper als Leibovici. Eigenlijk zou dat soort archaïsche wetenschappers alleen al op grond van hun opvattingen de WAO in moeten. Maar daar mag tegenwoordig niemand meer in. Leibovici: u kunt wel gaan.