Kraaien en gieren

Bij de ingang van de begraafplaats werden onze bange vermoedens bewaarheid. Daar stond de verwachte cameraploeg, door enkele paparazzi omringd, in afwachting van de rouwstoet. Een teraardebestelling is een publiek gebeuren en speelt zich af op publiek terrein. Niets aan te doen. Zoiets valt nu eenmaal onder de vrijheid van meningsuiting, hoe weinig het ons in onze overgevoeligheid ook moge bevallen.

Toch bleef de aanwezigheid van de beroepskijkers als een schimmel over de bijeenkomst hangen. De intimi bevonden zich in de aula, waaruit de camera’s trouwens, zo te zien, gelukkig waren geweerd. Wij, de buitenstaanders, volgden de plechtigheid via een geluidscircuit. En ondertussen tastte de elektronica onze gezichten af, hongerig naar het moment dat cabaretier X of politicus Y bereid was decoratief in tranen uit te barsten. De uiteindelijke tv- reportages, ’s avonds, voor zowel de publieke als de commerciele omroep, bleken nog vrij ingetogen van sfeer te zijn - en gaven daarmee merkwaardigerwijze eigenlijk een scheef beeld van het gebeurde. Want de meeste toespraken waren niet om te huilen, maar om te lachen, geheel in de geest van de overledene, en dat deden wij - beschenen door de waterige zaterdagmorgenzon - van harte.
Toen klonk Les feuilles mortes en begaven wij ons, vijftienhonderd rouwenden sterk, naar het graf. Daar zou het lachen ons definitief vergaan. Voetje voor voetje schuifelden wij langs de wandelpaden. Dat duurde dus een kleine drie kwartier. Hindert niets. Op zo'n dag heb je allesbehalve haast. De groeve lag onder een grote boom, want de betreffende begraafplaats is de lommerrijkste van Amsterdam. Wij gingen de hoek om, de laatste rustplaats kwam in zicht en de hoeden- of pettendragers onder ons ontblootten alvast hun hoofd.
Toen was het zover. Klikklik, zei het ene fototoestel. Klikklik, zei het andere. Daar stonden drie fotografen (en verderop nog een vierde) en registreerden iedere aanwezige die ooit eens met zijn kop in de krant heeft gestaan, ongetwijfeld ter actualisering van de archieven van de vaderlandse pulppers, waarvoor naar bekend weinig heilig is. Het was niet meer of minder dan obsceen - in elk geval ervoeren wij het allemaal als een flagrante schending van de privesfeer, die van ons, die van de overledene en die van zijn ongelukkige familieleden.
Ik ben een getraind bezoeker van begrafenissen en weet uit ervaring: de kraaien vallen wel mee. De gieren daarentegen mogen, wat mij betreft, allemaal ter plekke worden doodgeschoten.