Kraakverbod

MORGEN GAAT het kraakverbod in. Hoewel de linkse leden van mijn generatie nog altijd met weemoed terugdenken aan het eigen kraakverleden ben ik er niet rouwig om. Niet omdat ik nou zo geloof in de ‘heiligheid’ van het eigendomsrecht. Ook niet omdat ik dit soort collectief beleden non-conformisme ten diepste wantrouw (wat ik doe). Wel omdat mijn ervaringen met krakers veel grimmiger zijn dan de herinneringen van mijn generatiegenoten suggereren.
We kennen allemaal die opwindende beelden van de Vondelstraat-ontruimingen van maart 1980. Vriendelijke jongens en meisjes die doodleuk door politie en leger met zwaar materieel uit hun woning werden getrapt. Het kwetsbare, naïeve, autonome krakersleven tegenover het gedisciplineerde, platte bestaan van de burgerman, dat, als puntje bij paaltje komt, wordt geschraagd door een stalen haag van ambtenaren, soldaten, beleidsmakers en politici die oproerkraaiers rücksichtslos neerslaan wanneer zij de orde bedreigen. Als de Nederlandse evenknie van de Tsjechische studente op de tank van de Russische overweldiger in 1968, zo ziet de oud-kraker zichzelf graag. Dit romantische beeld heeft zich in de hoofden van velen vastgezet. Enerzijds door de geoliede pr-machine van de kraakbeweging, anderzijds doordat veel voormalige krakers hun weg hebben gevonden naar gezaghebbende posities in politiek, cultuur, journalistiek.
Bij gewone burgers is dat nooit helemaal aangeslagen. Het greintje sympathie waar de kraakbeweging ooit op kon rekenen is al lang vervlogen. Terwijl Nederlandse krakers tenminste nog de schijn ophielden van opbouw en renovatie betoonden de Poolse, Tsjechische en Portugese krakers die de oude wijken vanaf de jaren negentig overspoelden geen enkele betrokkenheid bij pand, buurt of stad. Gekleed in het uniform van leren jack, gescheurde spijkerbroek en kistjes posteerden zij zich intimiderend rond hun voordeuren met kratten bier en grote luidsprekers als om omwonenden eens goed in te wrijven hoezeer zij schijt hadden aan werk, school en nachtrust.
Ik herinner me de ontruiming van de Bakker-panden in mijn buurt in 2008. Een blok oude woningen dat leeg werd gehouden tot de laatste huurder was vertrokken om verbouwd te worden en te worden verkocht aan jonge ouders op zoek naar een schaarse koopwoning. Al snel werd het blok gekraakt door Oost-Europese krakers. Toen de politie ontruiming aankondigde ging een caravan in lichterlaaie. Toen de volgende dag de school van mijn dochter uitging moesten ouders in een regen van verfbommen en glasscherven hun gillende kinderen in veiligheid brengen. Nooit heb ik begrepen waarom de kraakbeweging zich niet luidkeels van dit tuig heeft gedistantieerd. Nog maanden na de ontruiming hingen aan de gevels banieren waarop stond dat yuppen moesten oprotten. Als je jonge ouders met dubbel modaal geen koopwoning gunt in een stad waar meer dan de helft van het bestand uit sociale huurwoningen bestaat, ben je ieder gevoel voor verhoudingen kwijt. En als je niet begrijpt dat in een stad met woningnood kraken hetzelfde is als voordringen, snap je niet dat sinds 1980 veel is veranderd. Aan deze gettomentaliteit ging de kraakbeweging te gronde. Good riddance.