Kraakverbod

Vrijdag 1 oktober gaat het kraakverbod in. Hoewel de linkse leden van mijn generatie nog altijd met weemoed terugdenken aan het eigen kraakverleden, ben ik er niet rouwig om. Niet omdat ik nou zo geloof in de ´heiligheid´ van het eigendomsrecht. Ook niet omdat ik dit soort collectief beleden non-conformisme ten diepste wantrouw (wat ik doe). Wel omdat mijn ervaringen met krakers stomweg veel grimmiger zijn dan de herinneringen van mijn generatiegenoten suggereren.

We kennen allemaal die opwindende beelden van de Vondelstraatontruimingen van maart 1980. Vriendelijke jongens en meisjes die doodleuk door politie en leger met zwaar materieel uit hun woning werden getrapt. Het kwetsbare, naïeve, autonome krakersleven tegenover het gedisciplineerde, platte bestaan van de burgerman, dat, als het puntje bij paaltje komt, wordt geschraagd door een stalen haag van ambtenaren, soldaten, beleidsmakers en politici die oproerkraaiers rücksichtslos neerslaan wanneer zij de orde bedreigen. Als de Nederlandse evenknie van de Tsjechische studente op de tank van de Russische overweldiger in 1968, zo ziet de oud-kraker zichzelf graag.

Dit romantische beeld heeft zich sindsdien in de hoofden van velen vastgezet. Enerzijds door de geoliede pr-machine van de kraakbeweging die successen heeft uitvergroot tot de essentie van de beweging. En anderzijds doordat veel voormalige krakers inmiddels hun weg hebben gevonden naar gezaghebbende posities in politiek, cultuur en journalistiek.

Bij gewone burgers is dat nooit helemaal aangeslagen. Het greintje sympathie waar de kraakbeweging ooit op kon rekenen is allang vervlogen. Terwijl Nederlandse krakers tenminste nog de schijn ophielden van opbouw en renovatie, betoonden de Poolse, Tsjechische en Portugese krakers die de oude wijken vanaf de jaren negentig overspoelden geen enkele betrokkenheid bij pand, buurt of stad. Gekleed in het uniform van leren jack, gescheurde spijkerbroek en kistjes posteerden zij zich intimiderend rond hun voordeuren met kratten bier en grote luidsprekers als om omwonenden eens goed in te wrijven hoezeer zij schijt hadden aan werk, school en nachtrust.

Ik herinner me nog goed de ontruiming van de Bakkerpanden in mijn eigen buurt in maart 2008. Een blok woningen uit de jaren twintig dat leeg werd gehouden totdat de laatste huurder was vertrokken om verbouwd te worden en voor veel geld te worden verkocht aan jonge ouders op zoek naar een schaarse koopwoning. Al snel werd het blok gekraakt door Oosteuropese krakers. Toen de politie ontruiming aankondigde ging diezelfde avond een caravan in lichterlaaie. En toen de volgende middag de school van mijn dochter uitging moesten ouders in een regen van verfbommen en glasscherven hun gillende kinderen in veiligheid brengen.

Nooit heb ik begrepen waarom de kraakbeweging zich niet luidkeels van dit tuig heeft gedistantieerd. Nog maanden na de ontruiming hingen aan de gevels banieren waarop stond dat yuppen moesten oprotten. Als je jonge ouders met dubbel modaal geen koopwoning gunt in een stad waar meer dan de helft van het woningbestand sociale huurwoningen zijn, ben je ieder gevoel voor verhoudingen kwijt. En als je niet begrijpt dat in een stad met woningnood kraken hetzelfde is als voordringen, snap je niet dat er sinds 1980 veel is veranderd. Aan deze gettomentaliteit is de kraakbeweging te gronde gegaan. Good riddance.