Kraken is zonde

LYDIA DAVIS, BEZOEK AAN HAAR MAN EN ANDERE VERHALEN, Uit het Amerikaans vertaald door Peter Bergsma, € 24, 95

JULIO CORTÁZAR, DE TOESPRAKEN VAN DE BEKKENKNIJPER, Uit het Frans vertaald door Martin de Haan en Rokus Hofstede, € 9,-

Het korte verhaal schijnt al een hele tijd niet meer in tel te zijn. In de jaren zestig verscheen nog de ene bundel met een keuze van verhalen uit een bepaald taalgebied na de andere en was met name het genre van de short story uitermate populair. Het zal met een algehele verandering in leesgedrag te maken hebben; het heeft wellicht ook met gemakzucht te maken: voor een kort verhaal moet de lezer zich telkens helemaal omschakelen en soms zelf het kader bedenken, de doorsnee roman hoef je alleen maar te volgen.

Medium 9789078068600

Vast ook als reactie op de dikke roman is in de laatste jaren het kort proza in zwang gekomen. In hetzelfde land dat de bakermat van de short story was, Amerika, is er een wedstrijd in short, shorter, shortest ontstaan. Er zijn zelfs aparte tijdschriften voor, met soms de allure van rederijkerskamers: schrijf een roman in vijf woorden.

Het belangrijkste kenmerk van kort proza is dat het kort is, verder zijn er geen regels. Geslaagd kort proza is geen verkleinde roman maar een wereld in het klein. In kort bestek gebeurt er iets wat op geen andere manier kan, zoals in het fantastische verhaal, waarvoor Edgar Allan Poe ooit het model creëerde. Daarop is bijvoorbeeld de Argentijnse schrijver Julio Cortázar doorgegaan, zoals vele anderen, Borges voorop.

In zekere zin waren ook de grote romans van Cortázar een aaneenschakeling van korte verhalen. Hij verheelde dat niet, getuige een titel als 62: Bouwdoos, het vervolg op Rayuela: Een hinkelspel. Cortázar had misschien het geduld niet voor een doorgecomponeerde roman, waarschijnlijker is dat het genre hem onvoldoende bewegingsvrijheid gaf. Hij kon zijn verbeeldingskracht beter uitleven in reeksen als die over de wonderbaarlijke cronopio’s, de ordelijke fama’s en onnozele esperanza’s. In het Nederlands verschenen ze voor het eerst in de bundel De mierenmoordenaar (1967). Toen Cortázar, die sinds begin jaren vijftig in Frankrijk woonde, in 1965 een vakantiehuis in de Provence betrok, schreef hij in de geest van de verhalenbundels een veertiental tekstjes rechtstreeks in het Frans, voor hem als tolk-vertaler al sinds jaar en dag een vertrouwde taal.

Waarom doen sommige ervan gedateerd aan en andere helemaal niet? In de verhalen met een clou draait het om een idee of ideetje dat wordt uitgewerkt of ingekleed. Gezinsleden spreken elkaar allemaal met een andere naam aan: moeder heet broer, moeder noemt zoon dokter, enzovoort. Enzovoort kun je ook zeggen na de beginzin van Geweigerd door Maggi en zelfs door Knorr: ‘Niet te geloven hoeveel vesten je kwijt kunt in een soepketel.’ Maar na de opening 'Ik woon in een oog…’ (in het verhaal Waar ik woon) is elke zin die volgt verrassend.

In het titelverhaal gaat het om wendingen. De dagelijkse toespraken van de rare bekkenknijper in huis zijn nog te harden, maar ondraaglijk is de verplichting ze onmiddellijk erna in een paar zinnen voor hem samen te vatten. Geheimzinnig is de stilte van de daaropvolgende nacht. Het antwoord op de intrigerende titel Dus daarom ondervinden wij veel hinder van de jaguar is dat bij nadere beschouwing - en dat is het voorafgaande verhaal - de conclusie is dat alles jaguar is, niet alleen het huis, maar ook de stad, de natie, enzovoort.

Dat 'enzovoort’ is trouwens de inzet van de langste tekst, 'Wij betreuren de’: een lange reeks onafgemaakte zinnen, zoals bijvoorbeeld 'Een doffe klap en Robert die wegzonk terwijl hij naar zijn voeten keek alsof’ - het kunnen halve zinnen zijn die uit een bestaand verhaal geknipt zijn of non sequiturs waarmee iedere lezer gemakkelijk een verhaal in elkaar kan knutselen.

Cortázar heeft een veelzijdig oeuvre, zodat je al gauw gaat vergelijken. De Amerikaanse schrijver (en vertaler uit het Frans) Lydia Davis (1947) schrijft alleen maar kort proza, wat zij toch maar verhalen noemt. Voor de eerste Nederlandse presentatie van haar werk in boekvorm is een keuze gemaakt uit The Collected Stories of Lydia Davis - ze publiceerde zeven verhalenbundels en een roman, en deze teksten komen uit de bundels Break It Down (1986, Uitsplitsen) en Almost No Memory (1997, Bijna geen geheugen).

Net als Cortázar beschikt Davis over een veelzijdig register. Maar ook als het om grepen uit het leven of scènes uit het huwelijk lijkt te gaan, gooit Davis graag roet in de verwachting door verbale tournures: 'Eerst liep zij weg en toen, terwijl zij weg was, liep hij weg. Nee, voordat zij wegliep, liep hij bij haar weg, niet lang nadat hij was thuisgekomen, vanwege iets wat ze zei.’

Interessanter vind ik hoe een vrouw naar zichzelf kijkt als benedenbuurvrouw, hoe blij zij zou zijn dat zij haar niet was… Meer een trucje is dan het verhaaltje over de oude man die voor jonge vrouw wordt aangezien. Op haar best is Davis als ze de kronkels volgt in de hersenpan van een vrouw die zichzelf gadeslaat, haar angsten en gestoordheden achter elkaar zet of eindeloos alle voors en tegens van iets afweegt.

Soms zijn de beginzinnen zo sterk dat je eigenlijk het verhaal dat volgt niet eens meer nodig hebt. 'Een man in onze stad is zowel een hond als zijn baas.’ 'Ze keek ernaar uit een oude vrouw te zijn en gekke kleren te dragen.’ 'Een vrouw werd verliefd op een man die een paar jaar dood was.’ Dat is het begin van een verhaal van vijf regels. 'Ons ideaal is om heel aardig te zijn tegen iedereen op de wereld.’ Of het titelverhaal van Bijna geen geheugen: 'Een bepaalde vrouw had een heel scherp bewustzijn maar bijna geen geheugen. Ze herinnerde zich genoeg om zich van dag tot dag te redden. Ze herinnerde zich genoeg om te werken, en ze werkte hard.’

De beste teksten zijn gesloten als noten, kraken is dan zonde ('De moeder’, 'De dertiende vrouw’: 'In een stad van twaalf vrouwen was er een dertiende’).

Bij wijze van slotnoot de laatste tekst: 'Wij hebben affiniteit met een bepaalde denker omdat we het met hem eens zijn; of omdat hij ons toont wat we al dachten; of omdat hij ons in een meer uitgesproken vorm toont wat we al dachten; of omdat hij ons toont wat we op het punt stonden te denken; of wat we vroeg of laat zouden hebben gedacht als we het nu niet hadden gelezen; of wat we graag hadden willen denken maar nooit zouden hebben gedacht als we het nu niet hadden gelezen.’