Roman: ‘De buurjongen’

Krankzinnige schoonheid

Van-de-wieg-tot-het-graf-romans zijn er nauwelijks meer. Dit genre hoorde tot de laat-negentiende-eeuwse populaire vertelkunst en werd nog een tijdje doorgezet in de twintigste eeuw met vaak dikke boeken over het wel en wee van families. En eeuwig zingen de bossen, een deel uit de trilogie Het geslacht Bjorndal (1959), stond bij mijn ouders in de boekenkast. Zelf las ik nog met verbaasde bewondering (zo kan het dus ook) Stiefmoeder Aarde (1936) van Theun de Vries. Tegenwoordig haken schrijvers in op een kort lopende levensfase van hun held(in). Avonturen in New York, de nieuwe liefde, leven met foute ouders, loskomen van religie, hoe ik een zwaan werd, hoe diep kun je zinken et cetera, et cetera. Maar hele levens, daar beginnen ze niet meer aan.

Parodieën op ‘levensverhalen’ verschenen al tegen het einde van de negentiende eeuw. Flaubert schreef het fameuze Un coeur simple (1877), over het vergeefse leven van een dienstbode die langzamerhand in totale onbenulligheid wegzakt en eindigt met haar aanbidding van een opgezette papegaai die vlak voor haar sterven in een visioen aan haar verschijnt als een reusachtige vermomming van de Heilige Geest. Je kunt hier heel hard om lachen, en dat zal Flaubert zeker hebben gedaan, maar in veel recensies werd hij toch maar mooi uitvoerig lovend toegesproken over zijn empathie voor het leven van ‘gewone’ mensen. Vermoedelijk heeft hij daar nog veel harder om gelachen, zijn novelle heeft duidelijk trekjes van een satire.

Bij ons is Jan Siebelink al decennia bezig met een veeldelige saga, zo kun je het langzamerhand wel noemen, over het bloemen- en tuinbedrijf van een Velpse familie. Het is duidelijk dat hij in deze reeks via beelden van gefictionaliseerde ouders en broers zijn eigen biografie steeds opnieuw inkleurt, samenbalt, mythologiseert en perverteert. Dit leverde onder meer de nu al klassieke levensverhaalroman Knielen op een bed violen (2005) op, terecht veel geprezen, waarin we het leven van de diepreligieuze tuinier Hans Sievez van zijn jeugd tot zijn dood volgen. Siebelink is die tuinier, daarover hoeft niemand te twijfelen, ja, een tuinier in zijn verbeelding, vermomd als zijn vader, dat wel, maar in Siebelinks romans staat hij zelf altijd in het middelpunt. Hij richt beelden op van zichzelf. Dat geeft aan zijn werk iets onweerstaanbaar krachtigs.

Was het niet beter als Henk al op pagina 36 onder een bus was gekomen, net als zijn erg aardige biologische moeder?

In 2015 verscheen in dezelfde saga Margje, een roman over de echtgenote van Sievez. En dan is er nu een nieuwe spin-off. Siebelink volgt in De buurjongen het leven van de min of meer autistische buurjongen van de familie Sievez. Hij wordt wanneer zijn moeder overlijdt in de familie opgenomen. Alle elementen van Siebelinks mythologie keren terug. Verdrongen en geperverteerde seksualiteit, gestoorde familieverhoudingen, hang naar mystiek en religie, onjuiste vader-dochter-verhouding, isolement, vergeefsheid, onschuld en boetedoening. Het is duidelijk dat Siebelink zijn eigen gemythologiseerde en geliteraturiseerde leven op dat van de simpele ziel Henk Wielheesen projecteerde.

Ook deze keer schuwt hij het drama niet, hij gooit er zelfs een schepje bovenop. Veel meer drama kan een boek niet hebben. De stiefmoeder van Henk is bijvoorbeeld de kwaadaardigheid zelf. ‘“Nee, voor jou heb ik in de keuken gedekt. Je vraagt je af waarom? Je vader en ik zien elkaar zo weinig. Aan tafel willen we met z’n tweeën zijn. Je eet voortaan in de keuken, en vooraf.”’ Kenmerkend voor de hele roman zijn deze korte, afgemeten zinnen die me sterk deden denken aan het werk van de diep-christelijke schrijver W.G. van de Hulst. Nog een voorbeeld: ‘Zijn vader kwam thuis van zijn werk, waste zich met veel water en zeep. Daar was hij nog wel even mee bezig. Toos had gedekt voor twee personen. Ze liep heen en weer met op elkaar geperste lippen. Hij zag dat ze zich ergerde aan alle geplas met water.’ Later verplicht zijn stiefmoeder de ongelukkige Henk zich ’s ochtends buiten te wassen, ook als het striemend koud is. De treurigheid, de misverstanden, de wanhoop nemen toe en toe, je vreest op elke bladzijde het ergste. Zou het niet beter zijn geweest als Henk al op pagina 36 onder een bus terecht was gekomen, net als zijn erg aardige biologische moeder? Dan hoefden we niet steeds zo mee te leven.

Ik geef toe dat dit soort gedachten me begonnen te bekruipen. Maar tegelijkertijd levert Siebelink veel scènes die van een raar type krankzinnige schoonheid zijn. Bijvoorbeeld wanneer Henk, hij is ondertussen vader, drinkt uit de borsten van zijn vrouw omdat ze te veel melk heeft. Dat heeft iets raars, maar tegelijkertijd benam het me de adem. Het rare neemt het in deze merkwaardige roman steeds verder over en juist dat houdt de aandacht gevangen. Normale boeken zijn er meer dan genoeg. De verkleedpartijen in vrouwenkleren zijn van dezelfde absurde schoonheid en platvloersheid als die borstenscène. Zeker als de held door de zoldervloer zakt en precies voor zijn dochter terechtkomt.

Er zijn meer van deze merkwaardig slapstickachtige taferelen. Bijvoorbeeld de vele scènes waarin de vrouw van Henk plaatjes van zigeunervrouwen zit in te lijsten, ze doet dat om bij te verdienen. Ik moest er op het laatst keihard om lachen. Misschien deed Siebelink dat tijdens het schrijven ook, het zou me niet verbazen, maar tegelijkertijd zet hij dit soort beelden in om een sfeer van absurde, doorgedraaide, in de grond intens dramatische problematiek over het voetlicht te krijgen. Zelfhaat en mededogen vechten in deze bizarre roman om voorrang.