Krassen met vracht in de bek

LLOYD HAFT
DEZE POELEN, DEZE GEEST
Querido, 86 blz., € 16,95

Het moet een schok geweest zijn voor Lloyd Haft toen hij zich in 1995 voor de Nacht van de poëzie als ‘allochtoon dichter’ aangekondigd zag staan. Haft debuteerde in 1982 met de bundel Ikonen bij daglicht. Net als Hans Faverey was hij niet in Nederland geboren, toch werd hij nooit eerder op grond van zijn afkomst ergens bij ingedeeld. De in 1968 uit Amerika overgekomen dichter Lloyd Haft benadrukt graag dat hij het Nederlands gekozen heeft om in te schrijven. Dat het uit vrije wil is, net als bij de Nederlandse diplomaat F.C. Terborgh, die in Duitsland geboren is en het Nederlands geleerd heeft.
Lloyd Haft publiceerde een aantal bijzondere dichtbundels. Het is leerzaam om te zien hoe vrij hij zichzelf van het Nederlands naar het Engels vertaalt en vice versa, in bundels als het met de Campertprijs bekroonde Atlantis (1993) en de fraaie bundel Formosa (2005), waarin hij zijn liefde voor Taiwan onder woorden brengt, het land waar hij overwegend woont. Lloyd Haft is een dichter die bijzonder is om naar te luisteren, omdat zijn taal delicaat en zorgvuldig is: hij wikt en weegt om er nauwlettend op toe te zien dat zijn gedachte in de woorden vervat blijft. Hij bewerkte in 2003 De psalmen tot korte, ingetogen gedichten. Zijn nieuwe, negende bundel heet Deze poelen, deze geest, vernoemd naar Oud-Poelgeest, het kasteel en water nabij Oestgeest, dat in De walgvogel van Jan Wolkers voorkomt.
Het is een referentie die Haft er direct bij zet, en dat is opvallend aan deze bundel. De gedichten dragen titels die doen denken aan lange ondertitels van hoofdstukken van zekere romans. Als ik midden in de nacht geplast heb, het bed weer in klim en het lampje uitdoe, is het even alsof het aderennet van mijn ogen in zacht roze op de muur verschijnt is een fraai voorbeeld. In veel gevallen zijn er verklarende noten onder het gedicht opgenomen die een andere referentie geven. Zo hebben de gedichten een dubbel keurslijf: de titel verwijst naar een anekdote, suggereert een aanleiding die de dichter aan het schrijven heeft gezet, en de noten geven een referentie aan een bestaande tekst.
De eerste drie afdelingen van de bundel heten ‘Gelegenheidsverzen van de academische functionaris bij zijn ambtsnederlegging’. Als Haft, oud-docent Chinese literatuur aan de Universiteit van Leiden, zijn boekenkast leeghaalt, ziet hij dat de rug van een dichtbundel door zoninval onleesbaar is geworden. Hij vindt foto’s van zijn moeder en onder lesroosters een rozenkrans. ‘liever licht/ dan woorden over licht’, schrijft hij. ‘Voel/ hoe ik horend sta.’ Het zijn talmende gedachten die gekenmerkt worden door een zekere vormelijkheid. Haft zou Haft niet zijn als Oud-Chinese voorgangers ook bij dezelfde gelegenheid gedichten schreven, hij maakt er in het Nederlands een genre van. ‘wie/ zal er waken over/ de bewakers zelve’, schrijft hij aan vakgroepleider W.L. Idema, als hij de aankomende eerstejaars studenten ziet aankomen. De titels doen soms denken aan onderschriften van prenten of foto’s: In de late avondzon geniet ik in mijn eentje van een wandeling langs de IJssel. In een eetzaal schrik ik van de witte weerspiegeling van mijn haren in de ruit en schrijft hij: ‘Ben ik dat?/ “Oud mannetje”/ in de taal die ik van ze/ heb moeten leren// de hier om mij heen/ voorbijgaanden.’
Hier schrijft Haft ‘moeten leren’, terwijl hij in recente essays in De Gids en Raster over Slauerhoff en Terborgh zijn vrijwillig gebruik van het Nederlands benadrukt. Hij heeft veel te vertellen, ook over Azië, en zijn invalshoek is altijd onverwacht. Waar hij opgaat in astrologie spreekt hij mij minder aan, toch weet hij te fascineren als hij over het onderricht van tai chi schrijft. Hij bedenkt dat de oorspronkelijkste stichtster daarvan zelf de bewegingen niet bij een levend mens maar in een droom zou hebben gezien:

Ik zag eens een merel
die een jongere, nog niet
zwaar gekleurde merel
voordeed hoe je vliegt:

rug open, rug eerst
vrij, vleugel
erbij en de grote
aarde nog ziende

verlaten. (…)

Hoogtepunt van de bundel wordt gevormd door brieven: drie gedichten gericht aan de evangelist Johannes en twee aan de dichter Gerrit Kouwenaar. ‘Groter dan de merel/ is de tak die zij draagt’, schrijft Haft. Als het vlees ooit weer woord wordt, een gedachte waar de drie gedichten mee openen, dan krast die merel zwak tegen de hemel – vanwege de vracht in haar bek. Haft spreekt hier van ‘al/ omgebogen dood/ zwijgsel’. Tegen befaamde uitspraken van Kouwenaar – ‘Scheppen is hetzelfde als doodmaken’ en ‘Wat ik met mijn poëzie wil, is eigenlijk stof maken’ – brengt hij zijn ziel en zaligheid en kennis in het geweer. De Chinese dichter Lu Ji (261-303) beschrijft hoe de dichter ‘klopt op de stomme stilte op zoek naar klanken’. Dat brengt Lloyd Haft in stelling als hij schrijft:

Dichten is geen dood
maken. Scheppen is
dulden, tegen
de ochtendmist in

luisteren hoe de kern
klopt. (…)

‘Wou je tot stof terugbrengen,/ terugroepen, wat nooit/ van stof uitging?’ staat verderop in het gedicht. In de tweede brief kan een bot niet zo lenig zijn als ‘haar hand’. De dichter verzet zich: ‘Niet wij maken het/ woord stof./ Het stof dat onze botten// naar buiten brengen/ spelt al,/ vormt al haast ons.’
Toch is hier meer aan de hand dan een tegenstelling tussen de atheïst Kouwenaar en de op het agnostische af aan zichzelf twijfelende gelovige Haft. Kouwenaars weigering zich (door Haft) vrij te laten vertalen in een andere taal houdt ook de Nederlandse literatuur binnen haar grenzen. Deze bundel Deze poelen, deze geest heeft zo onvoorzien diepe gronden. Lloyd Haft is een uitzonderlijk en ontroerend dichter, een om te koesteren.