Krassertjes, sissertjes en schrijvertjes kinderboek

Toon Tellegen, Brieven aan niemand anders. Uitg. Querido, 86 blz., 329,90
Volgens het register in de verzamelbundel Misschien wisten zij alles huizen er in het verhalenbos van Toon Tellegen 169 dieren. De egel, de kikker, de krekel en de tor blijken favoriet, en de eekhoorn, de mier en de olifant zijn bij de auteur zelfs zo geliefd dat zij het met de verwijzing ‘passim’ (= door het hele boek) tot de geleerde regionen van het Latijn hebben gebracht.

Eigenlijk hadden de brief en de taart ook een plaats in dat register verdiend, want hun rol is van veel wezenlijker belang dan bijvoorbeeld die van de gnoe of de zandvlieg, die welbeschouwd ook door elk ander dier vervuld had kunnen worden. De taart en de brief daarentegen zijn in Tellegens wereld onvervangbaar als symbool, als personificatie haast van enerzijds de feestelijke samenkomsten van willekeurig wie, anderzijds de onhandige, vaak vergeefse pogingen tot contact.
Gelukkig is de brief nu recht gedaan in een nieuwe bundel dierenverhalen, met aandoenlijk mooie prenten van Mance Post en de onmiskenbaar tellegensiaanse titel Brieven aan niemand anders. In ieder verhaaltje treedt de brief op, nu eens in een glansrol, dan weer omdat men in het bos nu eenmaal gewend is aan schriftelijke levenstekens die op de wind van afzender naar geadresseerde waaien. Al op de tweede pagina worden de menselijke omtrekken van de brief zichtbaar, waar de eekhoorn zijn epistel aan de mier een jas aantrekt, een das omdoet en de sneeuw in stuurt op weg naar zijn bestemming.
Er zijn brieven in soorten en maten. De brief van de pad - ‘Dieren, Ik ben nu toch boos… jullie moeten dat zien!’ - zwelt op, gloeit, waait als een vuurbol omhoog en komt sissend in de rivier neer. De pinguïn schrijft op ijsschotsjes die bij aankomst zijn gesmolten en het schrijvertje zit vanwege de lentekriebels zomaar wat aan te krassen op het wateroppervlak: 'Nu ben ik dus eigenlijk het krassertje.’ De sneeuwuil weet niet of je een brief moet roepen, graven of krabben en besluit tot mompelen, en op een kille decemberdag wordt de zon via een 'hartelijke smeekbrief’ namens het verzameld dierenvolk tot spoedige terugkeer gemaand. Het antwoord glijdt langs een zonnestraal die even door de wolken piept.
Naar goed gebruik heerst er onder Tellegens briefschrijvers de nodige zwaarmoedigheid. 'Weten jullie wat te gronde is? Dat ga ik’, schrijft de beer. En de krekel verzoekt de boktor hem anders in elkaar te zetten: 'Als ik goed nadenk klopt er niets aan mij: alles zit op de verkeerde plaats of doet het niet.’ In dit bos waar de post zo overvloedig rondwaait, staat een briefloos bestaan voor opperste treurnis, die uit alle macht bestreden dient te worden.
En die macht gunt Tellegen zijn dieren. Men schrijft zichzelf onder pseudoniem, het briefschrijfklasje van de mus resulteert in een stapel uitnodigingen van de leerlingen: 'Beste mus, zal ik eens een taart voor je bakken?’ En heel soms eindigt een correspondentie in iets echt moois, in een dansje bijvoorbeeld, een de grondwals van de mol en de worm 'op doffe muziek die diep uit hun hart kwam’.
Op deze plaats past de recensent nog slechts een bescheiden verzoekbrief: Beste schrijver, schrijf je nog een tijdje door? De lezer.