Film: Devils on the Doorstep

Krijgsethiek versus overlevingsdrang

De Chinese film ‹Devils on the Doorstep› won afgelopen jaar de Grote Juryprijs van Cannes. In deze zwartgallige klucht botsen de morele systemen van Chinese dorpsbewoners en Japanse soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Reden genoeg voor Chinese autoriteiten om de film in eerste instantie te verbieden en de regisseur een werkverbod van zeven jaar te geven.

«Maak me dood!» Het zijn de eerste woorden van een Japanse soldaat in Devils on the Doorstep, een Chinese film die het afgelopen jaar de Grote Juryprijs van Cannes won. In deze allesbehalve trage zwart-witfilm is de wens van de Japanner onverstaanbaar voor zijn gehoor. Alleen een Chinese tolk in dienst van het keizerlijke Japanse leger kan zijn woorden vertalen. Maar die heeft zijn rede nen dat niet te doen. Hij verkeert in dezelfde situatie als de soldaat, maar wil zeker niet dood.

De Japanner spreekt de woorden in december 1944, kort nadat een mysterieus lid van het Chinese verzet hem en de tolk midden in de nacht in twee jutezakken dropte bij een argeloze bewoner van een noordoostelijk dorpje in bezet China. De duistere verzetsman eist van de dorpsgemeenschap dat die de gevangenen herbergt, levend en wel, tot nieuwjaarsnacht, wanneer hij ze weer komt ophalen. Zo zegt hij. Maar het verzet laat niet meer van zich horen.

Na enkele maanden en enkele mislukte pogingen zich van de tolk en zijn Japanse sergeant te ontdoen, besluiten de dorpsbewoners ten einde raad de twee gasten uit te leveren aan de plaatselijke afdeling van het Japanse bezettingsleger. In ruil voor een aantal zakken graan. Met hulp van de tolk onderhandelen ze met de Japanner, wiens eergevoel en wensen tot harikiri inmiddels hebben plaatsgemaakt voor een herkenbaardere overlevingsdrang, en die graag op het aanbod ingaat. Gezamenlijk stellen ze een verklaring op; een contract dat onder andere de mededelingen bevat dat de Japanse soldaat goed is behandeld en dat de dorpsgemeenschap recht heeft op enkele zakken graan, wat hun allen op dat moment niet onredelijk lijkt.

De fanatiek nationalistische, plaatselijke regiocommandant Sakatsuka denkt daar anders over. Toch erkent hij dat een soldaat van het keizerlijke leger zijn woord heeft gegeven aan een stel barbaren. Dat keurt hij ten strengste af, maar als man van eer ziet hij zich gebonden aan de overeenkomst. Echter niet dan nadat hij de Japanse sergeant ongenadig op zijn flikker heeft gegeven. In de zin «Waarom leef jij nog?!» vat hij al zijn minachting voor hem samen. «Ik heb jouw vader laten weten dat je bent gestorven als een held, ik heb gezorgd dat je naam is bijgeschreven in de Yasukuni-tempel, maar in werkelijkheid zat jij, lafhartige hond, zonder enige schaamte bij deze Chinese barbaren op de koffie!» Sakatsuka verbiedt de sergeant zelfs harikiri te plegen, want zo gemakkelijk mag hij er niet van afkomen. De sergeant jammert en huilt: «Ik zie in dat ik onwaardig ben.» De commandant, sarcastisch: «En dat maakt zeker alles goed?»

Het antwoord is duidelijk. In tegenstelling tot de christelijke gewetensethiek betekenen begrippen als berouw, schuldbesef en boete helemaal niets in de krijgsethiek van het Japanse leger. Eer, gezag, gehoorzaamheid en opoffering, daar gaat het om. In Devils on the Doorstep staat de fanatieke regiocommandant symbool voor die waarden. Het is bij vlagen lachwekkend, zo strikt als hij leeft volgens de codes van zijn ethiek. Bij de niet-ingewijden in de cultuur van het Verre Oosten rijst op die momenten de vraag of Sakatsuka’s gedrag nog realistisch is te noemen. En omdat Devils on the Doorstep behalve een historisch epos ook een zwartgallige klucht is, kun je daar niet voetstoots van uitgaan. Ivo Smits, docent Japanse taal en cultuur aan de Universiteit van Leiden zegt: «Het gedrag van die commandant is niet ongewoon. Maar zijn moraal is niet in eerste instantie ‹Japans›, wat veel mensen denken. Het was niet een nationaal breed gedeelde krijgsethiek, maar een die in Japan eeuwenlang werd geconserveerd door de samoerai, een kleine bovenlaag van de Japanse bevolking. Vanaf het einde van de negentiende eeuw wordt Japan in rap tempo een moderne natiestaat, niet alleen met spoorlijnen, telegraafverbindingen en een parlement, maar ook met een nationale ideologie. Die moest worden gekneed. Het leger is daarvoor de perfecte kweekvijver. Dat incorporeerde en verspreidde de eerethiek van de samoerai. Plotseling werd het formele klassensysteem opgeheven en kon iedereen zich de samoerai-ethiek toe-eigenen. Terwijl hier in het Westen de eerethiek van de aristocratie werd weggedrukt door de handelsmoraal van het kapitalisme, slaagde de Japanse elite erin haar eigen moraal te verspreiden en de dominante van de Japanse cultuur te maken.»

In de film staat de eerethiek van de Japanse commandant haaks op de praktische moraal van de kleine boerengemeenschap, voor wie het de eerste zorg was om te overleven. Maar net zoals commandant Sakatsuka niet leefde naar specifiek Japanse codes, is de moraal van de dorpelingen niet typisch Chinees, zo benadrukt Anne Sytske Keijser, docent Chinese talen en culturen aan dezelfde universiteit als Smits: «Het gaat om een locale, geïsoleerde gemeenschap die kampt met de universele problemen van een dorp. De dorpsbewoners begrijpen niets van de nationalistische overwegingen van hun Japanse bezetters, wat natuurlijk materiaal voor drama oplevert, maar ze begrijpen ook niets van hun bevrijders, de Chinese nationalisten die aan het einde van de film het podium betreden. Het gaat in het dorp om onderlinge verbanden van betrouwbaarheid. Men had ook niet het gevoel onderdeel van China te zijn. Dat is wat de filmmaker volgens mij wil laten zien. En hoewel de film in eerste instantie is verboden op grond van bureaucratische redenen (regisseur Jiang kreeg een zeven jaar durend werkverbod voor het overtreden van de Chinese regelgeving voor de filmindustrie — pvo), zou dat voor de censor een reden kunnen zijn voor een mogelijk verbod. Chinese autoriteiten houden er niet van als Chinezen in kunstuitingen geen enkel besef van nationale identiteit tonen.

Is dat in China genoeg reden voor een werkverbod?

Keijser: «Wellicht ook subversief is de spot die erin gedreven wordt met de gangbare propagandistische staatsfilms. Die zijn onderdeel van de bewuste creatie van een nationale mythe van verzet. Communistische overheidspropaganda heeft inmiddels iedereen ervan overtuigd dat elk dorp in het land minstens één communistische cel bevatte, net als wij allemaal minstens één joodse onderduiker in huis haalden. Deel van de mythe is dat Chinese boeren in aanleg allemaal revolutionair zijn en dat zij zich dolgraag wilden verzetten tegen Japanners en kapitalisten, maar het hun slechts aan leiding ontbrak. Die werd, zo wil de officiële lezing, geleverd door de communistische partij. Neem die mysterieuze man in het begin van de film: moeten we daarvan denken dat hij een communistische guerrillastrijder is? Maar waarom is die dan nooit meer teruggekomen? De gemiddelde Chinese kijker zal bij het begin hebben gedacht: hé, dit is een standaard Chinese ‹communisten-helpen-boeren-film›. Dat dacht ik ook! Maar niets daarvan. De man komt niet terug. Het ontbreekt deze boeren volstrekt aan leiding, en revolutionair pathos is helemaal ver te zoeken: ze gooien het op een akkoordje met de Japanners en lopen zo rechtstreeks hun dood tegemoet. Bovendien gedragen ze zich halfslachtig, ze maken de ene inschattingsfout na de andere en tonen zich bang, naïef en soms onnozel. De enige man in het dorp die de Japanners consequent vervloekt, is een seniel oudje dat door geen van zijn dorpsgenoten serieus wordt genomen.»

Volgens de Chinese regisseur, die tevens de best betaalde acteur van China is, is de film ook gehaat bij Japanse, extreem-rechtse nationalisten. Ivo Smits begrijpt dat wel, maar hij maakt een voorbehoud. «Dat is maar een klein groepje, onderwezen door de extreem-conservatieve, revisionistische groep intellectuelen die van een ‹bevrijdingsoorlog› spreken. Onlangs kwamen zij zelfs uitvoerig in het Nederlandse nieuws door dat nieuwe, uiterst nationalistische geschiedenisboekje. De discussie over de oorlog is momenteel heftig in Japan, maar dat is wel anders geweest. In Japan werd lange tijd nauwelijks aandacht besteed aan de oorlog. Wel schreven liberale historici vanaf het begin zeer kritisch over de Japanse rol in de oorlog, en op bepaalde scholen werd het oorlogsverleden niet verzwegen, maar op andere meer behoudende scholen hoorde een kind er niets van. Het leerde zelfs hoe de Japanners de Aziaten hadden bevrijd van hun gewelddadige kolonisator.»

Al toont maker Jiang in deze zwarte komedie de verschillen waarop de Chinese boer en de Japanse soldaat in het leven staan, voor de twee Nederlandse kenners ligt het sleutelmoment in de film juist bij de ontdekking van de dorpelingen dat hun Japanse gevangene één van hen is. Ook hij is dorpeling, maar dan in Japan. Die ontdekking, die gepaard gaat met veel opgelucht gelach, heft de overduidelijke verschillen tussen hen op. De Japanner is eigenlijk heel gewoon, één van hen. Smits: «Dan zie je ook dat indoctrinatie snel verwatert. Die moet constant worden gevoed om effectief te blijven. Aanvankelijk roept de sergeant nog om een snelle dood, maar na zes maanden doet hij er alles aan om de goede vrede met zijn bewakers te bewaren. Naam, faam en goede reputatie doen hem niets meer. Op dat moment valt op dat de tolk de echte buitenstaander is. Juist de brug tussen beiden toont zich de ware outcast. Als enige intellectueel creëert hij ook de meeste verwarring en veroorzaakt hij de problemen.»

Keijser: «Het gaat uiteindelijk niet om verschillen in nationale cultuur, maar om menselijke verhoudingen. Over de afwezigheid van leiding in een grillige wereld. Die dorpsvergaderingen monden voortdurend uit in de meest vreselijke scheldpartijen, die niets van doen hebben met de twee verborgen gehouden gevangenen waarover een beslissing moet worden genomen. Ik dacht nog: dat is het poldermodel op z’n Chinees. Want dat moet je niet vergeten: het kwaad komt niet alleen van de Japanners, maar van alles buiten het dorp. Ook het Chinees-nationalistische leger, de zogenaamde bevrijder, begrijpt niets van de dorpelingen en vice versa. De hoofdpersoon Ma Dasan, gespeeld door de regisseur zelf, wordt onthoofd op last van het Chinees-nationalistische leger. Omdat hij de regels schond zoals die zijn vastgesteld tijdens de conferentie van Potsdam. Dat is intens vervreemdend: een Chinese boer en Potsdam! En het is ook op last van dit leger dat de tolk wordt geëxecuteerd, op beschuldiging van collaboratie. Van de boerengemeenschap had dat niet gehoeven. Daarvoor ontbreekt daarbinnen een gekneed nationaal bewustzijn. De dorpelingen beseffen dat het leven weer verder gaat zoals het altijd was. Het grote politieke spel en de hoge heren die daarbij horen, verdwijnen weer. En zo is het. Ga maar eens in zo’n dorp kijken.»

Devils on the Doorstep is vanaf 1 november te zien in Amsterdam (Filmmuseum) en Den Haag (Haags filmhuis). Op zondag 21 oktober a.s. is er een speciale voorvertoning, ingeleid door Anne Sytske Keijser, docent Chinese talen en culturen aan de Universiteit van Leiden. Lezers van De Groene Amsterdammer hebben gratis toegang. Aanmelden bij het Filmmuseum, telefoon 020-5891400.