Het Bourgondische hof van Karel de Stoute

Krijgsheer aan een reizend hof

Hertog Karel de Stoute was de ware Bourgondiër, exponent van een spectaculaire levensstijl. Hij was ook een machiavellist avant la lettre. Schijn moest bedriegen.

DE TENTOONSTELLING Karel de Stoute: Pracht & Praal in Bourgondië is volledig op zijn plaats in het decor van de neo-middeleeuwse fantasie die Brugge heet. Het hofleven van de Bourgondiërs had immers, in de woorden van Johan Huizinga, ‘de dwingende suggestie van een droomwereld’. Het was een reizend theater, een mobiel paleis, een kostbaar circus, dat volledig gericht was op publiek spektakel. Alles wat de late Middeleeuwen kleur gaf – toernooien, blijde incomsten, banketten, huwelijken, begrafenissen, processies, kapittels, staatsbezoeken – was voor de Bourgondiërs van politieke en ideologische betekenis. Vertoon was een staatszaak.
In België hebben de Bourgondiërs nog altijd een streepje voor. Het was hertog Philips de Stoute (1342-1404) die het graafschap Vlaanderen verwierf en het zo losmaakte van Frankrijk, een verlangen dat in de Vlaamse steden sinds de Guldensporenslag van 1302 hartgrondig werd gevoeld. Het hertogdom had zich vanaf de veertiende eeuw binnen enkele generaties ontwikkeld tot een grote speler op het Europese toneel. Het lag ingeklemd tussen Frankrijk en Duitsland en dat beperkte de ambities, maar bij de hertogen leefde nog de herinnering aan het oude Lotharingse rijk, dat ooit door Karel de Grote was ingesteld en dat reikte van Dokkum tot Milaan.
De expansie begon met Philips de Goede (1396-1467), die zijn gebieden in de Nederlanden uitbreidde met Brabant, Limburg, Holland en Zeeland. De Bourgondiërs werden daardoor de spil in de grote economische en culturele bloei van Vlaanderen in de veertiende en vijftiende eeuw. Onder Philips de Goede kwam een gecentraliseerd bestuurssysteem tot stand, met een bureaucratie van klerken en juristen, een Hoge Raad in Mechelen, een Rekenkamer en een uniform monetair systeem. Hij kanaliseerde de onafhankelijkheid van de steden en gewesten door het instellen van de eerste Staten Generaal van de 17 Provinciën.

KAREL (1433-1477) was uit ander hout gesneden dan zijn meer bedachtzame, vooral politiek handige vader. In 1465 pleegde hij een soort staatsgreep, toen Philips pas veroverde gebieden in Picardië om de lieve vrede wilde teruggeven aan de Franse koning. Karel trok, hondsbrutaal, tegen Lodewijk IX op, in de slag bij Montlhéry, en het pleit werd in zijn voordeel beslecht. ‘Je l’ay empris’ werd zijn devies, ‘Ik heb het ondernomen’, en vanaf toen stond ‘de Stoute’ achter zijn naam.
Karel maakte Vlaanderen tot het kerngebied van zijn bestuur en probeerde van daaruit de Bourgondische bezittingen in noord en zuid te verenigen door de verovering van Elzas-Lotharingen. In Brugge vierde hij zijn huwelijk met Margaretha van York, in Brugge liet hij tweemaal het grandioze kapittel van de Orde van het Gulden Vlies bijeenkomen en in Brugge zou hij, uiteindelijk, ook begraven worden, maar hij bouwde in Brugge geen paleis. Een vaste basis had hij niet. Karel de Stoute was permanent onder de wapenen, en permanent op weg. Het Bourgondische hof was een portable grandeur. Alles reisde mee.
In 1476 versloegen de Zwitserse Eedgenoten Karels leger bij Murten, en wel zo overrompelend dat de complete hofhouding in Zwitserse handen viel. Het jaar daarna sneuvelde Karel bij Nancy, in een alles-of-nietspoging de Zwitsers te verslaan. De Zwitsers koesterden hun Burgunderschatz zorgvuldig, waardoor er nog veel van over is.
In Brugge kan dus iets worden opgeroepen van de verbluffende elegantie van dat reizende hof. Decoratie en detaillering zijn overheersend. Er zijn schitterend bewerkte toernooiharnassen en -helmen, fantastische ivoren heiligenbeelden en een overdadig gouden altaarservies, er zijn portretten door Van Eyck en Memling, er zijn afbeeldingen van exotische dansen, kolossale banketten en bizarre processies met paarden aangekleed als olifanten, maar de kern van de Bourgondische cultuur is het textiel. Het is wonderlijk om een complete vijftiende-eeuwse rode satijnen rok te zien, nog als nieuw, gedragen aan Karels hof, of een rood-blauw-zilveren kazuifel, gemaakt uit twee banen brokaat van Karels tent.
De show wordt gestolen door de tapijten. Zij waren de grootste en meest kostbare kunstwerken van hun tijd en ze waren een centraal element in het vertoon van de vorst. Karel bezat een vierdelige serie over Caesar en verder een Alexander-cyclus en (delen van) een elfdelige Troje-cyclus, die bij elkaar langer dan honderd meter moet zijn geweest. Dit waren verplaatsbare wandschilderingen. Onderweg in zijn rijk kon Karel elk kasteel, elke raadszaal en elke tent transformeren tot een hertogelijk paleis, en met een gerichte keuze uit de voorraad kreeg elke locatie precies de juiste ideologische boodschap – rechtszaal, troonzaal, trouwzaal, vergaderzaal. Daarvoor gebruikte hij ook zijn tafelzilver, dat, als het op tafel stond, heraldische of dynastieke relaties kon uitdrukken. Hetzelfde gold voor de reliekhouders, waarmee Karel zich aan de gelovigen als een nieuwe St. Joris of een nieuwe St. Lambert kon presenteren.
De prachtlievendheid werd niet gezien als wuft, integendeel. De heersende ethiek hechtte grote waarde aan de magnificentie, de grootsheid van de vorst. Karel liet zich voorstaan op zijn spaarzaamheid, maar de uitgaven logen er niet om, en ze joegen de hofhouding op enorme kosten. Dat blijkt uit de brieven van de jonge Rodolfo Gonzaga (1451-1495), vierde zoon van de hertog van Mantua, die zich in september 1469 in Den Haag bij Karel presenteert. Rodolfo merkt tot zijn schrik dat het hofleven veel te hoge eisen aan zijn beurs stelt. Hij schrijft in milde paniek naar huis: ‘Het leven in dit land is verschrikkelijk duur. Ik kan niet twee dagen achtereen hetzelfde kostbare gewaad dragen en mijn entourage wordt geacht lange mantels te hebben.’ De hertog van Mantua was een machtig man, maar niet bepaald rijk. Hij stuurt zijn zoon tweehonderd ducaten om drie of vier lange mantels te kopen, maar dat blijkt maar net genoeg om de voering van die mantels te betalen. Zijn moeder reageert vol ongeloof: voor zo’n bedrag zou hij die mantels met sabelbont kunnen laten voeren! Nee, schrijft Rodolfo uit Brugge, dat zou nog eens honderd dukaten extra kosten. Rodolfo steekt zich in de schulden. Na een jaartje vindt zijn vader het welletjes en haalt de jongen naar huis.

DE TENTOONSTELLING – afkomstig uit Bern – richt zich op het uiterlijk vertoon, niet op de geopolitieke of economische context van Karels carrière. Dat is begrijpelijk, maar daardoor mist er wel iets: de kijker is geneigd te denken dat dit Bourgondische hof vooral een mirakel van representatie, elegantie, cultuur en verlichting was. De werkelijkheid is veel grover. De organisatie van het hof was militair, met een strikt protocol, een ver doorgevoerde indeling in rangen en een rigoureuze etiquette. Het was geen geheim dat Karel een andere man wilde zijn dan zijn vader, Philips, die hij laks en zelfgenoegzaam had gevonden en die te veel bezig was geweest met ouderwetse idealen van ridderschap, zoals de organisatie van een nieuwe kruistocht tegen de Turken. Karel zag zich als een radicaler, zuiverder vorst, ook in moreel opzicht. Van zijn vader zijn 34 minnaressen met name bekend en 26 erkende bastaarden; van Karel niet één. Hij had zelfs zó weinig kinderen dat het gerucht ging dat hij homoseksueel was.
De memorieschrijver Philippe de Commynes beschreef Karel als: ‘Altijd gehaast en ongeduldig, driftig en brutaal, altijd werkend, zonder enige lichamelijke of geestelijke vreugde, want de roem bedwelmde zijn hart en de drang om alles te veroveren wat hem beviel.’ In feite was hij een warlord, die inzag dat werkelijke macht uiteindelijk op het slagveld werd veroverd en dat een fundamenteel conflict als dat tussen Bourgondië en Frankrijk uiteindelijk alleen met geweld kon worden opgelost, niet met huwelijken of verdragen. Zijn doel was een koningskroon, de status van Souverain Seigneur, zonder leeneed, zonder bovengeschikte. Voor de verwezenlijking van die ambities was alles gepermitteerd. Oorlogsmisdaden waren dagelijks werk. In 1472 liet Karel het complete garnizoen van Nesle terechtstellen en in 1476 dat van Grandson. Getuigen spraken van ‘talloze aan de bomen bungelende lijken’. Duizenden dorpen gingen in vlammen op. Voor ‘de Stoute’ had evengoed ‘de Verschrikkelijke’ kunnen staan. Maar hij kwam ver: het scheelde weinig of de Duitse keizer had hem in 1473 de Duitse kroon geschonken.
In zijn radicale machtspolitiek past Karel de Stoute naadloos in het profiel van Machiavelli’s Vorst, ook al is dat een boek van een generatie later. Het is alsof de Florentijn door Karels carrière geïnspireerd werd. ‘Een vorst’, schrijft Machiavelli, ‘moet worden gezien als genadig, trouw, humaan, eerlijk en gelovig, maar het moet vooral schijnen, dat hij die kwaliteiten bezit. Een vorst kán die eigenschappen niet werkelijk bezitten, omdat hij bij tijden tegenovergesteld moet handelen. Hoewel een slechte reputatie vermeden moet worden, is dat niet cruciaal bij de handhaving van macht.’ Schijn moet bedriegen, de oorlog is alles, en de wreedheid daarvan is moreel geaccepteerd als die maar snel, effectief en kort is.
Karels nalatenschap is vooral een fascinerende geschiedenis van twee werelden en twee tijdperken in één lichaam. Tijdgenoten verbaasden zich al over het contrast tussen die hoofse elegantie en die keiharde ambitie, die beide in de hertog waren verenigd. Toen het fortuin zich tegen hem keerde, openbaarden zich licht waanzinnige trekken, zoals Johan Huizinga ’t noemde: ‘een geleidelijke ontsporing van Karel de Stoutes wezen naar het pathologische’. Had hij nu geleefd, wij zouden hem Karel de Bipolaire genoemd hebben, of Karel de Manische.

Karel de Stoute: Pracht en praal in Bourgondië. Groeningemuseum Brugge, t/m 21 juli. www.kareldestoute.be