The Man Booker Prize 2015

Krijgt een vrouw een lift van de politie

Het portret dat Marlon James van Jamaica in de jaren zeventig schildert in zijn tomeloos ambitieuze en volkomen geëngageerde Een beknopte geschiedenis van zeven moorden is er een waarvan, om te beginnen, de kleuren zijn uitgelopen. Alsof er een regenbui op het doek is gevallen.

Alles mengt met alles, niets zit op de plek waar het zou moeten staan, niemand doet wat hij hoort te doen. Popsterren zijn eigenlijk meer politici, politici zijn meer drugsdealers, popjournalisten zijn meer bezig met spionage dan met muziek, spionnen zijn net zo bang voor hun rebellerende gezin als voor hun vijanden, bendeleden praten meer over mode en muziek dan over geld en macht en hun kindsoldaten zijn zo ongeveer het meest filosofisch van allemaal.

Maar heel soms schieten de personages op hun plek. Wanneer de werkloze, gedesillusioneerde Nina Burgess wordt opgepakt door de intens corrupte politie, ‘om haar een lift te geven’, weet ze wat er gaat komen (‘Ik kan me niets ergers voorstellen dan wachten op een verkrachting’), want het overkomt zoveel vrouwen. Ze pesten haar, proberen haar uit te lokken – ze zwijgt, tot ze er genoeg van heeft: ‘Als je me wilt verkrachten, doe het dan en gooi me maar in de greppel waar je die vrouwen in gooit, als je maar ophoudt met je zeikerige praatjes.’

De politieagenten vallen stil. Ze kijken elkaar aan, staren een tijdje zwijgend voor zich uit. Daarna brengen ze Nina onaangeraakt naar huis. Het is alsof door te benoemen wat de agenten doen ze het duistere spel doorbreekt. Ze maakt hun transgressie zo evident dat ze hen daarmee terug in hun rol van politieagent doet schrikken.

Een verhaal met zoveel personages – die allemaal in de ik-persoon hun verhaal doen, veel in vet Jamaicaans slang – heeft een kapstokje nodig om niet als los zand uiteen te vallen. James heeft zijn haakje, namelijk de aanslag in december 1976 op het huis van Bob Marley – alleen aangeduid als ‘The Singer’ – wiens internationale succes op dat moment het enige verbroederende element in Jamaica lijkt te zijn. 56 kogels door zijn voordeur, hij en zijn vrouw raakten wonderwel niet gewond. James onderzoekt de wie- en waarom-vragen. Maar voordat je bij die aanslag bent, ben je al honderden bladzijden op weg (zo beknopt is de geschiedenis niet). Daarom zijn personages als Nina, die aan de rand van de plot staan, zo belangrijk voor het boek; niet dat haar plotlijn zo belangrijk is, maar haar menselijkheid is dat. De cast heeft zoveel bizarre, exotische personages (plus een politicus die vanuit het graf tegen je praat) dat een aantal meer neutrale, toegankelijke personages essentieel is. Nina is dat, die na een liefdesbreuk en een roofoverval op haar ouders niet meer weet hoe te overleven op een ontwricht eiland als dit, hetzelfde geldt voor de _Rolling Stone-_journalist Alex Pierce, of de cia-chef Barry Diflorio. Ze brengen het verhaal verder, relatief toegankelijk.

Zijn de andere stemmen niet toegankelijk? Van Papa-Lo, van Josey Wales, van Shotta Sherrif, van Demus, van Bam-Bam. Hun accent is minder makkelijk te volgen, de informatie in hun verhalen ligt onder de oppervlakte, maar samen creëren ze een koor dat meer gevoel is dan ratio, dat een sfeer van elkaar versterkende angst en vrijheid en genotzucht oproept. Of zoals Bam-Bam zegt: ‘Nadenken is voor rijkelui. Wij hebben gekte. Gekte loopt een nette straat naar het centrum in en ziet een vrouw in de laatste mode en wil op haar af en haar tassen pakken al weet hij dat we niet echt die tas of dat geld willen, maar het gillen.’

Ik zou die sfeer uitermate Jamaicaans willen noemen, al moet ik erbij zeggen dat ik er nooit ben geweest. Ik ken de geschiedenis niet of nauwelijks. Ken je die wél, dan zou je dit boek waarschijnlijk nog meer waarderen. Zou de Booker Prize-jury wel eens op het eiland zijn geweest? Het zou wie weet de doorslag kunnen geven.