Ger Groot

Krijtstreep

In de speurdersroman M28: Onzichtbare misdaden van de Argentijn Guillermo Martínez (Vassallucci) komt minstens één overbodig detail voor. Bij een ontmoeting met de ik-persoon heeft de wiskundige Arthur Seldom, halverwege het boek, een krijtstreep op zijn voorhoofd. Hij heeft zojuist les gegeven en ook zijn handen zitten onder het krijt. Dat is bijna te gewoon om te vermelden en daarna speelt het in de roman geen enkele rol meer.

Dat is vreemd, want M28: Onzichtbare misdaden is een detective en voor de oplossing van het moordraadsel is ieder detail van belang. Tegelijk is het niet vreemd, omdat juist de speurdersroman spannend wordt dankzij loze aanwijzingen die de lezer in het onzekere houden. Pas aan het slot, wanneer de plot zich onthult, wordt de scheidslijn tussen relevante en irrelevante details zichtbaar.

Daarmee ligt het speurdersverhaal dicht tegen de werkelijkheid aan, want ook die vertoont zich als een onoverzienbare hoeveelheid van feiten zonder duidelijke verbindende lijn. En het onderscheidt zich scherp van de doorgeconstrueerde twintigste-eeuwse roman waarin geen mus dood van het dak kan vallen zonder betekenis te hebben. De literatuurwetenschap heeft zich, voordat het deconstructionisme daarin doordrong, decennialang beziggehouden met de theoretische re-constructie van dergelijke, bij voorbaat hermetische bouwsels.

Juist daardoor staan romans uit deze traditie relatief ver van het alledaagse leven, hoe realistisch zij zich ook voordoen. Niet omdat dat leven niet zou vragen om een interpretatie die lijn in de veelheid brengt. Maar omdat iedere poging daartoe moet beginnen met het wegsnijden van heel veel onbruikbaars: de simpele, toevallige en betekenisloze feitjes van het singuliere bestaan. Zo weeft het leven zijn rode draad te midden van een eindeloze redundantie, terwijl de roman pas geslaagd heet wanneer iedere overbodigheid eruit verdwenen is. Precies daarin is hij een kunstwerk: een artificiële constructie. Het verhaal waarin wij onze eigen levensgeschiedenis vorm geven, schept een illusie. De verbindende lijn wordt achteraf geconstrueerd, als een kunstwerk uitgehakt in de herinnering. Alles wijst in één richting en we proberen die zo vroeg mogelijk te ontwaren om te weten waar het met ons heen moet. Het zoeken van die bestemming is een milde vorm van paranoia, die in de verwarring van de feiten zoekt naar een plan dat ze in werkelijkheid bedenkt.

Zo bestaan leven en literatuur beide in de constructie van een plot dat zo veel mogelijk moet verklaren, al lijken zij zich beide strikt te houden aan het singuliere: die-en-die doet hier-en-nu dat-en-dat. Maar alleen de literatuur kan in die hoop op een samenhang grenzeloos zijn. Wordt dat verlangen op het leven zelf losgelaten, dan verandert de milde paranoia van de interpretatie in een ziekelijke drift die alleen nog maar patronen ziet en geen enkele loze gebeurtenis. Umberto Eco heeft die overspannen levensuitleg in De slinger van Foucault op de korrel genomen. De occulte waarheidszoekers wier verhaal erin wordt verteld zien geen werkelijkheid meer zonder daar een andere waarheid achter te zoeken.

Toch had Eco zelf die drang eerder als scherpzinnigheid verheerlijkt. Wat William van Baskerville in De naam van de roos doet, is niets anders dan kleine tekenen samenvlechten tot één groot verborgen verhaal. Als detective avant la lettre zoekt ook hij naar een betekenis die alles verklaart: de plot van de misdaad. In het beste geval blijven er ook dan geen losse eindjes en zelfs geen lezersmisleiding over. Het toeval verdwijnt, en daarmee de levensechtheid. William van Baskerville is als dwangmatige patroon-zoeker onbestaanbaar en weliswaar succesvoller maar niet per se scherpzinniger dan de zoekers uit Foucault.

Seldoms krijtstreep markeert de grens van de interpretatie, en onwillekeurig interpreteren wij dat als falend schrijverschap. Wanneer het betekenisloze verschijnt, moet de auteurshand wel zijn verslapt. Door zijn woorden heen kiert plots de onhandelbare werkelijkheid van het blote feit, waarop de literatuur – slechts ogenschijnlijk de triomf van het singuliere – machteloos afketst.